Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen Boekenkast | Cor

15 januari 2018 Blog

In Het Pauperparadijs (sinds 2008 meer dan 60 drukken en 300.000 exemplaren en uitverkochte theatervoorstellingen) beschreef Suzanna Jansen op indringende wijze de lotgevallen van mensen (onder andere uit haar familie) die door de samenleving gedwongen werden op een bepaalde manier op een bepaalde plaats te leven. De lotgevallen van de armen, bedelaars en daklozen, die (al dan niet onvrijwillig) in de negentiende-eeuwse Koloniën van Weldadigheid waren geplaatst, tonen weer eens aan dat, hoe goed bedoeld ook, een charitatief-paternalistisch opgezette leefomgeving mensen niet rijker maakt, laat staan gelukkig.

Je zou dan ook verwachten dat Jansen in haar ondanks verschenen boek Ondanks de zwaartekracht (2017) verder gaat met deze succesformule om haar eigen geschiedenis en die van familieleden in één vertelling te bundelen met de ervaringen van anderen, die in een soortgelijke situatie verkeren zoals de bewoners van de Westelijke Tuinsteden. In plaats daarvan krijgen we een verslag van (minstens) drie individuele, om niet te zeggen individualistische levenslopen. Opgegroeid nabij de dansschool van Steffa Wine in de mede door Cor van Eesteren stadwijk/tuinstad Slotermeer zoekt Jansen, naar eigen zeggen, in haar boek naar het belang van de kunst in het algemeen. En meer bijzonder naar kunstenaars die trouw bleven aan het idee dat zij hun dromen moesten najagen, zoals Van Eesteren en Wine dat volgens haar deden, terwijl zijzelf een gedroomde danscarrière opgaf (of moest opgeven).

In elk boek (las ik) staat vroeg of laat één zin waardoor je het boek, de verhaallijn, de schrijver en/of de hoofdfiguur plotseling anders gaat zien.

In Ondanks de zwaartekracht staat (op pagina 172) als verklaring voor Le Corbusiers twijfelachtig oorlogsverleden zo’n zin: “een architect wil bouwen een stedenbouwkundige wil steden maken, dat kon nu eenmaal niet zonder opdracht van een regime – rood, bruin of anderszins”. Afgezien van het feit dat een architect niet zozeer wil bouwen (dan was hij (m/v) wel bouwvakker of aannemer geworden) zitten er in deze zin twee a drie misverstanden rond de stedebouwkundige, al dan niet met tussen-n. Om te beginnen maakt een stedebouwkundige geen steden, zoals een klompenmaker klompen maakt. Verder is de stedebouwkunde geen autonome kunstvorm maar een sociale discipline met eventueel wat artistieke randverschijnselen en is de stedebouwkundige dus geen kunstenaar die “moet maken wat hij moet maken, iets anders kan hij niet”.

Volgens mij heb je het dus als schrijver van een boek dat (gedeeltelijk) gaat over de ontwerper die een stempel drukte op de omgeving van je jeugd, niet begrepen, ondanks alle (financiële) steun van de EFL-stichting en ondanks alle boeken over of van Van Eesteren die je heb doorgenomen, gelezen, bestudeerd. En inderdaad is de bibliografie indrukwekkend en uitgebreider dan ik in de boekenkast heb en/of gelezen. Uiteraard heb ik ook het drieluik: Vincent van Rossums Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, (1993), Zef Hemels Het landschap van de IJsselmeerpolders: planning, inrichting en vormgeving (1994) en Kees Somers De functionele stad, de C.I.A.M. en Van Eesteren (2007). Het vierde deel uit de serie Cornelis van Eesteren, architect-urbanist van met name Manfred de Bock Bouwkunst, Stijl, Stedebouw, Van Eesteren en de avant-garde (2001) heb ik nooit, zelfs niet in de ramsj aangeschaft.

Wel heb ik de liefdevolle reconstructie van een lezing met lichtbeelden uit 1928 van Vincent van Rossum in het boek Het idee van de functionele stad – C. van Eesteren (1997) en ook de lange tijd enige publicatie over Van Eesteren van R. Blijstra in de befaamde serie Beeldende kunst en bouwkunst in Nederland C. van Eesteren (1968). En ik weet bijna zeker dat ik zijn intreerede De Conceptie van onze hedendaagse nederzettingen en cultuurlandschappen, hun verschijningsvormen en uitdrukkingen. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de stedebouwkunde aan de Technische Hogeschool te Delft (1948) ergens heb liggen. Over dansgeschiedenis heb ik niets, evenmin als over kunstenaars-in-de-oorlog, maar wel een plankje over architectuur (stedebouw, landschapsontwerp, planologie) en oorlog, maar dat terzijde.

