Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen boekenkast | Vergeetwoord 3 Milieu

15 juli 2019 Blog

Door Tjerk Ruimschotel

Als mede-eigenaar van een voormalige melkveeboerderij in het Groningse buitengebied aan de rand van het aardgasaardbevingsgebied met uitzicht op wat op kaart een stuk van de Ecologische Hoofdstructuur is, volg ik het gedoe rond het Nederlandse Klimaatakkoord met geamuseerde verbazing. Wie de 238 pagina’s van de onlangs verschenen ontwerptekst doorploegt, stuit op zo’n hoeveelheid ambities en inspanningsverplichtingen op zoveel verschillende beleids- en werkterreinen binnen zulke nabije tijdshorizonten, dat je nauwelijks kunt bevatten wat een en ander voor jou (dat wil zeggen voor mij) als individu en professional zou kunnen gaan betekenen.

En of een en ander ook realistisch is. Zeker wanneer je (dat wil zeggen ik) dat afzet tegen bijvoorbeeld het overheidsbeleid vanaf de jaren ‘70 om per 2024 (dus dertig jaar nadat dat wettelijk is vastgelegd) asbestdaken verboden te hebben. Deze kankerverminderende asbestdakentransitie is echter onlangs simpelweg afgeblazen, enigszins tot mijn financiële opluchting want ik heb nog zo’n 300 m2 liggen, nadat ik al een groot deel van mijn dak vernieuwd en met zonnepanelen bedekt heb. Ook de voortgang van de herstel- & verduurzamingsoperatie in het aardbevingsgebied (wat toch slechts een gering deel van Nederland is) biedt weinig vertrouwen in slagkracht op dit terrein.

Zelfs de aanleg van iets eenvoudigs als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) die in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan wordt steeds meer en weer uitgesteld. Wel heeft het een nieuwe naam gekregen en zijn die wat marginale weilanden waar ik op uitkijk sinds 2013 onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland terwijl een jaar later de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het Rijk overgedragen werd aan de provincies. Het valt me trouwens steeds vaker op dat plannen niet alleen vertraging oplopen, maar ook en vooral dat waar we mee bezig zijn steeds van naam en probleemeigenaar veranderd.

Ooit dacht ik dat onze beroepsuitoefening een vrij eenvoudige was (iets als: ruimtelijke fenomenen analyseren, problemen identificeren en oplossingen aandragen) maar in toenemende mate moet ik constateren dat de omgeving waarbinnen we moeten werken niet alleen complexer geworden is maar ook en vooral niet meer concreet. In plaats van ‘een plan’,  hebben we nu ‘ambities’ en in plaats van wet- en regelgeving gaan we nu met elkaar om via convenanten en akkoorden. En gaat het bijna niet meer om de fysieke leefomgeving op zich, maar om alle meer en minder voorstelbare aspecten die die omgeving bepalen.

Ooit, een eeuw geleden, maakten we ons zorgen om de natuur (de Verkade-albums van Ja. P. Thijsse) en kregen we de Natuurbescherming. Vanaf de jaren zestig was er de zorg om het milieu (bijvoorbeeld omdat er gif in de bodem, het water en de lucht zat) en waren we bezig met het Rapport van de Club van Rome: de grenzen aan de groei geschreven door Dennis Meadows en had iedereen die grijze Spectrumpocket met aansprekende omslag uit 1972 in de kast.

 

Tegenover het sombere doemdenken ook veel over de kracht van ecologie en de schoonheid van wilde planten. Mijn generatie kocht en masse begin jaren zeventig de 3 delen van Wilde planten. Flora en vegetatie in onze natuurgebieden van Van Westhoff,  Bakker, Van Leeuwen, Van der Voo en Zonneveld in 1970 uitgegeven door de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland.

Of alleen deel 1: Algemene inleiding, duinen, alle gronden deel 2: Het lage land of deel 3: De hogere gronden. En anders wel het programmatische boek Natuur uitschakelen, natuur inschakelen uit 1975 van wilde natuur enthousiast Louis le Roy, waarin een voor toen nieuwe relatie met natuurlijke processen werd voorgesteld.

In de boekenkast staan uit het laatste kwart van de 20e eeuw vooral veel landschapsarchitectonische en –kundige publicaties, terwijl de 21ste eeuw daarentegen steeds meer boeken over duurzaamheid begint te krijgen, waaronder onze eigen Duurzame stedenbouw, perspectieven en voorbeelden, uit 2005. Een compleet herziene uitgave verscheen in 2010 als Duurzame stedenbouw/Sustainable Urban Design – The Next Step onder redactie van Martin Dubbeling en Michael Meijer.

Ondertussen was de M van VROM sinds 2010 de partner van infrastructuur in het ministerie van Infrastructuur en Milieu geworden, alsof infrastructuur, wanneer je het bijvoorbeeld op een meer metabolische manier bekijk niet onderdeel van het milieu is. En leek het begrip milieu tegelijkertijd te beperkend, maar ook te veel omvattend en weinigzeggend. En gaat het steeds meer om energie, of beter gezegd om een massieve energietransitie gericht op het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 met 49 % ten opzichte van 1990 en dat om de opwarming van de aarde (het klimaat) te beperken tot minder dan 2 graden. Mijn eerste kennismaking met de concrete relatie tussen stad en klimaat was het promotieonderzoek van Sandra Lenzholzer waarin ze het door de mens veroorzaakte microklimaat in de stad (zoals, onder andere, in Groningen) onderzocht. Haar proefschrift Het weer in de stad; Hoe ontwerp het stadsklimaat bepaalt verscheen in 2013.

Maar toen waren we ook al bezig mee te werken aan de door Dirk Sijmons op de IABR 2014 ingezette analyse- en ontwerpbenadering vanuit het handelingsperspectief van het Antropoceen: het geologisch tijdperk waarin wij, de mensen als een natuurkracht op de aarde ingrijpen. En onder meer het klimaat aan het veranderen zijn. Lees de publicatie Urban by Nature verschenen in 2014 onder redactie van George Brugmans en Jolanda Strien nog maar weer eens en de toen ook verschenen pil Landschap en Energie van Dirk Sijmons. Blader door The Next Economy, IABR 2016 van George Brugmans, Jolanda van Dinteren en Maarten Hajer en bereid je voor op 2020 door het eerste deel our future in the delta, the delta of the future uit 2018 van de IABR manifestatie 2018+2020–THE MISSING LINK te bestuderen.

Ergens denk ik dat 2020 wel eens een interessant jaar voor ons zou kunnen worden, maar voorlopig maken we ons in Nederland vooral druk om welke stad het Eurovisiesongfestival dan gaat huisvesten en hoe we het EK voetbal voor mannen milieubewust moeten gaan volgen wanneer dat in 12 landen gaat plaatsvinden. Misschien gewoon thuis bij de buis, tenminste als we bij ons dat beloofde, afstandsoverwinnende en reisoverbodigmakende glasvezelnet eindelijk aangelegd krijgen.