Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen Boekenkast | Tweede Druk II

4 mei 2021 Blog

In een vorige blog ging ik in op het verbeteren van een boek door het maken van een ‘tweede druk’. Daarna ontving ik (disclaimer: op mijn verzoek) Stedenbouw; kern en perspectieven een boekwerk dat niet zozeer zijn eigen eerdere versie, maar vier andere boeken overbodig maakt.

Jammer genoeg geen vakmatige verbetering van een aantal andere boeken, want dat zou de discipline pas vooruithelpen, maar een soort concluderende samenvatting. Geschreven door (een deel van) de oorspronkelijke auteurs van die vier publicaties, die voortkwamen uit het onderzoeksproject De kern van de stedebouw in het perspectief van de eenentwintigste eeuw van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Allereerst, in 2002 en in 2004 herzien, Het ontwerp van de stadsplattegrond, vervolgens Het ontwerp van de openbare ruimte in 2006, Stedebouwkundige regels voor het bouwen in 2008 en tenslotte Het programma en ruimtegebruik van de stad (2014). Bij elkaar ongeveer 750 pagina’s (formaat 25 x 28 x 7 cm).

Het in 2020 verschenen boek Stedenbouw van Han Meyer, MaartenJan Hoekstra en John Westrik telt ruim 500 pagina’s (formaat 20 x 25 x 3 cm). Dit boek is, om met mijn samenvattende conclusie te beginnen, een doorwrocht werk, breed van opzet, rijk geïllustreerd en met veel voorbeelden uit binnen- en buitenland en door de eeuwen heen. Het zou door elke stedebouwkundige of planoloog bestudeerd en (in ieder geval als zelfstudie) uitgebreid geanalyseerd moeten worden. Want ik heb het gevoel dat het boek, ondanks de vele kwaliteiten die het heeft, enigszins door de tijd is ingehaald. Wat niet geheel verwonderlijk is wanneer je bedenkt dat de opzet van het onderzoeksproject het boek was dat bij het afscheid van Jan Heeling als hoogleraar Stedebouwkundig ontwerpen in 2001 verscheen.

In Over stedebouw; een zoektocht naar de grondslagen van de stedebouwkundige ontwerpdiscipline worden, op grond van het werk van Heeling in de twee laatste decennia van de twintigste eeuw, de vier werkvelden van de stedebouwkundige omschreven als: de ruimtelijk functionele organisatie van de stad en het land; het ontwerp van de stadplattegrond, het ontwerp van de openbare ruimte en de regels voor het bouwen.
Deze vier werkvelden komen terug in de vierdeling die in het in 2020 verschenen boek Stedenbouw is aangebracht en in de serie van de vier publicaties. Het zou een aardig studie zijn de opzet en inhoud van de 4 oorspronkelijke delen en het ultieme boekwerk met elkaar te vergelijken, om te zien wat in de loop van de tijd veranderd is, welke bibliografische bronnen niet meer opgenomen zijn en welke nieuwe inzichten in Stedenbouw de kop opsteken. In ieder geval is de schrijfwijze van stedebouw veranderd in stedenbouw. Maar, en dat is mijn belangrijkste punt van kritiek, uit het eerste werkveld van Heeling is de ruimtelijk-functionele organisatie van ‘het land’ geheel verdwenen waarna de auteurs het uitsluitend hebben over de stad, alsof stede(n)bouw het bouwen van steden, of een stad, zou zijn.

In de inleiding wordt na een beschouwende alinea geconcludeerd: “Steden zijn dus oorden van verandering en tegelijkertijd van continuïteit. Stedenbouwkunde is de discipline die de taak heeft de ruimtelijke voorwaarden voor deze twee ogenschijnlijk tegenstrijdige kenmerken te scheppen.” Hier wordt het aloude misverstand in stand houdend dat stedebouw alleen over de stad zou gaan. Op zich zou ik daar geen probleem mee hebben, ieder zijn heug, maar de samenstellers gaan na dit citaat direct verder met een ambitieuze samenvatting van hun publicatie: “Dit boek biedt een overzicht van de grondslagen van de stedenbouwkundige discipline, de kern en de ‘body of knowledge’ van deze discipline.”  Als belanghebbende beoefenaar en betrokken beschouwer van de stedebouwkundige discipline gedurende meer dan 50 jaar spijt het me om te zeggen dat die ambitie alvast niet waargemaakt kan worden, wanneer ongeveer de helft van het stedebouwkundig werk (namelijk buiten ‘de stad’) buiten beschouwing blijft.

