Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


Archive for the ‘Blog’ Category

De omgevallen boekenkast | tweede druk

Door Tjerk Ruimschotel

Terwijl ik de drukproeven van mijn binnenkort te verschijnen gids voor woningbouw in Londen controleerde en corrigeerde, vroeg ik me af of andere auteurs ook op zo’n moment moesten denken aan de uitgebreide en verbeterde editie die zou moeten volgen op het boek dat nog niet eens in druk verschenen was. Niet dat ik ontevreden was over het werk an sich, dat afgerond moest worden omdat de uitgever (DOM publishers uit Berlijn) meende dat de laatste deadline ook echt de laatste moest zijn. Zelfs niet dat het boek momenteel nog met de verkeerde ondertitel (Social Housing ot the Twentieth Century) wordt aangeboden. Ook was het niet onoverkomelijk dat we vanwege de coronacrisis niet in staat waren geweest de net niet goede foto’s opnieuw te maken, of dat ik de laatste, niet op internet te checken facts, niet in een bibliotheek met papieren publicaties had kunnen verifiëren. Ik denk dat het gevoel van onvolkomenheid vooral kwam omdat ik (waarschijnlijk als enige) zag wat er niet in het boek terecht was gekomen, welke informatie niet voldoende was verwerkt, welke nieuwe inzichten nog onvoldoende waren doordacht en dus geschrapt waren, maar uitgewerkt hadden moeten worden  Kijkend naar het boek dat min of meer af was, zag ik ook en vooral het boek wat er hád kunnen zijn: wanneer er meer tijd was geweest, wanneer ik gedisciplineerder mijn tijd had besteed of wanneer ik meer pagina’s had kunnen vullen.

Ik vind het dan ook wel wat wonderlijk wanneer bijvoorbeeld de handelseditie van een proefschrift vaak een letterlijke, hooguit ietwat royaler geïllustreerde versie ervan is, zonder die pagina’s met datum van plechtigheid, alle voornamen van de promovendus en het lijstje van promotoren. Het lijkt me dat wanneer je uiteindelijk en vaak onder de hoogspanning van een academische tijdsplanning en binnen het keurslijf van de wetenschap aan de vereisten hebt voldaan en het werk is afgeleverd, er een periode van bezinning optreedt waarin je, eventueel op basis van het reeds verrichte werk toch een geheel nieuw, meer eigenzinnig product wilt afleveren.

Daarnaast zijn er uiteraard vakmatige publicaties, veelal handboeken die geregeld bijgewerkt moeten worden om nog een beetje bij de tijd te zijn. Maar ook bij ‘gewone’ publicaties kan ik me voorstellen dat er na verloop van tijd behoefte is aan een ‘update’ en hoewel dat in het spraakgebruik vaak een tweede druk heet gaat het natuurlijk om een tweede versie, een tweede editie. Om het (nog) ingewikkelder te maken heten verschillende uitvoeringen (bindwijze, papiersoort, omslag) van hetzelfde werk ook vaak ‘editie’ en lopen in het Frans, Duits en Engels deze begrippen ook flink door elkaar.

Bij het werken aan die Londense woningbouwgids kwam ik dit soort zaken een paar keer tegen. Om te beginnen de verschillende edities van de verschillende architectuurgidsen waarvan duidelijk is dat die periodiek bijgewerkt moeten worden. Zeker wanneer je de, je-het-zelf-moeilijk- makende-term ‘eigentijds’ in de titel opneemt, zoals London’s Contemporary Architecture: An Explorer’s Guide van Ken Allinson en Victoria Thornton, waarvan ik de zes (nogal verschillende) edities tussen 1993 en 2014 moest aanschaffen. Dat ook het RIBA Book of 20th Century British Housing van Ian Colquhoun uit 1999 in 2008 een second edition kreeg is begrijpelijk, maar de nieuwe titel RIBA Book of British Housing; 1900 to the present day roept de vraag op of het anno 2021 niet weer eens tijd wordt voor een nieuwe editie.

