Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De omgevallen boekenkast | te doen lijst

27 januari 2020 Blog

Door Tjerk Ruimschotel

De weken rond de jaarwisseling heb ik, zeg maar traditioneel, gebruikt om de verschillende jaar- en decenniumoverzichten door te nemen, de stapels nog-niet-gelezen publicaties en -periodieken te doen slinken, de papieren -en digitale agenda’s bij te werken en een jaarplanning te maken. Want er is een hoop te doen.

Al dan niet gestimuleerd door de klimaatproblematiek, de stikstofcrises, de woningnood of teveel vrije tijd werd ons verteld dat we moesten werken aan ‘deltaplannen’ voor biodiversiteit, ruimtelijke adaptie, agrarisch waterbeheer en mobiliteit om alleen de eerste pop-ups van de Google en Bing zoekmachines te noemen, terwijl we ook een deltaplan voor de dementie niet moeten vergeten. Eind vorig jaar werd dan ook in de Provinciale Zeeuwse Courant wat geïrriteerd, maar niet onterecht geconstateerd dat het ene Deltaplan het andere niet is en dat we tegenwoordig, volgens Van Dale spreken van een deltaplan wanneer we een ‘veelomvattend plan‘ bedoelen; zeker wanneer we iets bedreigends of bedreigd wensen aan te (laten) pakken. Jonge wetenschappers en emeritus hoogleraren overtroefden elkaar begin januari met krantenkoppen als “Nederland 2120, een groen land met brede rivieren” en ”Nederland opnieuw op de tekentafel”

Het komt dus goed uit dat we binnenkort (op 6 februari al) de BNSP/NVTL-Jaardag hebben waarin we zowel de stand van zaken rond de Novi bespreken en dat Wageningse rapport uit december 2019 voor (en dus ook zo getiteld) Een natuurlijkere toekomst voor Nederland in 2120 van bijna 20 auteurs. Overigens was er de afgelopen paar jaar geen gebrek aan ontwerpend onderzoek.

Zo organiseerden het Stimuleringsfonds en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een zestiental studies naar Klimaatadaptatie, Energietransitie om de relatie tussen Erfgoed en Ruimte in beeld te krijgen en ons dan in 2018 te presenteren in een onhandig A4-plusformaat magazine getiteld: KEER.

Eerder in 2019 schreef een elftal auteurs over De Stad van de Toekomst; Stad maken in tijden van grote transities – tien ontwerpvisies voor de vijf grootste steden van Nederland naar aanleiding van een studie uit 2018 van de BNA. En op onze laatste ALV in december vorig jaar ontving ik als verslag van een jaar werken het lezenswaardige boekwerk Een slimme stad, zo doe je dat; verbonden, flexibel en betekenisvol; maak de echte future city, geschreven door 70 (zeventig!) auteurs en mede mogelijk gemaakt door Future City, BNSP en NVTL en nog een stuk of 25 meewerkende partners, gemeentes en instellingen. Ook te downloaden als pdf op www.future-city.nl/smartstedenbouw .

Een soort Groot Winterboek met vier voorwoorden (waarvan één van Rob en Ben – de voorzitters van de BNSP en NVTL), vier columns, negen toekomstbeelden van de smart city en tientallen artikelen over theorie, studie en praktijk over smart en over city. Rijp en groen door elkaar én een bron van inspiratie; waard om uitgebreider besproken te worden.

Enigszins paradoxaal was het foto-essay met de titel Als we overal kunnen zijn, zijn we hier, waarin de partners van dat boek gevraagd werden naar hun lievelingsplek. Immers als we altijd en overal digitaal verbonden zijn kunnen we zijn waar we willen. Van de 17 favo-plekken waren er twee die enigszins stedelijk genoemd konden worden (de IJsseltribune in Deventer en de Watertoren in Utrecht), waren vier op een berg of gifbelt gesitueerd en één in het verleden (Pompeï). Twee partners noemden Oudewater en Nieuwkoop als respectievelijk de mooiste stad van het Groene Hart of de ideale woonplek voor de stedeling. Eén noemde het park de plek in de stad waar je tot rust kan komen, terwijl de overige zeven helemaal voor de anti-stad gingen door de Sloterplas, de Eemhaven, de Oude Rijn, de veerboot naar de Waddeneilanden, de duinen (2 x) en ‘de zee’ te noemen. Het lijkt erop dat die, al dan niet slimme, stad nog niet de harten van iedereen gestolen heeft.

