Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De omgevallen boekenkast| Stand van Zaken

19 oktober 2017 Blog

Zonder dat mij het verschil duidelijk is heet de jaarlijkse BNSP-Dag (die dit keer op 30 november gehouden wordt) soms Jaarcongres. Maar bijna elk jaar gaat het op de een of andere manier om de vraag wat onze bijdrage als stedenbouwers en planologen is aan het oplossen van de actuele ruimtelijke ordeningsproblematiek. En/of de vraag hoe we er voor zorgdragen dat wij als beroepsgroep(en) relevant zijn, blijven of worden in en voor het proces van het maken van het Nederland van de Toekomst.

…Veel tijd voor nadenken was er niet, veel meer dan Intermediair lezen deden we niet, ook al omdat daarin alle vacatures (‘voor hoger opgeleiden’) in stonden. In 1979 schreef Carel Weeber in dat, voor academici onder de 45 jaar gratis verkrijgbaar, blad een spraakmakend artikel getiteld Geen architectuur zonder stedebouw, waarin hij afstand nam van de toen heersende, sterk op de mens en de menselijke beleving georiënteerde, stedebouw, waarmee hij overigens vooral doelde op de toen in zwang zijnde hakkeltakkel-kringelkrangel woningbouwverkavelingen….

Toen ik in 2009 beoogd voorzitter van de BNSP werd, hadden we een jaarcongres in de Beurs van Berlage over en dus getiteld de Staat van de Stedenbouw. Sommigen vonden de discussie over de ‘crisis in het vak’ wat al te navelstaarderig, maar zelf heb ik het altijd wel gezond gevonden geregeld aan wat zelfreflectie te doen. Alleen jammer dat dat niet altijd heeft geleid tot een meer beklijvende verslaglegging in papieren of digitale vorm of tot een verhelderend overzicht van veranderende stedebouwkundig/planologische praktijken en theorieën .

Nadat ik, veertig jaar geleden, afstudeerde aan de Technische Universiteit Delft (toentertijd Hogeschool) heb ik (afgezien van kleine onderbreking vanwege een onderzoeksproject in Indonesië naar de grondslagen van de moderne Nederlandse stedebouw) steeds volop in de praktijk van de ruimtelijke ordening en stedebouwkunde gewerkt, maar ik vond inzicht in de theoretische aspecten van ons vak essentieel. Opgeleid en (dus) beïnvloed door de ‘Forum-generatie’ van onder andere Jaap Bakema, Aldo van Eyck en Joop Hardy stortte ik me, na tijdens de studie ook al aan inspraak-stedebouw te hebben gedaan, tijdens mijn eerste baan in de planningsmachinerie van de groeikern Spijkenisse. In zeer nauwe (vaak ook avondlijke) samenwerking met de toekomstige bewoners werden in een straf geleid werkproces elke drie maanden 3 deelplannen van 300 woningen opgeleverd en vervolgens in rap tempo gebouwd. Veel tijd voor nadenken was er niet, veel meer dan Intermediair lezen deden we niet, ook al omdat daarin alle vacatures (‘voor hoger opgeleiden’) in stonden.

…Ik meen toen en passant ook de term ‘bloemkoolstedebouw’ geïntroduceerd te hebben en ik werd lid van de toenmalige BNS zonder P. Overigens was ik al sinds 1978 lid van de ANWB, wat misschien iets zegt over de relevantie van onze beroepsorganisatie toen…

In 1979 schreef Carel Weeber in dat, voor academici onder de 45 jaar gratis verkrijgbaar, blad een spraakmakend artikel getiteld Geen architectuur zonder stedebouw, waarin hij afstand nam van de toen heersende, sterk op de mens en de menselijke beleving georiënteerde, stedebouw, waarmee hij overigens vooral doelde op de toen in zwang zijnde hakkeltakkel-kringelkrangel woningbouwverkavelingen. Dit artikel was in 1981, samen met de andere in Intermediair verschenen artikelen over een dertigtal (uitsluitend mannelijke) architecten, variërend van Alberts tot en met Wijdeveld, opgenomen in het boekwerk wie is er bang voor nieuwbouw…; confrontaties met nederlandse architecten van Hilde de Haan en Ids Haagsma.

wie is er bang

Naast Weeber reageerden alleen Bakema en Berghoef enigszins op de stedebouw van die tijd. ‘Echte’ stedebouwkundigen waren niet geïnterviewd en de discussies in de vakbladen was wat oubollig. Enigszins gepikeerd daarover schreef ik zelf (met net 4 jaar ervaring) dat jaar in het septembernummer van Wonen‑TA/BK (voorloper van het blad Archis, op zijn beurt voorloper van het huidige Volume, maar ooit, in 1928 begonnen als Roomsch Katholiek Bouwblad) het, wat al te uitvoerige, artikel De orde van architecten; een poging om via het architec­tendebat de stedebouwkun­dige discipline te profileren.  In dat artikel formuleerde ik een aantal instrumentele functies die het ruimtelijk ontwerpen op stedebouwkundig terrein heeft of zou kunnen hebben, gaf een definitie van stedebouw als de wisselwerking tussen de ruimtelijke ordening zoals we die kunnen constateren en de zich via (maar ook tegenover) die ordening manifesterende kracht van stedebouwkundig ontwerp en vormgeving. Hiermee probeerde ik recht te doen aan de spanning die optreedt wanneer een in principe individuele creatieve capaciteit ingepast moet worden in een uit principe op concrete successen gericht planproces. Ik meen toen en passant ook de term ‘bloemkoolstedebouw’ geïntroduceerd te hebben en ik werd lid van de toenmalige BNS zonder P. Overigens was ik al sinds 1978 lid van de ANWB, wat misschien iets zegt over de relevantie van onze beroepsorganisatie toen.