Heel anders is het bij het werk van John Allan, een Londense architect, die niet alleen beroemd is geworden door het accuraat en liefdevol restaureren van modernistische woningbouwiconen als Isokon (arch. Wells Coates) en Priory Green maar ook door een proefschriftwaardige monografie over de architect van dit laatste project, getiteld Berthold Lubetkin; Architecture and the Tradition of Progress. Verschenen in 1992 was dit de eerste van de vele veel te dure boeken die ik (in dit geval met financiële steun van mijn moeder) zou kopen. Twintig jaar later heeft John Allan gemeend dit meer dan 600 pagina’s tellende boek, dat al beschouwd werd als de definitieve beschrijving van Lubetkins leven en werk, nog te moeten verbeteren en aanvullen. Jammer genoeg zonder ergens aan te geven waar wat veranderd/aangevuld is zodat ik nu beide meer dan 3 ½ kilo zware boekwerken naast elkaar aan het lezen en vergelijken ben.

Bijna hetzelfde, maar anders is het met John McKean, die, gedeeltelijk omdat hij het leven en werk van de befaamde zelfbouw architect Walter Segal is blijven inventariseren en bestuderen, aan een nieuwe publicatie over Segal werkt. Een andere reden voor hem is dat zijn publicatie Learning from Segal; Walter Segals life, work and influence uit 1998 momenteel alleen antiquarisch en tegen een belachelijk hoge prijs te verkrijgen is. Vooruitlopend op die nog te verschijnen publicatie Walter Segal: English Architect in de serie Twentieth Century Architects wordt in mei aanstaande alvast een ander boek van zijn hand getiteld Walter Segal; Self-built architect uitgegeven.

Bij nai010 verschijnt in 2021 de, volgens de uitgever, langverwachte nieuwe editie van Spacematrix; Space, Density and Urban Form van Meta Berghauser Pont en Per Haupt, het proefschrift waar ze in 2009 in Delft op promoveerden. Ik ben benieuwd hoe zij met hun eigen werk zullen zijn omgegaan. Een ander handboek van nai010 dat dit jaar” volledig herschreven en geactualiseerd” verschijnt, is Ruimtelijke ordening; geschiedenis van de stedelijke en regionale planning in Nederland, 1200-nu van Len de Klerk en Ries van der Wouden.

Ooit verschenen (in 1986) als Aula-pocket met de titel Ruimtelijke ordening; van plannen komen plannen van H. van der Cammen en L.A. de Klerk verscheen een volledig herziene editie in 2003 onder de titel Ruimtelijke ordening; van grachtengordel tot Vinex-wijk met als auteurs Hans van der Cammen en Len de Klerk.

In de loop van dit jaar zal dit dus het eerste Nederlandstalige boek worden waarvan ik drie edities heb. Vier, wanneer we (nogal) bewerkte vertaling van de editie van 2003 meerekenen. The Selfmade land; Culture and evolution of urban and regional planning in the Netherlands verscheen in 2012 met medewerking van Gerhard Dekker en Peter Paul Witsen. Alleen zou die derde Nederlandse editie voortaan onder de K in de boekenkast moeten komen te staan nu Len de Klerk alfabetisch gezien de eerste auteur geworden is. Zonder iets af te doen aan de verdiensten van De Klerk en Van der Wouden en vooral uit waardering voor Hans van der Cammen (niet voor niets erelid van de BNSP) denk ik ze voorlopig allemaal maar bijeen te houden, onder de letter C. In ieder geval tot de volgende editie, immers ‘nu’ is gauw verleden tijd.

