Eindelijk - Tjerk Ruimschotel
Begin januari van dit jaar mocht ik, met twee andere voormalige voorzitters van de BNSP (Joost Schrijnen en Rob van der Velden), één van de meest omvangrijke boekwerken die ik ken, in ontvangst nemen. Wie mij een beetje kent weet dat ik nogal van boeken hou. En helemaal van boeken over stedenbouw, stedenbouwkunde en stedenbouwkundig ontwerp. BNSP-leden hebben in mijn column De omgevallen boekenkast (2015-2023) geregeld kunnen lezen welke boeken ik relevant vond voor de beroepsuitoefening en welke boeken ik miste.
In oktober 2015 (dus meer dan tien jaar geleden) begon ik die serie columns met de verzuchting: Ooit dacht ik, als stedebouwkundige, dat omdat stedebouwkundige projecten per definitie in de praktijk waren geworteld, er ook geregeld een overzicht zou zijn van gerealiseerde ‘best practices’. Maar eigenlijk wacht ik mijn hele (professionele) leven al op die geregeld bijgewerkte Gids van de moderne stedenbouw in Nederland. En ik eindigde met: Wellicht kan de BNSP het initiatief nemen om op niet al te lange termijn, bijvoorbeeld ter gelegenheid van het 80-jarig jubileum, een rijk geïllustreerde en van heldere beschrijvingen voorziene gids van moderne stedebouw in Nederland samen te laten stellen. Per slot is het overzichtswerk Stedebouw in Nederland; 50 jaar BNS, dat verscheen bij het half-eeuwfeest van de Bond van Nederlandse Stedebouwkundigen al 30 jaar oud. (einde citaat)
Nu, ongeveer 25 jaar na de fusie met de Bond van Nederlandse Planologen BNP, is die publicatie er. Althans een aanzet daartoe, want hoewel er ook 25 gerealiseerde ‘spraakmakende plannen’ gepresenteerd worden, gaat het in de Stand van de Stedenbouw nog om ‘onderhanden werk’. De gebouwde en geleefde realiteit ervan moet nog komen, evenals de daaropvolgende verslaglegging en beoordeling. Maar dankzij de SvdS weten we tenminste al wat we mogen verwachten de komende jaren.
De afgelopen tijd heb ik me afgevraagd waarom dat overzichtswerk er eigenlijk nooit is gekomen in de periode van 2009 tot 2014 toen ik voorzitter was en ik elk jaar, net als de voorzitter van de NVTL, het jaarboek landschapsarchitectuur en stedenbouw in ontvangst mocht nemen. Keer op keer verbaasde ik me over het ontbreken van omvattende overzichten en de steeds mager wordende oogst aan stedenbouwkundig werk dat jaarboekwaardig werd bevonden.
In 1995 had ik rond het 60-jarig bestaan van de BNS de eindredactie gehad van Waterkracht; de inspirerende betekenis van water in de Nederlandse stedenbouw van de jaren ’90' en toen al was ik ontevreden met de wat onsamenhangende, essayistisch getinte hoofdstukken ervan en het ontbreken van een naar volledigheid strevend overzicht van plannen en projecten. Maar blijkbaar was die brochure, gefinancierd door de adverterende bureaus, toen het hoogst haalbare. Ik was dan ook verheugd de jaren daarop betrokken te worden bij het maken van De Nieuwe Kaart van Nederland. Een ambitieus project om alle ruimtelijke plannen voor 2005 op kaart in beeld te brengen; niet alleen woningbouwprojecten, maar ook werkgebieden, groen, infra etc. Dat alles op zo’n schaal dat naast de afzonderlijke plannen ook hun (soms onbedoelde) samenhang kon worden getoond. Van het project is, naast verschillende papieren (en linoleum) kaartversies en een website die tot 2013 in de lucht was, slechts een impressionistisch boekwerkje van 64 pagina’s verschenen in 1997: De nieuwe kaart – Atlas van Nederland in 2005.