Vervolgens stoelt de serie van vier en het overkoepelende boek op een aantal strikte, haast ideologische uitgangspunten van de auteurs waar wel iets op af te dingen is. De belangrijkste is de hardnekkigheid van het onderscheid dat gemaakt moet worden tussen openbaar en privé. Iets wat in het boek tot belangrijkste instrument van de stedebouwkunde wordt gemaakt. Ik hoef de corona-situatie er echt niet bij te halen om aan te geven dat het sociale en dus ook het ruimtelijk gefaciliteerde leven echt niet meer begrepen kan worden uit deze twee-eenheid.

In mijn optiek is, enigszins gechargeerd gezegd, stedebouwkunde de voortzetting van politieke strijd met andere middelen dan die van de oorlog. Stedebouw is één van de sociale mechanieken waarbij wordt bepaald wie waar met welk doel zich (tijdelijk dan wel definitief) mag vestigen en wat hij daar naar eigen goed dunken kan doen. Een tweede kritiekpunt, dat verder uitgewerkt zou moeten worden is het neutrale of belangeloze karakter dat uit de beschrijving van de stedebouwkundige discipline naar voren komt. Zonder intersectionele stokpaardjes van stal te halen, zou een modern handboek over stedebouwkunde toch iets explicieter moeten ingaan op het onderscheidend, discriminerend of zelfs onderdrukkend karakter van de stedebouw. Bijvoorbeeld ten aanzien van kinderen en ouderen, gehandicapten, vrouwen en etnische of seksuele minderheden.

 

 

Zelfs binnen de zelfgekozen beperking blijft het boek enigszins onevenwichtig. De opzet is vooral thematisch, met een sterke historische component. Het gaat over Nederlandse stedenbouw met relatief veel voorbeelden en boekverwijzingen uit het buitenland, waarbij het niet altijd even duidelijk is met welke reden juist deze zijn gekozen. Ook hier zitten vooropgezette voorkeuren de auteurs in de weg. Een voorbeeld is het boek The Death and Life of Great American Cities uit 1961 van Jane Jacobs (1916-2006): 6 keer figureert Jacobs in de tekst van Stedenbouw, waarvan 3 keer met de volledige boektitel en twee keer met een verwijzing naar ‘het beroemde boek’. En haar denkbeelden worden keer op keer lyrisch beschreven en naar voren gebracht als nastrevenswaardig. En steeds frontaal gesteld tegenover de ‘vernietigende’ werkwijze van Robert Moses (1888-1981), stadsontwerper van New York gedurende vele decennia, waar geen goed woord voor over is. Maar nadat Jane het boek door als heldin wordt opgevoerd (en Moses als schurk) komt het wat vreemd over wanneer op pagina 431 wordt gezegd dat het voor de stad van de eenentwintigste eeuw niet meer gaat om Jacobs of Moses, maar om Jacobs én Moses.

Die zag ik niet aankomen, zeker niet omdat we voor Moses’s werk alleen verwezen worden naar de indrukwekkende, maar ook wel erg negatief getoonzette 1.300 pagina’s tellende paperback (formaat 15 x 23 x 5 cm) uit 1975 van Robert Caro The Power Broker; Robert Moses and the fall of New York.

Het is jammer dat de samenstellers van Stedenbouw wel Hilary Ballons boek The Greatest Grid; The Masterplan of Manhattan 1811-2011 uit 2012 hebben geraadpleegd, maar niet de door haar en Kenneth T. Jackson geredigeerde tentoonstellingscatalogus over Robert Moses: Robert Moses and the Modern City; the Transformation of New York uit 2007 die een wat genuanceerder beeld oproept.

Ik zou het al met al kunnen begrijpen en billijken wanneer de samenstellers van Stedenbouw, voortbouwend op hun imposante onderzoekswerk, een tweede druk al aan het voorbereiden zijn, waarin ten eerste het werkterrein van de stedebouwkundige niet beperkt wordt tot ‘de stad’ en er een scherper onderscheid gemaakt wordt tussen de Nederlandse ontwikkelingen en de buitenlandse context. Wanneer dan ook de wat naïef-neutrale beschrijving van de stedebouw(kunde) plaatsmaakt voor een scherpere analyse van de nog steeds dubieuze kanten van de discipline, én er een betere, beredeneerde bibliografie met suggesties voor verder lezen komt, ben ik helemaal tevreden.

Het wordt tijd dat er, zeg over vijf jaar (een eeuw na de Stedebouw van J.M. de Casseres) een geheel actuele versie van het boek Stedenbouw (al dan niet met tussen-n) verschijnt. Tot dan kopen, lezen (en becommentariëren) we deze editie uit 2020, die overigens beter de titel ‘Stadsontwerp’ had kunnen krijgen, maar in geen enkele stedebouwkundige of planologische boekenkast mag ontbreken.

Tjerk Ruimschotel