Aan de slag met de Omgevingswet | Krachtenbundeling zorgt voor denkkracht én positie

Stedenbouwkundige bureaus, advies- en ingenieursbureaus bundelen steeds vaker hun kracht voor grote opgaven in het werkveld, zoals het DSO, de Regionale Energie Strategie en aanpak van het stikstofvraagstuk. We nemen jullie mee in waar we vandaan kwamen, waarom we de krachten hebben gebundeld en hoe dit in de praktijk goed uitpakt. De samenwerking voor het DSO – juist ook samen met de VNG – is daar een bijzonder voorbeeld van. We weten nu ook wat ons nog te doen staat gezien de bevindingen en aanbevelingen die we hebben gedaan aan VNG en DSO en ook aan onszelf als plannenmakers. Door die samenwerking hebben de plannenmakers een positie gekregen om daarmee verder aan de slag te gaan. We geven u een kijkje in de keuken van Kennislab Omgevingswet. Deze presentatie geeft u een goed beeld van de achtergrond, de ontwikkelingen, de uitdagingen waar we voor staan en hoe we deze in de samenwerking kunnen realiseren.

Ruud Louwes en Melinda Schouten leiden de presentatie

Doelgroep: Iedereen die zich bezighoudt met het omgevingsplan.

Datum: 8 december 9:30 – 11:00

Meld je hier aan voor deze online sessie. Deelname is kostenloos

De inschrijving voor PEP voorjaar 2021 is geopend.

Wil jij je officieel kunnen registreren als stedenbouwkundige? En wil je een programma volgen die dit mogelijk maakt?
De inschrijving voor PEP voorjaar 2021 is geopend! Zorg dat je er op tijd bij bent!

http://pepnl.eu/inschrijven-2021-1/

De omgevallen boekenkast | Advies

Door Tjerk Ruimschotel

 

Soms lijkt het er warempel op dat je als columnist/blogger gehoord en begrepen wordt. In mijn oktober-blog over de NOVI klaagde ik over het gebrek aan manipuleerbaar kaartmateriaal en prompt verscheen begin november de Atlas van de Regio (1). Geen papieren boekwerk  met een mooie voorplaat, maar “een interactieve kaartviewer die middels thematische kaarten verschillende ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven in beeld breng. Zo’n 130 kaarten verdeeld over 12 thema’s om op elkaar te leggen en te vergelijken “. De Atlas biedt, volgens de samenstellers, het PBL “het kaartmateriaal voor het debat dat het Rijk, de regio’s en maatschappelijke partners voeren over ruimtelijke afwegingen”. En terwijl de atlas nadrukkelijk gepresenteerd wordt als hulpmiddel (‘tool’) in de discussies over de Nationale Omgevingsvisie lijkt ook hier de ‘gewone (al dan niet geïnteresseerde) burger’ als belangrijkste doelgroep buiten beeld te verdwijnen; in de dagbladpers werd geen aandacht aan de atlas besteed maar ook op de rijkswebsite over de NOVI wordt er niet naar verwezen. En nu we toch aan het mopperen zijn: in mijn NOVI-blog adviseerde ik om het kaartmateriaal van de beleidsbeslissingen uit de NOVI zélf te digitaliseren, zodat een ieder zijn eigen geografische/thematische uitsnede van De Visie kon maken – dat is er dus nog niet van gekomen. Maar misschien komt het nog en kan ik me voorlopig beter spiegelen aan de bewonderenswaardig positieve toon van onze huidige Rijksbouwmeester in zijn publicatie, verschenen in april van dit jaar.

