Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen Boekenkast | OUD- & NIEUWJAAR

28 januari 2019 Blog BNSP

Door Tjerk Ruimschotel

Voor degenen die het gevoel hadden dat het afgelopen jaar voorbijgevlogen was en je nauwelijks meer wist wat je allemaal gedaan had, was er begin januari de door Google Maps geleverde Timeline die je vertelde dat je 164 plaatsen, 84 steden en 8 landen had bezocht en daarbij en passant anderhalf keer rond de aarde had gereisd. Verder werd je verteld welke ‘hoogtepunten’ je had gehad qua winkelen, eten & drinken, hotels en luchthavens, maar ook hier verschilde de digitale surveillance behoorlijk van hoe ik het jaar zelf beleefd had; al dan niet gewoon thuis. De afgelopen periode vol feestdagen heb ik nauwelijks tijd gehad om het met Sinterklaas gekregen boek Building en Dwelling, Ethics for the City van Richard Sennett te lezen.

Wel begreep ik dat hij pleit wordt voor een ‘open stad’, als interactie tussen de fysieke, gebouwde stad (ville) en de stad als plaats waar een bepaalde manier van leven en verblijven tot stand komt (cité).

Ook het Blauwe Kamer Jaarboek 2018 a.k.a het decembernummer van Blauwe Kamer Tijdschrift voor Landschapsarchitectuur en Stedenbouw heb ik slechts door kunnen bladeren. Maar ik probeerde uiteraard wel uit te vissen wat (dat wil zeggen welke projecten) en wie (dat wil zeggen welke leden van onze vereniging) erin staan en te bedenken wat een en ander betekent voor onze vak- en beroepsuitoefening en de manier waarop de BNSP daar mee omgaat cq om zou moeten omgaan.

Om te beginnen zijn er relatief weinig ‘traditionele’ stedebouwkundige projecten op wat geslaagde ontwerp- en/of strategische ingrepen in veelal bestaand stedelijk gebied. Verder krijg ik niet de indruk dat onze collega-leden goed (of überhaupt) vertegenwoordigd zijn. Nadere analyse is gewenst. Vooralsnog vraag ik me echter al enige tijd vooral af wat deze projecten in dit enige Nederlandse jaarboek dat op stedebouwkundig terrein verschijnt, betekenen voor onze klanten, dat wil zeggen onze opdrachtgevers en de burgers (en bedrijven) die geconfronteerd worden met het resultaat van ons werk. Zelf krijg ik bij het zien van een groot aantal projecten de neiging om allereerst meer informatie op te zoeken en er vervolgens naar toe te gaan om zo goed als mogelijk is te ervaren hoe de fysieke ruimte beleefd wordt. Maar twintig projecten ‘om van te leren’ is nogal weinig, zeker wanneer meer dan de helft toch op landschapskundig gebied en/of op inrichtingsniveau ligt en de ruimtelijke problematiek in het land zo veel breder is. Al eerder heb ik mijn verbazing uitgesproken dat we als beroepsgroep vrij slecht zijn in het systematisch evalueren van onze productie, zeker bij gebrek aan een beetje ordentelijke stedebouwkritiek (-beschrijving, -analyse, -waardering, -beoordeling) vanuit journalistieke of wetenschappelijke kant. Maar wellicht zie ik in mijn bibliotheek door de vele boeken nou net die categorie niet meer zo goed.

Boekentips van lezers afwachtend las ik dat de in 2018 vernieuwde versie van de Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap (De Gouden Piramide) op stedebouwkundig terrein weinig heeft opgeleverd. De prijs wordt niet langer jaarlijks, maar om de twee jaar uitgereikt en het onderscheid tussen architectuur en gebiedsontwikkeling (zoals we stedebouw blijkbaar moeten noemen) is komen te vervallen. Wel is het prijzengeld verhoogd. Van de 70 projecten die zijn ingediend voor de editie van 2018 en worden beschreven in de bijhorende (gratis) publicatie Stofgoud is met enige goede wil een handvol als ‘gebiedsontwikkeling’ te bestempelen. Jammer dat een op zich niet onaardig project waarbij de architect als ontwikkelaar optrad won terwijl een tegendraads ‘gebiedsontwikkelingsproject’ om een monofunctioneel landbouwbedrijf om te vormen in een natuurinclusief landgoed annex duurzaam melkveebedrijf slechts genomineerd werd.

