Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De omgevallen boekenkast | Minderheid

25 maart 2021 Blog

Door Tjerk Ruimschotel

Omdat er op de Internationale Vrouwendag van 8 maart met het thema Impact door Invloed digitaal bar weinig tot niets te vinden was, besloot ik om maar weer eens het gendergehalte van mijn bibliotheek te onderzoeken. Dat viel niet mee.  In mijn Nieuwbrief-blogs van maart en april 2016 constateerde ik al dat het aantal publicaties over vrouwelijke architecten, stedebouwkunde nogal tegenviel – om over publicaties over vrouwelijke planologen maar te zwijgen. In de afgelopen vijf jaar heb ik welgeteld 1 (één) boekwerk kunnen kopen en toevoegen aan de subverzameling ‘vrouwen in de (stede) bouw wat doen jullie nou; over werk en werkervaringen van vrouwelijke bouwkundige ingenieurs in Nederland’, zoals een ongepubliceerde studie uit 1982 (!) van Ellen van Kessel en Marga Kuperus getiteld was.

Daarentegen heb ik wel een aantal boeken kunnen aanschaffen over mannelijk stedebouwkundigen, al dan niet van vrouwelijke auteurs (veelal architectuurhistoricus of vrouwenstudie-onderzoeker).
In september 2020 bijvoorbeeld promoveerde Sjettie Bruins op een biografie van Granpré Molière M.J. Granpré Molière; architectuur en stedenbouw als beroep en als culturele opdracht in de 20ste eeuw. Vooralsnog, meen ik, alleen als boek vormgegeven digitaal beschikbaar, maar nog niet in druk verschenen. Laat staan op dezelfde manier als de monumentale biografie (512 pag , 25 x 30 x 4 cm) van Marinke Steenhuis Stedenbouw in het landschap; Pieter Verhagen 1982-1950 uit 2007 over zijn professionele partner van het bureau Granpré Molière, Verhagen en Kok.

Maar ook het twee jaar geleden verschenen biografisch boek/proefschrift van Hanneke Oosterhof ‘Want de grond behoort ons allen toe’; Leven en werk van stedenbouwkundig-architecte Lotte Stam-Beese helpt ons in de genderproblematiek niet veel verder. Op zich is het een fascinerend studie naar, zoals gezegd, leven en werk van een vrouw die een belangrijke rol in de naoorlogse Rotterdamse stadsontwikkeling heeft gehad. En het is inderdaad jammer dat ze haar straatnaam kreeg in een buurtje met straatnamen van andere Rotterdamse vrouwen van betekenis, en niet op de Kop van Zuid te midden van straten met namen van mannelijke collega’s.  Ik begrijp nu dan ook beter de vrouwendagactie van Heerlen Parkstad om straatnamen te gaan turven onder de noemer: ‘op zoek naar vrouw op straat’.

Alleen jammer dat we net in de vrouwenmaand maart moeten constateren dat de vrouw niets op straat te zoeken heeft. Tenminste als ze niet het gevaar wil lopen lastig gevallen te worden, of zelfs verkracht of vermoord te worden, al dan niet door een Engelse politieman. Want ik ben bang dat het, hoe belangrijk ook, niet zozeer gaat om het vinden van vrouwelijke rolmodellen of door vrouwen geschreven boeken of verrichte studies, maar meer om het onthullen van de onderdrukkende uitwerking van de (eventueel onbewuste) mannelijk blik op de ruimte, en het gebruik ervan. Het provocerend bedoeld voorstel om mannen te verbieden ’s avonds op straat te zijn wordt belachelijk gevonden, maar het advies aan vrouwen om de straat te mijden (voor hun eigen veiligheid) wordt zinvol geacht en keer op keer herhaald. I rest my case.