Het fraai uitgegeven essay-in-boekvorm roept, naast irritatie over de wat zalvende en holistische argumentatie en over het gebrek aan realistische oplossingsrichtingen, toch ook vooral het opwekkende gevoel op dat we het, samen, wel kunnen klaren. Zoals Floris Alkemade zegt: “In de loop van de eeuwen is er een plannings- en ontwerpcultuur ….ontstaan vanwaaruit we – misschien wel beter dan wie dan ook – in staat zijn nu de verdere kennis en inzichten te ontwikkelen die niet alleen het eigen land maar de hele wereld dringend nodig heeft.” Hoewel hij met name verwijst naar onze “omgang met de natuurkracht van het opkomend water” die “onze cultuur en identiteit” en die plannings- en ontwerpcultuur heeft gevormd, denk ik dat het onze rijke ervaring met en reactie op natuurlijke,  sociaal-economische en militair-politieke processen is geweest die de ontwerpende en reflectieve disciplines op ruimtelijk terrein op het huidige niveau hebben gebracht. Het is dan ook jammer dat Alkemade nauwelijks een handelingsperspectief voor onze ruimtelijke professionals schetst. Gelukkig krijgt hij er per 1 december twee nieuwe rijksadviseurs bij om dit manco op te vullen.
Soms duurt het vrij lang voor je als blogger je zin krijgt. Toen, in 2004, de Rijksbouwmeester drie secondanten kreeg heb ik me beklaagd over het ontbreken van een stedebouwkundige in dit College van Rijksadviseurs. Wel waren er adviseurs voor het landschap, de infrastructuur en het cultureel erfgoed. Nadat ik ergens in 2009 in een column gezegd had dat er toch echt een stedebouwkundige bij moest, werd eerst het taakveld landschap verbreed met ‘water’ en infrastructuur met ‘stad’. Deze wat wonderlijke taakomschrijvingen werden pas in 2016 vervangen door zowel een landschapsarchitect als een stedebouwkundige aan te stellen als ‘Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving’. Over deze tenenkrommende terminologie en de ambtelijke, bestuurlijke en commerciële wildgroei eromheen valt een aparte blog te schrijven en misschien komt die er nog.

Aardig aan de twee nieuw benoemde rijksadviseurs is dat ze op een aantal verschillende manieren in de theorie en praktijk van hun vakgebieden werkzaam zijn geweest en erover gepubliceerd hebben. Landschapsarchitect Jannemarie de Jonge is zelfs gepromoveerd, en is daarmee, voor zo ver ik weet de eerste rijksadviseur met die beschouwende kwaliteit. De handelseditie van haar Landscape Architecture between Politics and Science: An integrative perspective on landscape planning and design in the network society (uit 2009) heb ik niet in de fysieke boekenkast. Maar het proefschrift is wel te downloaden (2) en geeft in het eerste deel een aardig historisch overzicht van de eerste decennia van de landschapsarchitectuur, de stedenbouw en de planologie als opkomende disciplines. En is verder nog steeds relevant. Veel van haar overig publicistisch werk is in opdracht en in samenwerking met andere auteurs gemaakt, en digitaal beschikbaar, zoals Een kwart eeuw EO Wijers-stichting Ontwerpprijsvraag als katalysator voor gebiedsontwikkeling (3) uit 2008 en Ontwerpen in de regio, (4) uit 2016, eveneens over de EO Wijers prijsvragen.

Ook stedebouwkundige Wouter Veldhuis (de andere rijksadviseur ) heeft veel gepubliceerd, is vaak opgetreden als co-auteur en zijn werk is soms digitaal beschikbaar. Een vroege bijdrage aan de vakontwikkeling leverde hij als redacteur (met Harko Stolte) van de bundel Zover het oog reikt; ontwerpend sturen aan de stad (1995). In mijn Amsterdam-boekenkast staan twee publicaties waar Wouter aan heeft medegewerkt: de Atlas Westelijke Tuinsteden Amsterdam; de geplande en de geleefde stad (2009) en het vervolg erop acht jaar later, Nieuw-West: parkstad of stadswijk; de vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden Amsterdam. Ik heb de publicatie Verkenning van de rechtvaardige stad Stedenbouw en de economisering van de ruimte (5) die Wouter Veldhuis schreef samen met Simon Franke digitaal gelezen. Zijn recente opiniestuk Niets doen is wél een optie over de discussie over de stad tijdens en na corona/covid is terug te vinden op onze BNSP-site (6) en onlangs verder uitgewerkt in het essay Hier.Heerst.Veiligheid – En verliest het publiek domein zijn betekenis, geschreven samen met Tijs van den Boomen en Simon Franke en gratis te downloaden via Trancity (7). Een persoonlijke publicitaire relatie met Wouter heb ik in de vorm van de fantastische serie eye-openende kaartbeelden van Must (toentertijd bestaande uit Robert Broesi, Pieter Jannink en Wouter Veldhuis) in de Atlas van de verandering, Nederland herschikt van Theo Baart, Tracy Metz en mijzelf; gewoon een mooie papieren publicatie uit 2000.