Maar eerlijk gezegd zijn de zeven aan gebiedsontwikkeling gewijde publicaties van de Gouden Piramide-reeks ook niet door mij stukgelezen of als inspiratiebron gebruikt. Wat jammer is want ze blijken bij nadere beschouwing toch nog wel een goed beeld te geven van een deel van de stedebouwkundige productie en waardering in de eerste 15 jaar van de 21ste eeuw. Wellicht interessant studiemateriaal voor een doctoraal onderzoek of een masterscriptie en zeker nu de boekjes (met CD!) sinds kort gratis te bestellen zijn.

De eerste Gouden Piramide werd in 2003 voor Architectuur uitgereikt. Daarna werd in 2004 het Amsterdamse Westerpark beloond in de categorie Stedenbouw-Landschap-Infrastructuur zoals ook de bijhorende publicatie was getiteld. In 2005 ging het zoals de titel aangaf om De Inrichting van Nederland en won de Blauwe Stad in de provincie Groningen.

In 2007 ging het, zoals in de publicatie De compositie van Nederland werd gesteld om gebiedsontwikkeling en won de gemeente Enschede met de herontwikkeling van Roombeek. De gebiedsontwikkeling van 2009 stond in het teken van Contrast en samenhang en was De Dobberman in Nijmegen de winnaar.

Ook in 2011 werd een stedelijk herstructureringsproject de winnaar. Het Funen in Amsterdam stond dan ook op de cover van Ruimte in ontwikkeling.

In 2013 was de transformatie van de Arnhemse wijk Klarendal een Toegevoegde waarde voor de stedelijke ontwikkeling van de stad. De laatste Gouden Piramide voor gebiedsontwikkeling ging in 2015 naar het eveneens in Arnhem gelegen industriepark Kleefse Waard en siert de omslag van Naar goed gebruik.

Het is jammer dat de ministeries zichzelf niet mogen nomineren voor deze Rijksprijs-voor-Opdrachtgevers, want anders hadden we (BNSP en NVTL) met het project ‘Regio van de Toekomst’ in 2020 een goede gooi moeten kunnen doen. In ieder geval zouden we in het volgend Jaarboek moeten verschijnen.

Maar hoe goed of goedbedoeld deze specifieke projecten ook zijn, ze hebben een beperkte reikwijdte en de projecten hebben betrekkelijk weinig relevante voor de algemene ruimtelijke ordeningsproblematiek van burgers, die misschien beter gebaat zijn bij een veel simpelere vorm en redactie van de bestemmingsplannen die wij maken. Maar misschien nog belangrijker, de projecten dragen slechts in zeer geringe mate bij aan het oplossen van de grootste vraagstukken waar we momenteel mee te maken hebben. Het World Economic Forum dat zoals gebruikelijk begin van het jaar in Davos bijeenkomt kwam met een rapport daarover.

Bij de acht grootste bedreigingen voor de wereld komend jaar staan 5 klimatologische onderwerpen: ‘door de mens veroorzaakte milieurampen’, ‘verlies van biodiversiteit en verval ecosystemen’ staan op de achtste en zevende plaats met ‘natuurrampen’, ‘mislukken van klimaatafspraken’ en ‘extreme weersverschijnselen’ op 3, 2 en 1. Wat onze beroepsgroepen betreft is ‘slecht uitgevoerde verstedelijking’ slechts de op drie kleinste bedreiging van de dertig dreigingen die in een assenstelsel van meer-minder impact en grotere-kleinere kans zijn geplaatst: alleen ‘ongeoorloofde handel’ heeft evenveel kans om op te treden als ‘slecht uitgevoerde verstedelijking’ maar de impact is minder; ‘oncontroleerbare inflatie’ heeft een even grote impact maar de kans daarop is vele male kleiner en alleen ‘deflatie’ is minder waarschijnlijk en heeft een kleinere impact dan wat wij doen.

Misschien moeten we ons, mede gealarmeerd door de laatste ramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving, massaal voornemen om het komende jaar te zorgen voor en bijdragen aan een goed uitgevoerde verstedelijking, die milieurampen voorkomt, biodiversiteit vergroot en ecosystemen versterkt, klimaatafspraken vergemakkelijkt en natuurrampen en extreme weersverschijnselen weet op te vangen. Ruimtelijke ontwerpen die daar aan bijdragen zie ik graag eind van het jaar opgenomen in een handzame publicatie (papier of digitaal), al dan niet gratis en bij voorkeur in coproductie met de beroepsverenigingen van de ontwerpende en reflecterende disciplines op het terrein van de ‘gebiedsontwikkeling’.