Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De omgevallen boekenkast | Mevrouw

24 november 2021 Blog
Tjerk Ruimschotel

Om me voor te bereiden voor mijn, voor maart 2022 geplande, blog over ‘de vrouw in de (stede-)bouw’ bezocht ik tijdens een herfstvakantietje in Londen de tentoonstelling ‘How We Live Now: Reimaging Spaces with Matrix Feminst Design Co-operative’ in het Barbican Centre. Ook heb ik het al in februari jongstleden verschenen eerste nummer van A.zine getiteld Mevr. De Architect eindelijk eens goed bestudeert.

De tentoonstelling was nogal compact vormgegeven: in een hoekje van de labyrintische foyer (die zich over verschillende verdiepingen uitstrekt) was vrij veel historisch kranten- en foldermateriaal uit het archief van het feministisch ontwerpsamenwerkingsverband opgeplakt op een aantal schotten. Een aantal beeldschermen toonden verschillende documentaires over het radicale participatieproces en de samenwerkingsmethodes van het collectief, dat actief was tussen 1981-1994. Omdat ik het toelichtende evenementenprogramma niet kon bijwonen en het tentoonstellingsmateriaal nader bestudering behoefte probeerde ik de bijhorende catalogus Revealing Objects te kopen.

Verschenen in een belachelijk lage oplaag van 500 plastic pakketje met losse (gereproduceerde) teksten, posters en kaarten uit het Matrix-archief  en bijdragen van zes actuele collectieven werd een beeld gegeven van ‘de rol van architectuur en stedebouw in het versterken van ongelijkheden, genderrollen en koloniale erfenissen en het effect ervan op het gevoel van welkom te zijn of genegeerd te worden, thuis te voelen of er niet bij te horen.’ Uiteraard was het inmiddels al uitverkocht.

En de herdruk van de legendarische en baanbrekende Matrix-publicatie Making Space: Women and the Man-made Environment (met de uiterst gênante voorplaat) uit 1984 (!) is pas maart 2022 te verwachten. Gelukkig is de publicatie te downloaden via MakingSpace – MatrixOpen (matrixfeministarchitecturearchive.co.uk).

Zo langzamerhand is er uitgebreide (veelal Engelstalige) verzameling teksten verschenen over vrouwelijke architecten, stedebouwkundigen en andere vormgevers en hun (bescheiden c.q. achtergestelde) positie binnen de bureaus en organisaties en in de geschiedschrijving van de disciplines. En ook over de positie van vrouwen in de ontworpen en gerealiseerde gebouwen, openbare ruimten en steden (want nauwelijks over dorpen of het buitengebied) is het een en ander gepubliceerd. Het is dan ook een goed initiatief van het tijdschrift de Architect om begin dit jaar een printversie te maken van de interviews met negentien Nederlandse vrouwelijke architecten die tussen oktober 2019 en december 2020 op de website waren verschenen.

Vooral omdat in Mevr. De Architect aan de interviews nog vijf essays en zeven columns (en een reflectie) waren toegevoegd. Alsook vier interviews over inclusieve bedrijfsvoering en onderwijs. De (vrouwelijke) architectuurhistorici Catja Edens en Charlotte Thomas beschrijven in hun beider essays hoe vrouwen hun bijdrage uit de geschiedenis geknipt/gefotoshopt zagen en welke architectes vergeten en verzwegen zijn. Voor mij was dit een aanzet na te denken over de gang van zaken binnen onze eigen vakgebieden, zeker zoals dat heel concreet werd getoond in Eva James essay Blinde Vlek over ‘gender sensitive urban planning’.

Een tweede inspiratie voor een meer op de stedebouw en planologie gerichte analyse, die er volgens mij ook nog moet komen, ligt in de manier waarop de geïnterviewden hun werk zien en presenteren. Uiteraard hebben ze allemaal een website met meer of minder informatie over werk en onderzoek, maar tweederde ervan is uitsluitend in het Engels. Vier van de negentien geïnterviewden zijn gevestigde architecten en (mede) directeur van internationaal bekende bureaus als Mecanoo en MVRDV met bijhorende publicaties in mijn bibliotheek als People, Place, Purpose (2015), MetaCity/Datatown (1999) en The Vertical Village (2012).