Van de architect Francesco Veenstra die Floris Alkemade in september volgend jaar gaat opvolgen heb ik geen boeken in de kast liggen; sterker er zijn mij (of google, bing, bolcom en boekwinkeltjes) geen publicaties van of over hem bekend. Dat hoeft voor een Rijksbouwmeester op zich geen probleem te zijn en dat hij voorzitter is van een beroepsvereniging (de BNA) pleit wat mij betreft voldoende voor hem. Maar zelfs bij Floris Alkemade had ik, ondanks diens indrukwekkende lijst van ‘geraadpleegde bronnen’ en zijn tentoongespreide brede belangstelling, het gevoel dat de doorwerking van theorie naar praktijk, van globale problemen naar concrete voorstellen wat aan de magere kant bleef. Ik heb goede hoop dat Jannemarie de Jonge en Wouter Veldhuis vanuit hun brede beroepspraktijken Francesco Veenstra op dat terrein kunnen ondersteunen, maar ik zelf zou er voor de zekerheid toch nog een derde, meer wetenschappelijk reflecterende rijksadviseur aan toegevoegd hebben; dus gewoon iemand met een planologische achtergrond. Ik ben benieuwd hoelang het deze keer gaat duren voor dit advies opgevolgd wordt. Over de al dan niet gewenste sekse, gender, geloof, politieke voorkeur en/of ras van de bouwmeester en zijn/haar adviseurs laat ik me voorlopig maar niet uit.

  1. Atlas van de Regio | PBL Planbureau voor de Leefomgeving
  2. Landscape architecture between politics andd science
  3. Een kwart eeuw EOwijers
  4. EOWijers, ontwerpen in de regio | Jannemarie de Jonge
  5. Verkenning van de rechtvaardige stad – Trancity
  6. Niets doen is wél een optie | Wouter Veldhuis | MUST (bnsp.nl)
  7. Gratis downloads – Trancity

De omgevallen boekenkast | NOVICE

Door Tjerk Ruimschotel

Tenzij ik me hevig vergis, is nogal onopgemerkt de definitieve Eerste Nationale Omgevingsvisie (gekoosnaamd NOVI) met de ondertitel Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving, door de regering vastgesteld en op 11 september jongstleden naar de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. Wat normaliter een hoogtepunt in het nationale ruimtelijke ordeningsbeleid zou zijn geweest, was nu (vanwege Corona en/of Prinsjesdag?) nauwelijks nieuwswaardig in de landelijk pers. Ik heb namelijk behalve een itempje van de NOS  op 12 september nergens iets gevonden wat hier aan refereerde. Blijkbaar is de NOVI op 24 september in een Algemeen Overleg door leden van de Tweede Kamer behandeld en zal er ook plenair nog over gesproken worden, maar ik word googelend nauwelijks wijzer, tenzij ik me in de krochten van de verslagen van parlementaire commissievergaderingen ga begeven.

