Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen Boekenkast: HOOGBOUW

3 augustus 2016 Blog
De omgevallen boekenkast hoogbouw

Door: Tjerk Ruimschotel
Blijkbaar waren alle lokale en regionale architecten, stedebouwkundigen, planologen en andere in gebouwen en mensen geïnteresseerden al eerder geweest, want ik was op die laatste dag dat de film ‘High Rise’ in de stad draaide, letterlijk de enige in de 350-stoelen tellende bioscoopzaal.

Jarenlang had het gelijknamige boek uit 1975 van J.G. Ballard als onverfilmbaar gegolden. Maar het echtpaar Wheatley-Jump (regisseur/scriptschrijver) heeft de dystopische roman aardig weten om te werken naar een film die tegelijkertijd een scherp beeld geeft van de jaren zeventig als van de huidige tijd waarin we leven. De film, met een ijzersterke Jeremy Irons als naïef-arrogante, volledig in wit geklede, architect, sluit enerzijds aan op de vrijblijvende Mad Men-esthetiek zoals we tegenwoordig die jaren graag vormgeven (met flink wat rokende hoofdpersonen), maar bedrijft anderzijds een zekere geschiedschrijving-met-terugwerkende-kracht door van het boek van veertig jaar geleden een soort sombere toekomstvoorspelling te maken. Het leven in hoogbouw leidt (in boek en film) onherroepelijk tot verlies van waarden en normen, tot wetteloosheid en sociale desintegratie, strijd om voedsel, ophoping van afval, chaos en verloedering, kortom Sodom & Gomorra.

“Dat de bewoners ervan vervolgens een aparte ingang krijgen (the ‘poor door’) en geen toegang tot de gemeenschappelijke voorzieningen leidt al gauw tot termen als sociale uitsluiting en economische apartheid in boven- en onderklasse”

In de Britse pers werd dan ook volop gerefereerd aan de huidige situatie, met name in London waar vanwege plaatselijke regelgeving ook de meest luxueuze woontorens een aantal ‘affordable woningen’ moet hebben. Dat de bewoners ervan vervolgens een aparte ingang krijgen (the ‘poor door’) en geen toegang tot de gemeenschappelijke voorzieningen leidt al gauw tot termen als sociale uitsluiting en economische apartheid in boven- en onderklasse en roept daar de vraag op naar de juiste menging van sociale lagen van de bevolking in woningbouwprojecten. En naar de toekomst van de weinig gewaardeerde woontorens uit de eerste naoorlogse decennia.

Ook in ons land wordt over de hoogbouwproblematiek geschreven. Het begint (bij ons dan) natuurlijk met het in 1981 herdrukte werkje Hoogbouw van ir J. Duiker uit 1930 en het meest recent (in mijn boekenkast dan)is de toch al 8 jaar oude ‘studie naar Nederlandse hoogbouwcultuur’, ook Hoogbouw geheten van de Stichting Hoogbouw. Deze stichting moet niet verward worden met de Stichting Wolkenkrabbers die al twintig jaar een serie publicaties verzorgd over Hoogbouw -in-Rotterdam onder de titel De Slanke Stad, tevens de naam van de eerste publicatie uit 1995. Dit jaar verschijnt nummer 9. Op de een of andere manier ben ik na nummer 5 gestopt. Wel heb ik nog het gelijknamige verslag van ‘De eerste Rotterdamse wolkenkrabberlezing’ uit 2000. Ik geloof dat die ook de enige is geweest. Hoewel Rotterdam (conform de titel Rotterdam hoogbouwstad van een gemeentelijk boekwerk uit 2001) de hoogbouwstad par excellence is, had Den Haag in 1987 een krantenartikelenreeks, een tentoonstelling en een boek Hoog Haags waarvan het eerste exemplaar uitgereikt werd aan Rem Koolhaas, die dat jaar de Haagse stadhuisprijsvraag zou winnen met een interessant vormgegeven hoogbouw-voorstel, wat echter niet gebouwd zou worden.