Maar ook de jongere generatie kent de waarde van het boek; Afaina de Jong schreef For the people, by the people (2012), bureau ZUS van Elma van Boxtel schreef ondermeer Re-public – Towards a New Spatial Politics (2007) en The City of Permanent Temporality (2019). Ook Arna Mackic (samen met Lorien Beijaert Studio LA) noemt in het interview (De stad is superdivers, nu de architectuur nog) over de bedrijfsvoering van hun bureau haar publicatie Mortal Cities & Forgotten Monuments uit 2016.

Niet alleen het gebruik van het Engels (als middel om een breder publiek te bereiken), maar ook de op de stad (of stedelijke ruimte) gerichte ontwerpende en onderzoekende aandacht roepen bij mij de vraag op in hoeverre de vrouwen (en mannen) in de Nederlandse stedebouw en planologie bezig zijn met de in Mevr. de Architect aangestipte problemen; variërend van erkenning, via gelijke beloning en gendergevoelige interventies tot het ontwerpen van inclusieve ruimtes. Aspecten die daarbij steeds, nota bene al vanaf de jaren zestig, naar voren komen zijn: het ontbreken van rolmodellen, het moeilijk combineren van zorgtaken en carrière en het gebrek aan aandacht voor en kennis van de concrete effecten van ruimtelijke ingrepen op het leven van vrouwen (en kinderen, en ouderen).

Het zou dan ook aardig zijn, zeker voor een beroepsvereniging die als eerste binnen de ontwerpende industrie een vrouwelijke voorzitter had, om via het samenstellen van lijsten van vrouwelijke functionarissen binnen de stedebouw en planologie iets aan het al te eenzijdig mannelijke beeld te veranderen. Daarbij lijkt het me handig wanneer we een beetje gaan samenwerken om een goede omvattende bibliografie te maken, vooral om gaten in kennis en begrip op te sporen. Zo kan ik me voorstellen dat we ondertussen wel wat meer rolmodellen willen hebben dan Lotte Stam-Beese en mejuffrouw Mulder. Zowel binnen de particuliere bureaus als in de overheidsorganisaties, onderwijsinstellingen en instituten moeten er vrouwen (geweest) zijn, die wat meer uit hun eigen schaduw (en die van hun mannelijke collega’s) mogen komen dan wel mogen worden gehaald. Zeker nu de babyboomgeneratie eindelijk het veld heeft verlaten is reflectie op de afgelopen 50 jaar gewenst.

Verder is de stad (en het dorp en de stedebouw en de planologie) te belangrijk om over te laten aan architecten, hoe betrokken zij ook zijn. Juist vanuit de praktijk van alle dag zouden jonge beroepsgenoten zich (veel) meer mogen manifesteren, ook en juist in publicistische zin. Er moeten toch na het al bijna tien jaar geleden verschenen boek Levende stad, stad om in te leven – cyclische processen voor een duurzame stedenbouwkundige praktijk van Elma van Beek, nieuwe en aanvullende denkbeelden ontwikkeld zijn. En ik wacht ook nog steeds op de Nederlandse versies van het recente The Feminist City, Claiming Space in a Man-made World van Leslie Kern.


De ‘reader over vrouwen, wonen en gebouwde omgeving’ Vrouwendomicilie en mannendominantie van Sun van Meijel, Marieke Renou, Marijke van Schendelen, Yvonne Vehmeijer en Mieke Verloo is al bijna veertig jaar oud. Tenslotte vraag ik me af wat er gebeurd is met de concrete voorstellen, uit het 25 jaar geleden ondertekende Europees Handvest voor vrouwen in de stedelijke omgeving, die beschouwd moesten worden als ‘een continu analytisch proces dat vrouwen moet aanmoedigen bewuster en actiever deel te nemen aan de organisatie van de stedelijke ruimtelijke ordening.’

Kortom genoeg om over na te denken in deze donkere dagen voor kerst en genoeg om aan te pakken, al dan niet via goede voornemens in het nieuwe jaar.