Nogmaals: stedebouwkundigen bouwen geen steden. Heel zelden maken ze een plattegrond voor de aanleg van een compleet nieuwe stad (wat niet altijd goed uitpakt: Almere/Lelystad, Brasilia, Canberra), meestal proberen ze, tekenend, rekenend en regelstellend, wat te sleutelen aan een nederzetting of landschap, en soms heeft dat de beoogde effecten in de fysieke werkelijkheid en in de manier waarop mensen de stad (het dorp, het gehucht, het platteland, het land, de metropool) bewonen of er anderszins in vertoeven. Van Eesteren zei het zelf zo mooi: “de stad moet voldoen aan de levensbehoeften van de mens, zowel geestelijk als materieel. Welbeschouwd is stedenbouw dus het organiseren der aarde.” Jansen haalt bewonderd deze uitspraak aan en zegt daar in een interview over: ” Ik dacht wow, jongeman. Ga d’r maar aan staan. Stedenbouwkundigen spelen voor god. Ja. En daar hebben wij baat bij.” Even was ik geneigd dit te zien als een onhandige uitspraak van een schrijver die wat al te betrokken bij haar personages raakte. Maar in een recensie van dit boek hoopt Pieter Hoexum dat “hedendaagse stedenbouwers Jansens boek lezen”. Zelf ben ik bang dat dit, af en toe nogal onbeholpen geconstrueerd boekwerk, een wat raar en mijn inziens verkeerd beeld geeft van wat een stedebouwkunde is, was en zou moeten zijn. Ik heb het niet op professionals die als rolmodel voor hun beroepsuitoefening God hebben en zou ons werk iets minder hoogdravend willen omschrijven.

Van Eesteren bijvoorbeeld gaf, min of meer en passant, in zijn voorwoord bij de Nederlandse editie Ruimte, Tijd en Bouwkunst (1954) van Sigfried Gidions Space, Time and Architectuur (1941) een prachtige, wat plechtstatige maar eigenlijk ook bescheiden definitie van stedebouwkunde: “de kunst van het vormen der woonstede in de ruimere zin van het woord. Zij omvat de verstoffelijking van de functies welke bij het bewonen van de aarde als occupatievormen zichtbaar worden, zoals de huisvesting van mens en dier, het voortbrengen van levensmiddelen en goederen, het ontspannen van lichaam en geest, de activiteit op geestelijk en cultureel gebied, het verkeer als afstandsoverwinnend element en dergelijke.” Van Eesteren noemt zowel het een als het ander en in zijn angst iets te vergeten eindigt hij zijn definitie met het includerend ‘en dergelijke’. Eigenlijk zou elke definitie daarmee moeten eindigen.

Aan het eind van haar boek zegt Jansen dat haar verhaal niet beoogt een “volledige dansgeschiedenis en geen volledige geschiedenis van het Nieuwe Bouwen of de stedenbouwkunde in de twintigste eeuw te zijn.” Maar dat ze met haar boek “een diepe buiging wil maken voor alle kunstenaars die met hun talent zichzelf binnenstebuiten keren om voor ons, voor mij, nieuwe werelden te openen.”

 

Om te beginnen maakt een stedebouwkundige geen steden, zoals een klompenmaker klompen maakt. Verder is de stedebouwkunde geen autonome kunstvorm maar een sociale discipline met eventueel wat artistieke randverschijnselen en is de stedebouwkundige dus geen kunstenaar die “moet maken wat hij moet maken, iets anders kan hij niet”…

 

Ronduit teleurstellend en ook wel onthutsend is dat ze, in haar drang om van de uiteindelijk brave ambtenaar een gepassioneerde kunstenaar te maken Van Eesteren vergelijkt met (en min of meer gelijkstelt aan) de misselijkmakende romanfiguur Howard Roark, die niet zozeer eigenzinnig te noemen is, maar ronduit extremistisch individualistisch is en zijn geliefde alleen verkrachtend meent te moeten liefhebben.

Deze hoofdpersoon uit de, om onbegrijpelijke redenen niet zo gek lang geleden weer eens (als De eeuwige bron) in het Nederlands vertaalde, roman The Fountainhead uit 1943 van de extreem-egoïste antisociale Ayn Rand is echter niet een eigengereide kunstenaar die weigert concessies te doen, maar een professionele ontwerper die meent het recht te hebben sociale woningbouw op te blazen, wanneer die niet geheel naar zijn ontwerp zijn gebouwd. Jansen noemt Roark expliciet als bron van inspiratie, bijvoorbeeld wanneer hij (als theaterpersonage gespeeld door Ramsey Nasr in het recente stuk van Ivo van Hove) haar heeft doen voelen dat het “noodzakelijk is om vast te houden aan je eigen koers”. Ik mag toch hopen dat zij niet van mening is dat Van Eesteren zijn ‘kunstwerk-Slotermeer’ had moeten vernietigen, toen de realiteit ‘ingreep’ en het anders werd dan hij bedacht had.

Van Eesteren, die vorig jaar 120 jaar geleden geboren werd en dit jaar 30 jaar geleden stierf verdient een betere biografie, waarin misschien wat dieper ingegaan kan worden op de persoonlijke drijfveren van de zich tot ‘urbanist’ ontwikkelende architect Van Eesteren en ook op zijn artistieke ambities (en eventuele – frustraties) als ambtelijk-stedebouwkundige binnen een maatschappelijke, om niet te zeggen politieke, omgeving.

 

…Van Eesteren zei het zelf zo mooi: “de stad moet voldoen aan de levensbehoeften van de mens, zowel geestelijk als materieel. Welbeschouwd is stedenbouw dus het organiseren der aarde.”…

 

In ieder geval zou de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedebouwkundigen en Planologen zich moeten inspannen om, al dan niet met steun van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en/of de EFL-stichting en bij voorkeur via nieuwe biografieën van in de werkelijkheid werkende stedebouwkundigen en planologen, te werken aan een beter begrip van het werkveld van haar leden. Dubieuze romanpersonages noch slachtoffers van minder geslaagde non-fictie zijn geen goed rolmodel voor ons of onze toekomstige collega’s.