De fascinatie voor hoogbouw (zoals een publicatie uit 1985 getiteld is) leidde tot een hoogbouwgolfje in de jaren 80 en werd inge- cq begeleid door enkele publicaties, waaronder: Hoogbouw en de compacte stad (1984) Hoogbouw en verstedelijking (1991) als een van de weinige werken waarin op de relatie hoogbouw-stedebouw wordt ingegaan. Overigens was in 1961 al een rapport verschenen van de commissie hoogbouw-laagbouw ingesteld door het niet meer bestaande NIROV voor het ook niet meer bestaande ministerie van Volkshuisvesting & Bouwnijverheid. Dit rapport laag of hoog bouwen en wonen? gaf niet zozeer antwoord op deze vraag maar meer een encyclopedische samenvatting en omvattende synthese van alle aspecten die met dit vraagstuk verbonden zijn. Dit is nou typisch zo’n publicatie, waarvan je hoopt dat het geregeld zou worden geactualiseerd.

Naast deze meer inventariserende en wetenschappelijk verantwoorde, wat planologische publicaties, heeft hoogbouw ook nogal wat ideologische werken opgeleverd, waarin een bepaalde visie wordt verkondigd hoe naar dit fenomeen te kijken. Koolhaas had in zijn wereldberoemde Delirious New York, a retroactive Manifesto for Manhattan uit 1978 al gepleit voor een ‘Culture of Congestion’. Dit concept dat ervoor pleit om veel mensen, activiteiten en voorzieningen bij elkaar te brengen om daarin ‘vanzelf’ een bepaalde stedelijkheid te bereiken heeft in ons land bijvoorbeeld recent geleid tot het hoogbouwgebouw De Rotterdam van OMA in Rotterdam (en A’dam in Amsterdam). In 1984 verscheen van de onvergetelijke architectuurcritica van The New York Times Ada Louise Huxley het nog steeds onovertroffen The Tall Building Artiscally Reconsidered; The Search for a Skyscraper Style. Twee jaar later schreef de mij nog steeds intrigerende Thomas A.P. van Leeuwen Five Essays on the Methaphysics of the American Skyscraper, verschenen als The Skyward Trend of Thought.

Hoge gebouwen worden vaak gezien worden als symbolen van het macho-kapitalisme (Trump-tower), maar ook als ‘slums in the air’, vooral toen ze massaal werden ingezet om het woningtekort na de tweede wereldoorlog snel in te lopen. Het is dan ok niet verwonderlijk dat de toevallige explosie en gedeeltelijke instorting van de woontoren Ronan Point (London, 1968) door velen en de moedwillige sloop van de hoogbouwwijk Pruitt Igoe (St Louis, 1972) door Charles Jencks gezien wordt als het einde van het modernisme in de woningbouw. Maar hoogbouw blijft nuttig en/of noodzakelijk en zelfs de terroristische aanslag op het WTC in New York (net als Pruitt Igoe van architect Minoru Yamasaki) in New York op 9/11 in 2001 heeft het voortdurende wereldwijde enthousiasme voor hoogbouw niet kunnen verminderen.

“Uiteindelijk lijkt het erop dat mensen zich ook in een slecht functionerend hoogbouwproject niet noodzakelijkerwijs als beestachtige gekken zullen gedragen”

Tegenover de beelden van en boeken over overbodige prestigeprojecten en banale projectontwikkeling  is de  één van de mooiste (en opbeurendste) boeken over hoogbouw toch het magistrale Torre David (Lars Müller publishers, 2013). De ondertitel “informal vertical communities” geeft al aan dat de samenstellers Alfredo Brillembourg en Hubert Klumpner niet alleen geïnteresseerd zijn geweest in de sociaal-ruimtelijke ontwikkelingen van de door woningzoekenden gekraakte, nooit afgebouwde multifunctionele hoogbouwcomplex in het centrum van Caracas. Maar ook en vooral in de manier waarop honderden mensen zelf, zonder officiële of professionele hulp, allereerst een functionerend leefgemeenschap hebben gecreëerd. Waarna bekeken kan worden welke aanvullende infrastructurele voorzieningen, zoals transport, energieopwekking en afvalverwijdering collectief ontworpen, gebouwd en beheerd moeten worden. En welke collectieve afspraken voor individuele bouwkundige constructies gemaakt moeten worden. Uiteindelijk lijkt het erop dat mensen zich ook in een slecht functionerend hoogbouwproject niet noodzakelijkerwijs als beestachtige gekken zullen gedragen, maar zich eerder op een of andere manier gezamenlijk organiseren om ervoor te zorgen dat je er als individu een beetje behoorlijk kunt wonen. Een urbanisatie, letterlijk van onderop: hoopgevend in deze barre tijden.