Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


Een vak van verbinding. 20-04-2020. Joost Schrijnen

20 april 2020 Bloghet nieuwe werken 2020

In zijn essay “In tijden van besmetting” stelt Paolo Giordano vanuit zijn door wiskunde getrainde brein dat de epidemie ons aanspoort om onszelf te beschouwen als een collectief. “Ze dwingt ons tot een gedachtenexperiment waar we normaal gesproken niet mee bezig zijn. Onszelf zien als onlosmakelijk verweven met de anderen bij het maken van individuele keuzes”. Aldus Giordano.

Interessant omdat ik meen dat wij een beroepsdeformatie hebben waarin verbinding heel erg centraal staat. In de jaren tachtig waren we geïnspireerd door de opkomst van Europa en van de euro en bereidden we ons voor op het realiseren van een nieuw netwerk van verbindingen in Europa. We positioneerden we ons in grote rijksnota’s als netwerksamenleving in een wereld van netwerkende stedelijke regio’s, waarmee we verbonden wilden zijn. Niet alleen omdat we daarin onze welvaart vermoedden, maar ook als grondslag voor een culturele en betekenisvolle samenleving van mensen in urbane en niet urbane gebieden. De overheid was daarin initiator, en maker van grote infrastructurele werken om die verbindingen mogelijk te maken. Op zich niet nieuw want dat deden we ook in de 19e eeuw met de spoorlijnen en waterwegen. Of nog langer geleden, trokken we de wereld over, gefinancierd door gecollectiviseerde middelen die onze stedelijke ontwikkeling uiteindelijk mogelijk maakten. Het bracht ons grote rijkdom.

En ja, dat ging nooit zonder slag of stoot, met veel ziekten en oorlogen ging het gepaard. Onzekerheid in het menselijk bestaan als onderdeel van een avontuurlijk leven, regelmatig verstoord door pandemische ziekten als de pest, uitbuiting of ander ongemak.

Onze geglobaliseerde wereld kan hier beter mee omgaan, zo dachten we, maar onze open samenleving blijkt juist de open snelweg voor virussen die zich elke keer weer opnieuw zullen ontwikkelen. Net zoals er mentale visrussen zijn, die zich installeren in regeringen en die het kapitalistisme krachtig bevorderen voor eigen gewin of op het niveau van de staat. Ons democratisch gedachtengoed daalt bepaald niet overal blijmoedig neer ook al zijn de verbindingen optimaal.

We hebben na de grote successen van na de Tweede Wereldoorlog met al de grand projects die we als ruimtelijk ordenaars mede voor elkaar hebben gekregen, nu even niet de wind mee gehad de laatste 15 jaar. De overheid heeft de crisis verdiept. Veel ernstiger dan in de jaren tachtig is de woningbouw ingestort, zijn de prijzen astronomisch gestegen én de investeringen, en zijn instituties die te maken hadden met de succesvolle ruimtelijke inrichtingen, allemaal opgeheven of afgebouwd. In de veronderstelling dat de markt het wel zou opknappen.

Niets blijkt minder waar, alleen hebben we daar een gezondheidscrisis voor nodig om dat weer te beseffen? En dan ook nog op een moment dat we een economische crisis tegemoet gaan die wellicht zijn weerslag niet kent, en die het dus nog moeilijker zal maken om deze van links tot rechts op individuele welvaart en inkomenspolitiek gerichte sturing om te bouwen naar een nieuw gedefinieerd collectief belang.

En intussen blijkt jaar op jaar dat we een gelukkig volkje zijn. Is onze wereldbeschouwing als vakgenoten dan outdated?

De visie van Giordano leefde al in ons volkje in de wijze waarop wij als klein land opgaven konden collectiviseren, en ook daarvoor een ruimtelijke uitdrukking zochten en vaak ook vonden. Dat gold voor onze 17e -eeuwse watersteden en waterschappen, voor de 19e -eeuwse infrastructuur die nog steeds relevant is, voor de wederopbouw, de havens, de mainports, Philips en nu dan ASML, de Deltawerken van Afsluitdijk tot de Zeeuwse en Zuid Hollandse werken, Ruimte voor de Rivier, de stedelijke herverkavelingen, de stadsvernieuwing enzovoort. Steeds gezamenlijke opgaven vanuit een gedeelde nationale en lokale urgentie beleefd en aangepakt.

Met het liberaliseren en decentraliseren van de ruimtelijke ordening en de marktwerking als enige uitgangspunt zijn we dat kwijtgeraakt. Maar dat moet ook kritisch worden beschouwd. We waren (en zijn) wellicht een erg normatief volkje van ontwerpers en planners geworden, en dat stoorde ook heel veel mensen en bedrijven.

Wat zou het nieuwe normaal kunnen worden? In elk geval behoud van het geloof in de kracht van ons vak, van verbeelding en ontwerp waardoor toekomsten voorstelbaar worden voor anderen. Maar toch ook in bescheidenheid, omdat we weten dat niet alles maakbaar is, maar dat wij als makers met die uitspraak geen genoegen nemen. Wij willen altijd op zoek gaan naar wat wel maakbaar is en met onze omgeving in gesprek over dat maken. Want een samenleving ontwerpen om afstand te bewaren, maar om toch ook intimiteit te ervaren is wel de allergrootste uitdaging die voor ons ligt. De uitwassen, als massatoerisme en de oneindige mobiliteit die daarbij hoort kan misschien naast uitdagend zijn, ook getemd worden met een bonus; niet voor snelheid maar voor kwaliteit, meer ontspannend en soms ook rust. En die intimiteit is meer dan nodig om ook het toeval een rol te laten spelen in de ontmoeting, de oogopslag, de aanraking. Want zonder dat zijn we niet wie we zijn.