Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen Boekenkast | A tot Z extra

20 oktober 2021 Blog

Tjerk Ruimschotel

Terwijl ik nog overweeg toch zelf maar die door mij zo verlangde ambitieuze Gids voor de Stedebouwkundige en Volkshuisvestelijke ontwikkelingen van Almere te gaan schrijven, bedenk ik dat niet alleen proeftuin Almere (voorheen de Zuidweststad) typologisch goed beschreven, geanalyseerd en gewaardeerd moet worden (met beredeneerde bibliografie) maar dat het gehele Zuiderzeeproject (te beginnen met de Proefpolder Andijk, drooggevallen in augustus 1927) het verdient om periodiek opnieuw geboekstaafd moet worden. Per slot zijn niet alleen de verschillende fases van de ‘planning, inrichting en vormgeving’ van de IJsselmeerpolders zelf door de tijd ingehaald, maar ook, en misschien nog wel meer, de publicaties erover. Al was het maar opdat die vaak een bepaald tijdvak, onderwerp of gebied behandelen, of slechts één persoon.

Zo gaat de handelseditie van het proefschrift van Zef Hemel Het landschap van de IJsselmeerpolders; planning, inrichting en vormgeving (in 1994 verschenen als deel IV van de nogal fors uitgevallen monografie Cornelis van Eesteren, Architect-Urbanist) vooral over de relatie tussen Van Eesteren en het te ontwerpen landschap, inclusief de nederzetting Lelystad. Er zijn hele boekenkasten vol geschreven en gerapporteerd over vrijwel alle aspecten van de planvorming, politieke besluitvorming en uitvoering. Maar het blijft wat ingewikkeld om vandaag de dag een goed beeld te krijgen wat er nu precies bedacht, besloten en uitgevoerd is, ook omdat de provincie Flevoland niet samenvalt met het gebied van het Zuiderzeeproject.

De laatnegentiende-eeuwse Zuiderzeevereeniging stond aan de wieg van wat nu vooral Flevoland is. In zekere zin leefde die vereniging voort in het daarna opgerichte Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland. Het SHCF beheerde onder andere het archief, de boekerij en de kranten(knipsel)verzameling van de Zuiderzeevereeniging en gaf tientallen boeken uit, maar er is geen website meer in de lucht sinds het SHCF in 2004 fuseerde met o.a. het Rijksarchief in Flevoland en het Nieuw Land Poldermuseum in het Nieuw Land Erfgoedcentrum en zich vestigde aan de kust van Lelystad. Dit Erfgoedcentrum werd in 20117 opgeheven en het SHCF is opgegaan in het Erfgoedpark Batavialand, wat vooral gericht is op het maritiem-archeologisch erfgoed en zich, net als Bataviastad, vooral lijkt te richten op fun en minder op kennisoverdracht. Ook het fonds van Uitgeverij de Twaalfde Provincie, dat veel Flevolands werk uitgaf, is nergens te vinden.

Aan de reeks edities van de handzame en uiterst informatieve pocket Het Zuiderzeeproject in zakformaat (1984, 1985 en 1987) werd, na de opheffing van de Dienst der Zuiderzeewerken en de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) per 1 januari 1989, volgens mij  slechts één bewerkte herdruk van de derde druk toegevoegd door de provincie Flevoland. Ook werden in 1996 twee elkaar behoorlijk overlappende boekwerken uitgegeven ter gelegenheid van het formeel afronden van de projecttaken die de Directie IJsselmeergebied van Rijkswaterstaat had overgenomen van de RIJP.