Wellicht heeft Rem Koolhaas, medeoprichter van het bureau Office for Metropolitan Architecture en wereldberoemd geworden met zijn lofzang op de metropool in Delirious New York: A Retroactive Manifesto for Manhattan (1978) toch gelijk wanneer hij, overigens al sinds 2012/13, beweert dat we meer aandacht moeten besteden aan het platteland, waar de andere helft van de wereldbevolking leeft en dat snel en drastisch aan het veranderen is. Misschien moet ik toch proberen om nog dit jaar, maar vóór 14 augustus, met een bezoek aan onze jongste dochter (en man en kind) als excuus, de door Koolhaas samengestelde tentoonstelling Countryside; The Future in het Guggenheim – New York te bezoeken. In ieder geval staat de waarschijnlijk bij uitgeverij Taschen te verschijnen catalogus al op de Wish-list 2020. Bij gebrek aan informatie daarover moeten we het zolang maar doen met een ironische afbeelding uit een presentatie uit 2012. In de tussentijds zal ik mijn Amerikaans cq New Yorks georiënteerde boekenbezit, vooral verzameld rond twee studiereizen in 1976 en 2007, uit de archiefbibliotheek naar de werkbibliotheek overbrengen.

Verder moet ik checken wat ik zelf van en over Koolhaas aangeschaft en gelezen heb, een en ander gerelateerd aan de overzichtsinformatie in Christophe van Gerreweys OMA/Rem Koolhaas; A critical Reader from ‘Delirious New York’ to ‘S, M, L, XL’ dat eind vorig jaar verschenen is. Volgens mij een van de weinige boektitels met daarin twee boektitels.

Maar het wordt dus druk dit jaar. Direct na de BNSP/NVTL dag begint in Abu Dhabi het tiende World Urban Forum georganiseerd door UN-Habitat. Eveneens in de Verenigde Arabische Emiraten zal in oktober in Dubai de eerste World Expo in het Midden Oosten worden geopend, terwijl in november het 56ste ISOCARP-congres in buurland Quatar plaatsvindt met het voor een oliestaatje wel erg prikkelende getitelde “Post-Oil City: Planning for an Urban Green New Deal”.

Dichter bij huis zullen in de loop van het ‘presentatiejaar 2020’ de resultaten van het sinds 2017 in Zuid-Limburg opererende IBA Parkstad in een slotmanifestatie bekend gemaakt worden. De overvloedige website is vooralsnog onduidelijk over wanneer we wat zullen kunnen gaan bekijken, maar we weten alvast wel dat oktober de ‘maand van de stedenbouw’ zal zijn. Tegen die tijd moet ik de respectievelijke IBA- en Limburgboekenplankjes maar weer afstoffen. Ook in 2020 krijgen we via de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam de resultaten van het IABR-project 2018+2020 gepresenteerd. In 2018 was het eerste deel van dit tweeluik. Het tweede deel IABR–2020 Down to Earth vindt plaats in het najaar van 2020, vanaf de eerste week van september tot in december. Zo kan goed aangesloten worden bij de Global Climate Adaptation Action Summit die medio oktober door Nederland wordt georganiseerd en waarbij een deel van het programma in Rotterdam en Groningen zal plaatsvinden. Tegen die tijd moet ik wel de catalogus van 2018 The Missing Link; our future in the delta, the delta of the future onder redactie van George Brugmans nog aangeschaft hebben.

Gek genoeg organiseert Rotterdam zijn tweejaarlijkse manifestatie steeds in hetzelfde jaar als dat van de Architectuur Biënnale van Venetië. Sao Paolo doet het tenminste, dat wil zeggen de twaalf keren dat ze dat sinds 1973 deden, wel op de oneven jaren. De Biënnale van Zwolle is er echter na de derde editie in 2018 mee opgehouden; volgens plan. Ik ben, zoals altijd extra benieuwd naar de Nederlandse inzending op de Biënnale van Venetië; het bijhorend boekwerk is al aangekondigd: Habitat: Ecology thinking in Architecture, te verschijnen mei 2020. Voordat ik dat en de nieuwe catalogus aanschaf moet ik de tweedelige catalogus Freespace van 2018 (toen ik voor het eerst na 1991 niet naar de Biënnale ben geweest) nog kopen en lezen.

Er is dus nog genoeg te doen. En dan heb ik nog niet eens gehad over het bijwonen en volgen van het Songfestival in Rotterdam, de WK ’s schaatsen, het EK voetbal in verschillende steden in Europa, de wielerklassiekers en -rondes en de Olympische Zomerspelen in Tokyo. Maar uiteindelijk verheug ik me toch het meest op alle te verschijnen boeken in 2020, al dan niet met bijhorende symposia etc. Wanneer de uitgever een beetje vaart maakt zit daar mijn eigen eerste boek bij, maar ik kijk vooral uit naar het nieuwste boek van Theo Baart: Groot-Amsterdam; Metropool in ontwikkeling dat als een soort fotografische nulmeting bedoeld is aan de vooravond van grote ruimtelijke verandering. Om de ban van mijn echtgenote op Amsterdamse boeken te omzeilen zal ik de aanschaf van dit boek tzt categoriseren onder ‘werk van bevriende architectuur- en stedebouwfotografen’.