Eind 2009 was er in de Beurs van Berlage een zeer drukbezocht BNSP-congres, getiteld De Staat Van de Stedebouw: een actuele reflectie over de veranderende rol van de stedebouw in Nederland georganiseerd in samenwerking met en ondersteund door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, het Stimuleringsfonds voor Architectuur en het Atelier Rijksbouwmeester. Daar is nooit een publicatie over verschenen, noch over de vele andere jaarcongressen die we als BNSP organiseerden of de vele regionale bijeenkomsten en presentaties, gesprekken en samenwerkingen die we hadden binnen en buiten de wereld van de stedenbouw en planologie. En helemaal niet over wat we dag in dag uit, jaar in jaar uit aan het doen waren bij het uitoefenen van ons beroep in bureaus, ambtelijke organisaties en alle tussenvormen die je je kunt voorstellen. Laten we het er op houden dat we, de toenmalige bestuursleden en ik, vooral bezig zijn geweest het voortbestaan van de BNSP als vereniging van beroepsgenoten veilig te stellen. Toen ik in 2009 aantrad als voorzitter, en nu wordt het even een opa-vertelt-verhaaltje, had de BNSP een loodzware organisatie, met een directeur, een bureaumanager, een aantal bureaumedewerkers (allemaal betaalde krachten), een veelheid van individuele en collectieve lidmaatschappen met allerlei verschillende voordelen en we waren aangesloten bij een groot aantal internationale organisaties. Er heerste onvrede onder de leden, zowel bij de individuele leden, de bureaus als bij de gemeenten en er was weinig animo dingen te organiseren of bestuursfuncties te bekleden. Er werd getwijfeld aan de relevantie van de oude BNSP-structuren in de snel veranderende wereld om ons heen. De BNSP had een hoog oude-mannengehalte; in ieder geval dat imago.
Terugkijkend denk ik dat we er toen goed aan hebben gedaan via reorganisatie en een aantal tussenstappen te komen tot verjonging en verbreding, tot een eigentijdse betekenisvolle positie van de beroepsvereniging. Ik ben er, na het beëindigen van mijn beroepsuitoefening (en vanwege de perifere positie van mijn woonplaats), een beetje uit. Maar als ik de laatste bladzij van de SvdS bereikt heb, zie ik de foto’s van 9 energiek ogende bestuursleden, 6 helder uit hun ogen kijkende leden van de raad van advies en inspiratie, en 6 zelfbewuste jong professionals. Het ziet er allemaal fris en fruitig (en niet meer monomannelijk) uit. Maar belangrijker dan dat is dat dit boek vooral aantoont dat de BNSP die vereniging van, voor en door de leden lijkt te zijn geworden, die wij voor ogen hadden, zo’n 15 jaar geleden.
De titel van het jubileumboek (Stand van de Stedenbouw) suggereert een iets bredere inhoud, maar de focus op onderhanden stedenbouwkundig-werk-met-een-woningbouwopgave levert toch nog een boek met 1264 genummerde pagina’s op. Voordat we op pagina 30 aan het boek kunnen beginnen, hebben we al een voorwoord gehad, een inleiding en een leeswijzer, een zestal boek-aanbevelende stukjes van de overige partners in Platform Ontwerp en een kleurrijke inhoudsopgave van 4 pagina’s. Die uitgebreide inhoudsopgave en de leeswijzer maken duidelijk dat het boek met de 25 ‘hoofdstukken’ niet alleen, zoals de meeste boeken, van begin tot eind gelezen kan worden, maar dat er ook sprongsgewijs doorheen gegaan kan worden.
De bulk van het boek bestaat uit 8 hoofdstukken met in totaal meer dan 250 plannen, verdeeld over de volgende ‘krachtenvelden’: transformatie voormalige werkgebieden, waterfrontontwikkelingen, stationsgebieden, binnenstedelijke verdichting, complexen, herstructurering, grootschalige uitleg en kleine kernen. Daartussen (als de stukjes groenten in een sjasliek) zijn een achttal essays (soms met twee auteurs), vier ‘tweegesprekken’, drie lijstjes met tien punten over thema’s, handschriften en technische tools, een hoofdstuk met ‘vergelijkende analyses’ en een beeldkatern met 25 spraakmakende plannen uit de afgelopen 25 jaar. De uitvoering is verzorgd, de vormgeving doordacht en de presentatie van de plannen is, door het gebruik van een vaste opzet, helder en daarmee een goede aanzet voor verdere analyses van de projecten zelf en hun onderlinge overeenkomsten en verschillen. Het verdient een plaats op een stevige boekenplank bij elke beroepsgenoot en andere bij de bouw en ruimtelijk beleid betrokkenen. En zou breed gerecenseerd moeten worden.