tjerk1

Sindsdien is met enige regelmaat de stedebouw de maat genomen. In 1993 verscheen bij uitgeverij 010 Stedebouw in Beweging, de neerslag van het in november 1992 in Rotterdam gehouden gelijknamig symposium om te komen tot een inventarisatie van inzichten over de actuele stedebouw. Bij dezelfde uitgever verscheen een jaar later de door het Stimuleringsfonds voor Architectuur geïnitieerde analyse Orde en chaos in de stadsontwikkeling, omdat het nodig is ”dat de fundamentele ambities van de stedebouwkundige discipline en ook de procedures die een praktische effectiviteit waarborgen, steeds opnieuw worden geformuleerd en gelegitimeerd”. NAi Uitgevers volgde in 1997 met het onschuldig klinkende Groeten uit Zoetermeer; stedebouw in discussie. Dit onderzoek in het kader van de Terreinverkenning Stedebouw in opdracht van het (mij niet meer helemaal voor de ogen staand) Architectuurplatform was, nodig, want “de meningen over de stedebouw zijn verdeeld. Volgens sommigen is de discipline op sterven na dood, volgens anderen is ze nog nooit zo vitaal geweest. De auteurs gingen op zoek naar de stand van de stedebouw en vroegen stedebouwkundigen, onderzoekers en commentatoren wat de belangrijkste opgaven van dit moment zijn en of de stedebouw geëquipeerd is om die vraagstukken op te lossen”.

groeten-uit-zoeterneer-611x1024

Blijkbaar waren die in de jaren negentig verzamelde inzichten na de verschillende crises in het eerste decennium van de 21ste eeuw niet meer relevant want ook rond 2009 werden weer twee breed opgezette analyses naar de stand/staat van de stedebouw verricht. In januari 2010 presenteerde het Rigo: Balans van de stedenbouw; een impressie van de beroepsgroep, de vakbeoefening en de opvattingen. Op basis van een door honderden stedenbouwkundigen ingevulde vragenlijst maakte het Rigo (in het kader van het Uitvoeringsprogramma Stedenbouw uit het architectuurbeleid van de rijksoverheid) een begin met een kwantitatief overzicht van de posities en verhoudingen waarbinnen stedenbouwkundigen hun werk doen. Iets later (mei 2011) verschenen de resultaten van het onderzoek van het Stimuleringsfonds architectuur (thans Stimuleringsfonds creatieve industrie) in twee zeer glossy uitgevoerde (gratis verkrijgbare) publicaties.

balans_van_de_stedenbouw

MAP 01– Agenda Stedenbouw gaf via interviews van een twintigtal stedebouwkundigen (waarvan 3 vrouw), in de woorden van het Stimuleringsfonds: “de beginstand weer van een gefragmenteerde praktijk zonder duidelijk profiel. Bovendien ontbreekt het aan een infrastructuur voor het ontwikkelen en uitwisselen van kennis en ervaring”. In MAP 02 – Hoe het anders kan; centra over stad en regio werd verslag gedaan van een quick scan van 18 architectuurcentra die in eigen regio en stad de stand van zaken in de stedenbouw in beeld hebben gebracht op zoek naar “de mate waarin de gangbare stedenbouw in staat is antwoorden te formuleren op de maatschappelijke opgaven”. Een van de conclusies was “het ontbreken van voldoende deskundigheid en regie”. Zelf werd ik voor MAP 01 geïnterviewd over het Groningse project Grote Markt waar, na een intensief ontwerpend consultatieproces, de bevolking zich eerst mocht uitspreken over het programma en kwaliteit van het stedebouwkundige ontwerp voor de herontwikkeling van de oostwand/-kant van de Grote Markt en daarna over de keuze van de architectonische uitwerking van het nieuwe gemeentelijke centrum voor geschiedenis en informatie het Groninger Forum. Ik kan me niet herinneren dat deze onderzoeken veel directe invloed hebben gehad op de laatste periode van mijn eigen beroepsuitoefening noch op discussies binnen de vakgemeenschap of beroepsorganisaties.

Maar misschien gaat het niet zozeer om direct en concreet effect: sinds mensenheugenis wordt periodiek, om niet te zeggen permanent de inhoud van onze disciplines en de vorm van de beroepsuitoefening geïnventariseerd, geanalyseerd, overdacht en besproken. En vervolgens worden beleidsplannen vanuit de overheid, de onderwijswereld en het veld zelf gemaakt om, naar aanleiding van al die terreinverkenningen, de disciplines stedebouw en planologie weer een beetje bijdetijds te maken. En terwijl ik dat nu al een half eeuwtje meemaak, denk ik dat het nog wel een tijdje kan blijven doorgaan. Wel steeds met andere spelers, een veranderend speelveld en af en toe geheel nieuwe spelregels. Het is dus steeds weer verrassend wat een rondje langs de velden elke keer gaat opleveren. Na zes jaar voorzitter van de BNSP geweest te zijn en drie jaar lid van de Raad van Advies van onze vereniging blijf ik benieuwd naar en betrokken bij de vragen waar dit stukje mee begon, maar vanaf de komende ALV dus weer als gewoon lid.

NB: Informatie over de BNSPdag 2017 is hier te bekijken.