Alleen de website www.denationaleomgevingsvisie.nl lijkt enige gestructureerde informatie te bieden aan de burger/betrokkene die geïnteresseerd is in de NOVI en de totstandkoming ervan, maar ook daar moet je wel je best doen om de weg te vinden.  Een onverwachte bron van informatie op de website zijn de 13 ‘meest gestelde vragen’, die samen een vrijwel alles omvattend (en deels digitaal doorverwijzend) overzicht bieden van de inhoud van de NOVI. De voorgeformuleerde laatste vraag 13 had ik zelf al in gedachten:   Is er een gedrukt exemplaar verkrijgbaar van de Nationale Omgevingsvisie, Toelichting en/of Uitvoeringsagenda? En het antwoord vreesde ik ook al: De documenten zijn niet gedrukt verschenen. U kunt de pdf-versies vinden en desgewenst downloaden via: https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/publicaties/novi-stukken+publicaties/default.aspx.

 

Deze, enigszins onder het menu-onderdeel ‘publicaties’ verscholen, map met overzichtslijsten van downloadbare ‘NOVI-stukken’ en ‘Onderzoeken en adviezen’ geeft een goed beeld van wat er de afgelopen periode is gebeurd en welke informatie beschikbaar is. Het doorploegen van het meest recente item, de 9 pagina’s tellende aanbiedingsbrief van de verantwoordelijk Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties levert wel een eerste samenvattend overzicht op. Maar helemaal duidelijk wordt niet waaruit die NOVI nou precies bestaat en wat de exacte betekenis ervan is.  Sinds de Draag bij aan de Nationale Omgevingsvisie uitnodiging uit 2015 is aan de NOVI gewerkt en er zijn in de periode daarna tientallen documenten, rapporten en andere publicaties verschenen, die op een of andere manier hun weerslag hebben gehad in de meer dan 170 downloadbare pagina’s van de NOVI. Maar hoe dat is gebeurd wordt nergens goed toegelicht. Zelfs het bestaan en de status van de Toelichting is wat schimmig. Ik heb alleen in de toelichting zelf gelezen heb dat die ‘integraal onderdeel’ uitmaakt van de Nationale Omgevingsvisie. En gelezen moet worden in samenhang met hoofdstuk 3: Nationale belangen en opgaven in de fysieke leefomgeving. En eigenlijk geen toelichting op de NOVI is.

.     

 

Gekoppeld aan de NOVI  is er nog een Milieueffectrapport Nationale Omgevingsvisie en, enigszins los ervan, een groot aantal start- en tussenproducties, achtergronddocumenten en bijdrages vanuit verschillende hoeken van ons werkterrein. Uiteraard het BNA/BNSP/NVTL – Manifest van juni 2019:  Bouwen aan het Nederland van de Toekomst, wat ons betreft gerelateerd aan de in maart 2019 verschenen BNSP/NVTL-publicatie Regio van de Toekomst – Schetsen voor de Nationale Omgevingsvisie .

Iets eerder verscheen Panorama Nederland van het College van Rijksadviseurs, terwijl Co Verdaas medio 2017 al opperde om van de visie een gesprek te maken: De Nationale Omgevingsvisie Een selectieve, cyclische en doelgerichte dialoog.  Bij elkaar boeiende lectuur die geanalyseerd zou moeten worden op de doorwerking ervan in de uiteindelijke versie van de NOVI.

Voor de leek en de onder tijdgebrek lijdende vakgenoot is via de NOVI-website de NOVI in een Notendop, een pdf, vormgegeven als een liggend A-4 boekje van 14 pagina’s te downloaden, met daarin de hoofdlijnen van beleid en een Discussiekaart als toekomstperspectief voor Nederland . De visie lijkt vooral te bestaan uit het verlangen om praktisch en eensgezinds samen te willen werken, in plaats van echt (politieke geïnspireerde) keuzes te maken op rijksniveau.


