Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De omgevallen boekenkast | Stedevaart

4 augustus 2020 Blog

Door Tjerk Ruimschotel

Wie, nu we weer op reis (en vakantie) lijken te mogen, het recent verschenen boek Stedevaart er op na slaat om een leuke stedentrip te vinden, komt bedrogen uit.

Maar het boek is desondanks zeker een aanrader voor stedebouwkundigen en planologen, vooral voor wat het wel is én vanwege het feit dat ook duidelijk wordt wat er op ons terrein nog niet geschreven en uitgegeven is. Zo ben ik nog steeds op zoek naar goede gidsen en overzichtswerken voor het professioneel reizen naar en bezoeken van landen, streken, steden en plaatsen.

Enigszins op het verkeerde been gezet door recensies, quotes en de flaptekst vroeg ik een recensie-exemplaar aan. Op de flaptekst wordt de lezer beloofd dat hij door de auteur, Jan Brokken, mee op reis wordt genomen naar “22 steden, aan de hand van 22 markante persoonlijkheden die de geest van de stad incarneren.” Waarna een achttal duo’s wordt beschreven. Op de achterbinnenflap wordt dat nader uitgewerkt: “ In Stedevaart komen 22 steden en plaatsen aan bod”, waarna alle plaatsen en personen (met beroep) worden opgesomd. Die 22 klopt en ‘steden en plaatsen’ ook want naast (Europese) wereldsteden als Berlijn, Parijs en Sint-Petersburg komen plaatsen als Middelharnis, Aizpute en Arcachon (met inwoners rond de 10.000) voor. En over zijn woontijd op het eiland Curaçao noemt Brokken niet Willemstad (150.000 inw), maar twee wijken daarvan: Otrobanda en Marie Pompoen. Het gaat de auteur dan ook minder om steden, maar meer om plaatsen/plekken die betekenis hebben gehad voor de betreffende personen. Het ontbreken van de tussen-N in de titel wordt dan begrijpelijk.

Het boek is dan ook geen stedengids, zoals Lonely Planets Ultieme stedentrips; Inspiratie uit de beste steden van de wereld. En het is ook geen architectuur- laat staan een stedebouwgids; zo’n gids wijst de weg (in ruimte en tijd) in de architectonisch-stedebouwkundige productie van een bepaald gebied en omvat een logisch geografisch overzicht bij voorkeur via kaartmateriaal.

De verzameling steden van Brokken is niet geheel evident. Van de 22 verhalen zijn 13 in Zuid/West Europa gesitueerd, 4 in Oost-Europa, twee in Afrika, één in Japan en twee in de Nederlandse Antillen. Vier verhalen spelen zich af in miljoenensteden, drie in dorpen, maar het merendeel in de door Brokken gewaardeerde middelgrote provinciesteden “…met alle voorzieningen en geneugten die een beetje woonplaats moet hebben.” Er is geen inleiding terwijl de verantwoording alleen uitgebreid ingaat op de schrijf- en drukgeschiedenis van de afzonderlijke hoofdstukken. De meeste verhalen zijn eerder verschenen en soms voor deze bundel bewerkt, maar het boek is ook geen strikt autobiografisch-chronologische beschrijving van de door de auteur bezochte en bewoonde plaatsen. Toch lijkt vooral in de verhalen over de kleinere plaatsen Brokken zelf het belangrijkste personage te zijn en ergens (op pagina 259) stelt hij dat “ … door te reizen en door te lezen je telkens kleine stukjes toevoegt aan je eigen autobiografie.” Grappig dat hij hier lezen schrijft waar je schrijven verwachtte, maar de systematiek van de besproken steden/personages blijft me ontgaan. De helft van de personen die het wezen van de stad zouden belichamen zijn schilders en/of componisten. Maar het boek gaat niet over schilders en de stad die ze geschilderd hebben, zoals Canaletto en Venetië (en London) of Berkheyde en Amsterdam (en Haarlem). Of componisten die onlosmakelijk met een stad verbonden zijn zoals Mozart met Salzburg of Wagner met Bayreuth. Van de overige elf personen is ruim de helft schrijver, waaronder Brokken zelf. Van de ruim twintig personen is er slechts één vrouw, de botanist Eva Mameli Calvino, maar die is ook ‘de moeder van…”.

Stedevaart gaat echter niet over schrijvers die steden en stedelingen beschreven hebben zoals Berlin Alexanderplatz; Die Geschichte vom Franz Biberkopf uit 1929 van Alfred Döblin en onvergetelijk verfilmd door Fassbinder in 1980. Of over steden met rijke literaire associaties zoals Dublin en Split, en zelfs niet over steden waar de aanleg van een bibliotheek een regeneratieve betekenis heeft gehad, zoals Spijkenisse, Tilburg of Groningen om me tot Nederland te beperken. En hoewel Calatrava en Gehry als enige architecten opgevoerd worden gaat het ook niet over die plaatsen waar de aanleg van een iconisch museum, kunstcentrum of operagebouw een stadsontwikkelingsproces bespoedigd heeft. Zelfs geen rondrit langs de Europese (al dan niet culturele) hoofdsteden, maar ook niet langs veelal door de gebruikelijke stadsbeschrijvers gemeden steden. En het is ook niet zo dat de plaatsen via de besproken personen zo bijzonder zijn, integendeel: letterlijk wordt van Port Louis, de hoofdstad van Mauritius (in de Indische Oceaan) gezegd: “een volslagen, oninteressante stad” op de Chinese wijk na, de markt, een geurige kleurige tropische markt, en Villa Eureka. Het is overigens voor mij een ontdekking te merken dat bij sommigen, zoals bij Brokken, steden en plaatsen niet direct ruimtelijke associaties oproepen.

