Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De omgevallen boekenkast | Zef

9 mei 2022 Blog

Zef

Een belangrijk voordeel van het krijgen van een boek om te recenseren, behalve dat het gratis is, is dat je (ik althans) plichtsgetrouw het veel nauwgezetter dan anders gaat lezen; wat overigens ook soms een nadeel is. Want om het nieuwste boek van Zef Hemel echt te kunnen begrijpen heb ik het namelijk niet alleen één keer goed gelezen en nog eens herlezen,  maar moest ik om te snappen wat er allemaal in Hemels werkzame leven gebeurde in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen van Nederland, de Randstad en Amsterdam  (één van de hoofdlijnen in het boek) zelf een aparte chronologie maken, want Zef springt in het boek wat heen en weer in de tijd. Daarnaast heb ik, gedeeltelijk op basis van de index, een overzicht moeten maken van de hoofdpunten en kernbegrippen in het verhaal, want de gedachtegangen van Zef meanderen af en toe nogal breeduit en zijn niet altijd even makkelijk te volgen. Verder komt Hemel af en toe weer terug op zaken, die lijken te horen bij de hoofdlijn van het verhaal, zoals de kleinzieligheid van Rotterdam, de onwil en het onvermogen van ‘Den Haag’ (de regering) en het idee fixe dat we (dat wil zeggen: de burgers) zonder overheid eigenlijk best met de stad uit de voeten kunnen. Dit laatste met name is een beetje vreemd om te horen van iemand die langdurig directielid is geweest van een gemeentelijke organisatie en tien jaar een leerstoel mocht bekleden die door dezelfde gemeente Amsterdam werd gefinancierd.

Op zich is het boek (Er was eens een stad; visionaire planologie, Uitgeverij Pluim, november 2021) een fascinerend verslag van de wederwaardigheden van een bevlogen professional in de ruimtelijke, met name Amsterdams-ambtelijke, ordeningswereld en zijn pogingen om tot een eigen vakopvatting en beroepsuitoefening te komen. Die beroepsuitoefening komt vooral naar voren in de drie autobiografische hoofdstukken getiteld De regio, De stad en De binnenstad, met 125 pagina’s samen goed voor een derde van dit boek van 365 pagina’s, exclusief de 21 pagina’s bibliografie en de 17 pagina’s index. Wie snel wil weten wat Zef Hemel vakmatig beoogt leze de 70 pagina’s (ofwel een vijfde van het boek) van het drieluik bestaande uit de Inleiding, het hoofdstuk 10 en de epiloog. Vooral in deze delen van het boek geeft Hemel een paar keer een omschrijving van wat hij onder visionaire planologie verstaat en wat volgens hem de visionair planoloog of visionair planner doet of zou moeten doen.

Om zijn denkbeelden te onderbouwen dan wel te rechtvaardigen haalt hij alleen al in de inleiding van nog geen 20 pagina’s de volgende personen aan: Willem Steigenga, Pier Carlo Palermo, Marijke van Schendelen, G.J. van den Berg, Ed Taverne, Donald Schön, Nathan Glazer, Alice Sparberg Alexiou, Max van den Berg, Robert Caro, Robert Moses, Manfred Bock, Richard Sennett, John Forester, Hannah Arendt, Vladimir Stissi, Lewis Mumford, Samuel Zipp en Nathan Storing, Patsy Healey, Susan Fainstein en Peter Hall. Daarnaast introduceert hij de zes historische figuren die hij ‘als planoloog’ bewondert en waar hij zes afzonderlijke hoofdstukken aan zal wijden: Patrick Geddes, Dirk Frieling, Theo van Lohuizen, Jane Jacobs, John Friedmann en James Throgmorton.

Deze zes levensbeschrijvende hoofdstukken zijn per paar gekoppeld aan de drie autobiografische hoofdstukken en leiden, tamelijk rechtlijnig, tot het afsluitende tiende hoofdstuk, Visionaire Planologie getiteld, net als de ondertitel van het boek zelf. Ook daar had een wat strengere eindredactie het 42 pagina’s tellende betoog van Hemel wat toegankelijker kunnen maken. Om te beginnen zijn in dit hoofdstuk (en het boek) als geheel nergens witregels of tussenkopjes gebruikt, wat wel het geval was in Zefs vorige boek uit 2016 waar ik eerder over blogde. Verder herhaalt hij, in dit laatste hoofdstuk, samenvattend, wat hij geleerd heeft van zijn zes historische helden (met name John Friedmann) en komt terug op (of gaat verder met) wat hem na zijn afstuderen (in 1981) allemaal op het spoor zette van de visionaire of narratieve planologie.