De Hoofdafdeling Sociaal-Economische en Stedebouwkundige Ontwikkeling verzorgde de bundel Nieuwe ruimte; sociaal-economische en stedebouwkundige ontwikkeling van Zuidelijk Flevoland, waarin een twintigtal afdelingshoofden en andere deskundigen ‘op vaak wetenschappelijke wijze’ ingingen op de werkzaamheden van de hoofdafdeling. Tegelijkertijd schreef de Hoofdafdeling Landinrichting (met deels dezelfde mensen) de bundel Westelijk van de Knardijk; inrichting en ontwikkeling van Zuidelijk Flevoland 1968-1996, wat qua beschreven gebied en onderwerpen aansloot bij de publicatie Oostelijk van de Knardijk. De inrichting en ontwikkeling van Oostelijk Flevoland in de jaren 1957-1980 verzorgd door de RIJP in 1982.

In 1997 schreef de laatste Hoofdingenieur-Directeur van de Directie IJsselmeergebied een aanprijzend voorwoord in het monumentale proefschrift In praise of common sense. Planning the ordinary. A physical planning history of the new towns in the IJsselmeerpolders van Coen van der Wal met Nederlandse samenvatting. Maar vooral met een opbouw en inhoud die voorbeeldig genoemd kan worden.

In de inleiding wordt een samenvatting van de tot dan beschikbare literatuur gegeven, in een volgend deel wordt de ontwikkeling van polders, van nieuwe steden en van ontwerpen en planning in de twintigste eeuw gegeven. Vervolgens worden alle ontwerpen voor alle nederzettingen beschreven en volgen er conclusies die geplaatst worden in de ‘plan-versus-proces-tegenstelling en die tussen stad en platteland. Dit boek, nu bijna een kwart eeuw oud, is typisch zo’n werk waarvan je hoopt dat het na verloop van tijd een nieuwe geheel herziene en fors aangevulde editie krijgt. Maar meestal gebeurt dat niet, en zeker vrijwel nooit bij proefschriften.

Toch zou het de basis kunnen vormen voor een nieuw jubileumwerk, alleen zou ik dan meer aandacht besteed willen hebben aan de receptie van de gebouwde omgeving in kunst en cultuur, bijvoorbeeld in de fotografie, schilderkunst en literatuur. Boeken als Bedachte stad (1997) van Henry Sepers, Hotel Almere; verhalen uit de polder van Henk Blanken (2003) en LELYSTAD van Joris van Casteren uit 2008  (in 2017, bij het 50-jarig bestaan van Lelystad opnieuw uitgebracht in een luxe editie, met nieuw hoofdstuk) horen tot een aparte categorie binnen de geografische geschiedschrijving. Het werk van door de gemeente Almere aangestelde (betaalde en gehuisveste) gastschrijvers vormt daarbinnen een subcategorie. Tussen het Stephan Sanders’ Iets meer dan een seizoen: memoir uit 2013 en Redmon O’Hanlons De groene stad (2018) verscheen in 2015 van writer-in-residence Renate Dorrestein de post-apocalyptische roman Weerwater.

Haar uitgever fantaseerde in een column over nog veel meer geslaagde stedenromans, een beetje in lijn van de stedenfilms van Woody Allen (Barcelona, Rome, Parijs) wat volgens hem goed zou zijn voor de auteurs (die het verdienen om hun onder druk staande auteursinkomen door uitverkoren steden te laten aanvullen), goed voor de steden (effectieve stadspromotie, zelfs als er, zoals in Renates boek, rampen in voordoen), goed voor de boekwinkels, goed voor de lezers en voor de uitgever.

Of het eveneens bij Podium verschenen boek De ontdekking van Urk (2020) van Matthias Declerq zo’n goede stadspromotie is weet ik niet, wel goede, bekroonde, onderzoeksjournalistiek. En ik weet eigenlijk ook niet meer of het algemeen geroemde dystopische karakter van Dorresteins roman ligt in de constatering dat de wereld buiten de stad verdwenen is (althans niet meer bereikbaar) of in het feit dat Almere (en een deel van haar inwoners) het enige restant is van de menselijke beschaving op aarde. De stad is  in ieder geval herkenbaar beschreven, inclusief het haar ter beschikking gestelde glazen ‘tuinhuisje’ van De Fantasie nr. 1, met uitzicht op het Weerwater, de centrale waterplas van Almere.