De allereerste zin van Stedevaart had al een waarschuwing moeten zijn: “Mahlers voorliefde voor Amsterdam had weinig met de stad zelf te maken. En inderdaad wie hoopte aan de hand van de componist Mahler de stad Amsterdam (nog) beter te leren kennen, kan het boek meteen weer neerleggen, want dat in Amsterdam veel van Mahlers werk uitgevoerd zou worden is niet direct geografisch verhelderende informatie. Bij het tweede verhaal begrijp je Brokken weer wat beter wanneer hij Bologna, de stad van (de schilder) Morandi beschrijft: “… niet groots of imponerend. Wel mooi, op een bescheiden uniforme manier, met duizenden eendere daken …” maar verder blijven de stadsbeschrijvingen tamelijk impliciet. Over Venetië lees ik vooral dat je er kunt verdwalen (in het pre-smartphone tijdperk). Waar Brokken expliciet over een stad schrijft gaat hij vooral in op het meest kenmerkende gebouw in die stad, zoals in de stukken over de bekende combi’s Valencia/Calatrava en Bilbao/Gehry. En ook bij het minder bekende Yamoussoukro, de nieuw-aangelegde hoofdstad van Ivoorkust bespreekt hij (naast de enige politicus in het boek Félix Houphouët-Boigny) vooral de bouw van de basiliek Notre-Dame de la Paix, een replica van de Sint Pieter in Rome, maar net iets groter.

Nadat ik een (vrijwel gelijke) eerdere versie van dit verhaal had gelezen in het themanummer De Grenzeloze Stad van De Gids uit 2009, raakte ik hevig gefascineerd door Afrikaanse architectuur en stadsontwikkeling, en door het verlangen van regeringen en regeringsleiders naar nieuwe hoofdsteden, zonder nou direct af te willen reizen naar West-Afrika.

En ook dit keer had ik, tijdens het lezen, nauwelijks de neiging om naar de beschreven plaatsen te gaan. Ik had daarentegen wel sterk het gevoel meer te willen lezen/zien van en luisteren naar de besproken personen. De meest interessante leek me Mikalojus Ciurlions schilder en componist in Vilnius, hoewel zijn symbolische (dus ietwat vaag zweverige) fantasiesteden en –landschappen niet direct mijn smaak zijn. De overige kunstenaars en componisten zijn gerubriceerd onder ‘tzt’.

Architecten als Calatrava blijf ik minder interessant vinden, en ook de gebouwen van Gehry roepen irritatie bij me op, maar ik moet toegeven dat ik, na het lezen van Paul Goldbergers Building Art; the Life and Work of Frank Gehry geraakt werd door het lagere schoolproject dat Frank (met zijn zus Doreen) opzette om kinderen te leren hoe je stedebouw bedrijft.

Deze video wordt niet getoond omdat er (nog) niet akkoord is gegaan met het plaatsen van cookies.
Wijzig keuze

De film Kid City uit 1972 geeft daar een ontroerend beeld van en was voor mij aanleiding twee nieuwe dossiers te starten: Kinderen & Stedebouw en Films & Stedebouw. Bij mij leidt lezen vrijwel altijd tot meer (willen) lezen en meer zoektochten op het internet. Wat dat betreft is Stedevaart een zeer inspirerend boek en een waardevolle bijdrage aan mijn autobiografie.

Omdat ik ooit een tijdje op Curaçao gewoond heb, staat op mijn bucketlist als eerste het herlezen van overzeese schrijvers als Tip Marugg (De morgen loeit weer aan)en Boeli van Leeuwen (De rots der struikeling).

En natuurlijk ook Cola Debrot, hoewel ik bang ben dat de novelle uit 1935 waarmee deze grondlegger van de Antilliaans-Nederlandse literatuur bekend werd (Mijn zuster de negerin) tegenwoordig geheel anders getiteld zou moeten worden.

Al zou ik geen idee hebben hoe dit zou kunnen zonder in een oeverloos gender- en/of raciaal debat terecht te komen. Verder bestel ik voor de vakantie in Balkonië  en Bad Meingarten wat stedebouwkundige publicaties en het Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin van Jan Brokken, voordat deze ontdekkingsreis naar de wortels van de Antilliaanse muziek en de Europese invloed die daarin doorklinkt, vanwege culturele toe-eigening dan wel witte dominantie niet meer verkrijgbaar mag zijn.