Tegelijkertijd voegt hij een ruim 3 pagina’s lang stuk over Cornelis van Eesteren (nog een held van hem) in en komt met extra argumentatie voor zijn opvattingen door (soms nogal uitgebreid) aan te haken bij werk en denkbeelden van Huub Dijstelbloem, Bruno Latour, Luuk Boelens, John Forestter, Chris Agyris, Amartya Sen, Martha Nussbaum, Prya Parker, Michel de Montaigne, Edward Wilson, Vincent van Rossum, Yuval Harari, Clifford Geertz, Philip Blom, Walter Fisher, Walter Benjamin, Herodotus, Gerald Burke, Paul Davidoff, Han Boering, Lev Tolstoj, Isaiah Berlin, Steven Johnson, Horst Rittel, Melvin Webber, Kelly Levin, Benjamin Cashore, Graeme Auld, Steven Bernstein en Malcolm Gladwell. Uiteindelijk komt hij, op basis van zijn Amsterdamse praktijkervaring en zijn reflecterend onderwijs-/onderzoekswerk, tot de conclusie dat “een planner dus niet hard hoeft in te grijpen, zich beroepend op zijn autoriteit; zijn werk kan veel bescheidener en subtieler. … Een goede planner toont bovenal empathie: hij is in staat te zien wat anderen zien, stelt burgers centraal…Als het goed is bedrijft hij planologie als improvisatie, bijna intuïtief, als kunst. Bovenal is hij een verteller van verhalen.”

Voorafgaand aan dit laatste hoofdstuk staat op pagina 324 een los lijstje van zeven competenties die de visionair planoloog in de eenentwintigste eeuw, volgens Hemel begrijp ik, moet bezitten en kunnen inzetten: waarnemen (bewust en met aandacht de zintuigen in je opnemen), berekenen (naar maat en schaal bepalen), ervaren (door ondervinding gewaarworden), leren (het verwerven en je eigen maken van kennis en vaardigheden), verbeelden (je een voorstelling maken), overtuigen ( door klem van woorden enz. doen geloven) en inspireren (bezielen, aanvuren). Hemel koppelt de eerste zes kwaliteiten aan respectievelijk Geddes, Van Lohuizen, Jacobs, Friedmann, Frieling en Throgmorton. Waar het zevende vinkje (inspireren) vandaan komt is niet geheel duidelijk.

Ook bij dit boek (overigens warm aanbevolen…) moet je, net als bij bijna elk boek, zelf een relevante rangorde in de gebruikte literatuur aanbrengen. Via het notenapparaat wordt duidelijk welke van de meer dan 250 alfabetisch gepresenteerde boeken in de bibliografie belangrijk zijn. De enthousiasmerende manier waarop Zef zijn omgevallen-boekenkast-kennis uitdraagt leverde een aantal publicaties op die ik aan mijn wensenlijst heb toegevoegd of op het ‘te-herlezen-stapeltje’ heb gelegd. Uit de boekenkast heb ik tijdens het lezen het werk van Arnold van der Valk over Van Lohuizen gepakt (Het levenswerk van Th. K. van Lohuizen 1890-1956; De eenheid van het stedebouwkundig werk, 1990), het, nu ook door Zef geciteerde, boek van Niek de Boer uit 1996 De Randstad bestaat niet; de onmacht tot grootstedelijk beleid, de essaybundel De stad als uitdaging; politiek, planning en praktijk van de stedenbouw uit 2000 van Yap Hong Seng, de autobiografie van Max van den Berg (Jongens, maak het maar mooi. Stadsontwikkelaar en ambtenaar in Amsterdam 19163-1986, 2006) en bij gebrek aan die biografie over Dirk Frieling zijn intreerede Een dichtbevolkte delta (1991) en zijn uittreerede Metropoolvorming opgenomen in Delta Darlings (2003). Maar ook Zef Hemels eerdere boek De toekomst van de stad; een pleidooi voor de metropool (2016) haalde ik erbij om hem nog beter te begrijpen.

Al vroeg in de Inleiding van zijn Er was eens een stad geeft Hemel aan ‘het elkaar verhalen vertellen’ de essentie van de ruimtelijke planning te vinden en dat visionaire of narratieve planologie te noemen. Iets verderop stelt hij dat planologen zowel ontwerper, onderzoeker, beleidsmedewerker, manager, activist als onderhandelaar kunnen zijn. Als stedebouwkundig ontwerper vraag ik me af of zijn aanpak van de planologie ons in de praktijk van de ruimtelijke ordening veel verder heeft geholpen dan wel gaat helpen. Ik zou de planologen van onze beroepsvereniging willen uitnodigen cq uitdagen om het betoog van Hemel scherper te analyseren dan ik kan. Met name het werk van de twee hedendaagse planningstheoretici (Friedmann en Throgmorton) vind ik moeilijk te plaatsen in relatie tot de (Nederlandse) planningspraktijken. Zelf zou ik vanuit stedebouwkundige invalshoek Hemels terughoudendheid om over stadsontwikkeling, stedebouw en stedebouwkundig ontwerpen te praten nader willen analyseren. Op zijn geschiedschrijving van de ruimtelijke ontwikkelingen van Amsterdam, de Randstad en Nederland in relatie tot grootstedelijke en perifere leefmilieus kom ik nog wel terug. Verder kunnen de denkbeelden van de ook in dit boek bewierookte Jane Jacobs natuurlijk niet onbe- en weersproken blijven. Wordt dus vervolgd.