Jaap Modder heeft het in zijn recensie van de SvdS op de site van Gebiedsontwikkeling.nu over een ‘representatief overzicht van 250 recente stedenbouwkundige plannen’, maar zoekt de essentie van het boek vooral in de essays en tweegesprekken. Ik verwijs graag naar zijn bespreking daarvan. Zelf wil ik het vooral hebben over de 25 spraakmakende plannen en de vergelijkende analyses als aanzet tot een beter begrip van de 250 geïnventariseerde projecten. De kwaliteit ervan (of het gebrek daaraan) was, meen ik, toch het ontstaansrecht van dit inventariserend overzichtswerk.
De samenstellers van dit boek hadden drie doelen: allereerst zou het boek moeten uitdagen tot introspectie, nadere analyse en debat, verder zou het kunnen helpen de rolopvatting van de stedenbouwkundige aan te scherpen en het zou ook als inspiratiebron moeten dienen. Achterliggende aanleiding voor het boek was, heb ik begrepen, de onvrede met de selectie van stedenbouwkundige projecten in het periodieke Jaarboek landschapsarchitectuur en stedenbouw.
Iedereen heeft, zeker aan het einde van zijn carrière, wel een rijtje plannen dat hij voorbeeldig en jaarboekwaardig acht, maar dat de jaarboeken nooit haalde. Zelf wilde ik in 2014 het stedelijk herontwikkelingsplan Europapark in Groningen inzenden als voorbeeld van een ontspannen adaptief planproces met hoge ruimtelijke kwaliteiten op projectniveau en binnen de stedelijke context. Daarnaast vond ik het planproces rond de Grote Markt als object van stadsreparatie en ook, vooral, als participatief proces van sociaal-ruimtelijke centrumontwikkeling best de moeite waard (ook al was ik er zelf bij betrokken). En de Groninger aanpak van vrijwel permanente kwaliteitsimpulsen via periodieke stedenbouwkundige manifestaties (als De Intense Stad) en prijsvragen (zoals Europan) leek mij inspirerend voor andere stedenbouwkundigen al dan niet in overheidsdienst.
In deze recensie van SvdS wordt ingegaan op de kwaliteit van (de inhoud van) het boek. Ik kan nog geen oordeel vellen over de opgenomen plannen als geheel of afzonderlijk. De oproep om plannen in te zenden kende geen kwalitatieve criteria, maar de implicatie van deze inventarisatie is natuurlijk wel dat er veel onbekend hoogstaand werk tussen zit. Iets wat BNSP-voorzitter Eric van der Kooy in een aantal interviews ook expliciet verwoordde. Maar zelfs in het laatste hoofdstuk van het boek worden, ondanks de titel ervan (vergelijkingen en analyses) geen evaluerende conclusies getrokken. De opzet van de Stand van de Stedenbouw nodigt uit, ja dwingt je bijna, tot het zelf opzetten van een analyse- en beoordelingskader. In de essays en andere hoofdstukken worden handvatten gegeven aan de lezer om te bedenken welke aspecten relevant zijn voor een beoordeling van stedenbouwkundige plannen.
Dat leidt tot twee mogelijke kritiekpunten op met name de meest recente jaarboeken Landschapsarchitectuur en stedenbouw: als eerste dat bepaalde projecten ten onrechte niet zijn opgenomen, terwijl ook betoogd kan worden dat de criteria van de jaarboeken te beperkt zijn geformuleerd om voorbeeldige projecten te herkennen. Misschien vroeger wel, maar nu en straks steeds minder.
Het boek zou aan waarde gewonnen hebben wanneer tenminste één essay gewijd was aan het identificeren van jaarboekwaardige projecten. Of dat de essayisten gevraagd zou zijn enkele projecten met name te noemen die hun opvattingen voorbeeldig illustreren en dus opgenomen zouden moeten worden in een van de komende jaarboeken. Dit had zowel de geponeerde standpunten als de projecten een extra betekenis kunnen geven. Daarnaast zou een analyse van de inspirerende betekenis van de 25 spraakmakende plannen uit het gelijknamige hoofdstuk iets hebben kunnen duidelijk maken over het gemeenschappelijk gebruikte ruimtelijk vocabulaire en instrumentarium dat uit de 250 plannen naar voren komt. Daarmee zou ook iets gezegd hebben kunnen worden over de gemiddelde (zo op het oog vrij hoge) kwaliteit ervan.
Maar misschien is het ook leuker dit allemaal zelf te (moeten) doen: wanneer we gemiddeld één plan per week grondig bestuderen zijn we over 5 jaar net klaar met dit monumentale werk van aandachtig vakmanschap om de volgende jubileumuitgave in ontvangst te nemen. Ik kijk er naar uit.
Tjerk Ruimschotel