Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen Boekenkast: UIT

4 juli 2016 Blog
De omgevallen boekenkast uit

Door: Tjerk Ruimschotel
Niet het referendum zelf heeft Engeland, zoals we in Europa het Verenigd Koninkrijk vaak noemen, verdeeld in twee kampen. Het ‘United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland’ was al tijden heftig verdeeld. Niet alleen in de landen bekend van het EK voetbal: de koninkrijken Engeland en Schotland, het prinsdom Wales en de vroegere kolonie Noord-Ierland. En ook niet langer gebaseerd op sociale klasse via de traditionele scheidslijn tussen Labour en Conservative, maar op basis van een toekomstperspectief, dat op enigerlei wijze gerelateerd is aan de planologische en stedebouwkundige ontwikkelingen van de laatste decennia en ergens tot uiting komend in de architectuur van de gebouwde omgeving. We hadden het kunnen zien aankomen, als we de tekens beter hadden gelezen.

Hoewel de Angelsaksische maatschappijvorm altijd al binnen het Rijnlandse model van Europa een buitenbeentje was, heeft het a-sociale neoliberalisme van Reagan en Thatcher via Blair en Kok ook onze ruimtelijke ontwikkelingen bepaald: afkeer van planning, demoniseren van sociale woningbouw en het verheerlijken van het eigen woningbezit. Met als treurig neveneffect een brede afkeer van de overheid, ambtenarij en deskundigen. Wie rondreizend door de UK het boek New Directions in British Architecture van Royston Landau uit 1968 herleest, kan zich bijna niet voorstellen dat het over hetzelfde land gaat. Toen optimistisch de immense problemen tegemoet tredend, nu bang, nationalistisch en xenofoob. Toen: de Swinging Sixties, de opkomst van de Europese jeugdcultuur en de emancipatie van de arbeidersklasse, de vrouw en andere onderdrukten. De jongeren van toen hebben nu overweldigend tegen voortzetting van het Europese project gestemd. Die toenmalige ‘nieuwe richtingen in de Britse architectuur’ doen nu aandoenlijk blijmoedig aan. Zo worden als nastrevenswaardige woningbouwtoekomsten, naast lichtgewicht opblaas- en tentconstructies, grootschalige nieuwbouw zoals Thamesmead en een stalen prefab torenflat aan de Walterton Road genoemd. Echter Thamesmead was in 1971 de filmlocatie voor de beangstigend dystopische film A Clockwork Orange; de hoogbouw bleek vol asbest te zitten en de Archigram-voorstellen zijn zelfs niet in de pret- en vakantiearchitectuur terechtgekomen.

“Na een korte bloeiperiode van de Britse woningbouwarchitectuur en stadsontwikkeling in de jaren 70/80 is het, mede door Prins Charles (A Vision of Britain, 1989), bijna 40 jaar kommer en kwel geweest.”

visionofbritainNa een korte bloeiperiode van de Britse woningbouwarchitectuur en stadsontwikkeling in de jaren 70/80 is het, mede door Prins Charles (A Vision of Britain, 1989), bijna 40 jaar kommer en kwel geweest. Ondanks een weerwoord van de voorzitter van de Royal Institute of British Architects RIBA Maxwell Hutchinson (The Prince of Wales: Right of Wrong. An Architect Replies, 1989) kon niet voorkomen worden dat modernistische ontwerpers werden weggezet als kosmopolitisch elitair en onbekend met en/of ongeïnteresseerd in de noden en wensen van de gewone man. En wanneer we de jaarlijkse Guide to the RIBA Awards van Tony Chapman erop naslaan ontkomen we inderdaad niet aan de indruk dat architectuur met een hoofdletter niet gelijkelijk verdeeld wordt. Een aardig beeld daarvan zal dit najaar gepresenteerd worden in het overzichtswerk The RIBA Stirling Prize 20. Van de 20 sinds 1997 bekroonde projecten waren er 7 in London gesitueerd, 8 in Engeland, waarvan 3 in Cambridge en geen één in Noord Ierland of Wales. Het ene Stirling Prize winnend project in Schotland was het Schotse Parlement, nota bene van een Spaanse architect, terwijl 4 projecten in de EEG gebouwd zijn, waarvan twee in Duitsland. Het is te begrijpen dat sommige gebieden zich achtergesteld voelen, want onder de Stirling Prize projecten zit slechts één woningbouwproject omdat woningbouw in het algemeen nauwelijks in de RIBA-architectuurprijzen valt.

Wat dat betreft is de bloei van de stad in het algemeen en van London in het bijzonder aan nogal wat mensen voorbij gegaan. Dat blijkt ook uit het door John Punter geredigeerde Urban Design and the British Urban Renaissance (2010) waarin de ruimtelijke ontwikkelingen in London, acht steden van Engeland en vier Keltische hoofdsteden (waarvan twee in Schotland) worden geëvalueerd.
Dat politici onze vakliteratuur niet lezen begrijp ik, maar ze hadden kunnen luisteren naar de meer journalistieke publicaties van de veelal jonge goedopgeleide en welbespraakte ‘kinderen van Nairn’. Ian Nairn (1930-1983) was een, niet als zodanig opgeleide, architectuurcriticus die in de na-oorlogse decennia een buitengewoon goed geformuleerde beschrijving gaf van de ontwikkelingen in de architectuur en de veranderingen in de Britse steden, onder andere in Outrage (1950), Counterattack against Suptopia (1957) en in Britain’s Changing Towns. (1967)

“Dat politici onze vakliteratuur niet lezen begrijp ik, maar ze hadden kunnen luisteren naar de meer journalistieke publicaties van de veelal jonge goedopgeleide en welbespraakte ‘kinderen van Nairn’.”

Meer recenter en specifieker gaf Lynsey Hanley in Estates; An Intimate History (2007) een inkijk in het wonen in één van de na-oorlogse sociale woningbouwexperimenten. John Grindrod reisde voor een soortgelijke publicatie stad en land af en schreef Concretopia; A journey around the rebuilding of postwar Britain (2013). De meest interessante chroniqueur van architectuur en stedebouw is Owen Hatherley die zijn observaties nadrukkelijk plaatst in een breder (marxistisch-georiënteerd) maatschappijkritisch kader. De titels spreken boekdelen: A Guide to the New Ruins of Great Britain (2010) en A New Kind of Bleak; Journeys through Urban Britain (2012). De bewondering van Hatherley voor Nairn blijkt uit de door hem verzorgde heruitgave van Britain’s Changing Towns onder de titel Nairn’s Towns, (2012)met per stad een prachtig geschreven nawoord, de problematiek die geleid heeft tot de huidige chaos goed typerend.

Jaloers vraag ik me af wie de huidige planologische en stedebouwkundige problemen en verworvenheden in Nederland den de Europese Unie op soortgelijke manier kan beschrijven. Het enige Europese werk in mijn boekenkast is van Hans Ibelings met de iets te bescheiden titel Europese architectuur vanaf 1890 (2011) Over onze andere politiek-economische unie verscheen in 1998 de ‘Guida all’architettura del Novecento Benelux’. Ook op ons vakgebied is er nog veel werk voor ‘Brussel.’