Met mijn drie dochters (en mijn vrouw) heb ik, voor ons familie-leesclubje het boek Invisible Women; Exposing Data Bias in a World Designed for Men van Caroline Criado-Perez gelezen. Met een overvloed aan gegevens wijst zij op de, ook in de stedebouw voorkomende, neiging voor of vanuit de man te ontwerpen. In ieder geval niet met een zorg voor de belangen cq veiligheid van de vrouw. Of nog beter: met een zorg voor het voorkomen van veelal mannelijke onderdrukking van of geweld tegen de vrouw. Politiek correct moest ik (tot voor kort) dan ook zeggen ‘en andere minderheden’, wat een beetje raar is omdat je daarmee 50% van de bevolking als minderheid bestempeld. Overigens werd ik (door een vrouw) gewezen op de verkeerde vertaling van de ondertitel: in de Nederlandse uitgave staat ‘waarom we leven in een wereld voor en door mannen ontworpen’. Niet alleen gaat de schrijver van het boek expliciet niet in op de waarom-vraag, maar de toevoeging ‘en door’ suggereert dat wanneer er ‘door vrouwen’ ontworpen zou worden het allemaal beter zou gaan. We hoeven Zaha Hadid en de doden bij de bouw van haar in Qatar ontworpen voetbalstadion voor de WK 2022 er niet eens bij te halen om te weten dat dat niet noodzakelijkerwijs zo is.

Ook Lotte schijnt haar werk niet vanuit een vrouwelijk perspectief te hebben aangepakt; de gelijknamige paragraaf in het boek van Hanneke is opvallend kort en ook nog eens voorzien van een vraagteken. In de veel uitgebreidere paragraaf receptie en reflectie wordt op voorbeeldige wijze verhaald hoe over het werk van Lotte (en haar collega) in de jaren vijftig en zestig werd geschreven (weinig) en hoe vanaf de jaren tachtig de naoorlogse stadsontwikkeling van Nederland in het algemeen en Rotterdam in het bijzonder werd bestudeerd. Deze papragraaf leest als een royale beredeneerde bibliografie, jammer genoeg is de literatuurlijst zelf dan weer een serie alfabetisch gesorteerde stapels boeken uit de omgevallen boekenkast.

Eveneens teleurstellend is het dat het ons, in de 40 jaar na Lottes pensionering, niet gelukt is nieuwe, meer actuele rolmodellen in de stedebouw te vinden, in plaats van de steeds weer naar voren geschoven Rotterdamse Lotte en haar Amsterdamse collega Jacoba (Ko) Mulder, die eveneens in 1988 overleed, maar met een plein geëerd werd. Yttje Feddes vierde haar Bijhouwerprijs 2020 tenminste nog met een boek Vakvrouwen in veertig jaar landschapsarchitectuur waarin ze haar eigen carrière en het verhaal van negen andere vrouwelijke landschapsarchitecten beschrijft. Op architectonisch terrein beleefden we de lancering van een papieren versie van een aantal in A.Zine (een digitale magazine over architectuur) verschenen columns, essays en interviews onder de titel Mevr. De Architect, waarin een zeer divers gezelschap vrouwelijke architecten aan het woord komt (en een paar mannen).

Want wat mij verder opvalt aan de hausse aan aandacht voor vrouwen deze maand is dat hij behalve tijdelijk ook vooral vanuit de vrouwen georganiseerd wordt, voor zover er überhaupt iets gebeurt. Want behalve de Heerlense straatnaam-analyse kwam ik niet veel meer tegen dan een actie van het Vlaams Architectuur Instituut om een Wikipedia-schrijfsessie te houden. Volgens mij was de laatste keer dat dat in Nederland gebeurde in 2017 in het NAi. Van de meer dan vijftig boeken op de literatuurlijst voor die schrijfmiddag, getiteld Unforgetting Women Architects, waren er rond de 10 gewijd aan vrouwelijke Nederlandse (interieur- en landschaps-) architecten, stedebouwkundigen en vormgevers. Er is dus nog een hoop uit te zoeken, te beschrijven en te publiceren: digitaal, maar liever op papier wat mij betreft. Aan het werk, mannen! Zelf zal ik proberen niet weer vijf jaar aan dit onderwerp voorbij te gaan.