De Nationale Ontwikkelingsvisie is niet alleen qua inhoud maar vooral qua vorm een hybride beleidsstuk: de visie is niet gepubliceerd als fysiek boek, maar pdf-digitaal beschikbaar in de vorm van een opgemaakt boek, compleet met voorplaat, achterplat en zelfs (enigszins ridicuul) een ontwerp voor de 5 mm brede rug van een echt boek. Er is echter ook geen gebruik gemaakt van de digitale mogelijkheden om er een (al dan niet interactief) eigentijds product van te maken. Op zijn minst zou het omvangrijk werk makkelijker doorzoekbaar moeten zijn en zou je makkelijker moeten kunnen doorklikken op de honderden noten en verwijzingen. De wat krapjes ‘afgedrukte’ kaartbeelden schreeuwen erom om vergroot en gecombineerd te kunnen worden. Je zou verwachten dat je een eigen selectie zou kunnen maken via onderwerpen, trefwoorden (nergens is een index!) of geografische gebieden. En ergens had ik gehoopt dat er misschien wel een soort game van gemaakt zou zijn geworden in plaats van het wat obligate promotie-videootje.

Wie dacht dat ie met het verschijnen van de NOVI in ieder geval die ordner met gedownloade papieren SVIR-pagina’s kon weggooien komt bedrogen uit. In een niet geheel navolgbare paragraaf wordt eerst verteld dat het Nationaal Milieubeleidsplan; Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid  (2001) en de Rijksnatuurvisie 2014; Natuurlijk verder worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader.

Maar iets verder lijkt dat slechts betrekking te hebben op bepaalde  (niet met name genoemde) delen.  De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone alsook Bijlage 6, Essentiële onderdelen Nota Mobiliteit. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele(eveneens niet nader genoemde)  onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (2015) op grond van de Waterwet. Enigszins onbegrijpelijk dus.

 

Hopend dat de professionals er redactioneel en regelgevend uitkomen, verwonder ik me over de kernvraag aan het publiek: “In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050?” Een beetje vage en vooral zinloze vraag aan bijna de helft van de huidige Nederlandse bevolking, die tegen die tijd hoogbejaard of, volgens verwachting, dood zal zijn. De vraag zou, denk ik, hebben moeten zijn “Aan welke delen en/of aspecten van de instandhoudings- en veranderingsprocessen in Nederland op het terrein van (wat met een lelijk woord) de ‘leefomgeving’ wordt genoemd, wilt u dat op rijksniveau vanaf 2020 gewerkt wordt”. Om daar een beeld van te krijgen is de NOVI-2020 een aardige aanzet, maar ik ben vooral benieuwd naar die permanente bijstelling en aanscherping via de jaarlijkse Nationale NOVI-conferentie, de tweejaarlijkse PBL-Monitor en de vierjaarlijkse uitgebreide Beleidsevaluatie. Wanneer dat een beetje goed en inhoudelijk gepland wordt krijgen we steeds een bijdetijds antwoord op die vraag.
Of dat allemaal onder productie en regie van het ministerie van BZK of van een herboren VROM moet gaan weet ik niet en maakt me ook niet veel uit. In ieder geval lijkt me het optuigen van een Rijksomgevingsvisionaire Dienst een eerste begin. En wanneer we daarin goede ruimtelijke ordenaars en slimme professionals op het gebied van digitale speltechnieken en communicatievormen bijeen zetten, krijgen we misschien zelfs weer plezier in het vormgeven van de regelings-, besluitvormings- en realisatieprocessen van stad en land.  En overigens ben ik van mening dat in de NOVI de reserveringslocatie voor een kerncentrale in Groningen geschrapt had moeten worden.

De omgevallen boekenkast | Stedevaart

Door Tjerk Ruimschotel

Wie, nu we weer op reis (en vakantie) lijken te mogen, het recent verschenen boek Stedevaart er op na slaat om een leuke stedentrip te vinden, komt bedrogen uit.

Maar het boek is desondanks zeker een aanrader voor stedebouwkundigen en planologen, vooral voor wat het wel is én vanwege het feit dat ook duidelijk wordt wat er op ons terrein nog niet geschreven en uitgegeven is. Zo ben ik nog steeds op zoek naar goede gidsen en overzichtswerken voor het professioneel reizen naar en bezoeken van landen, streken, steden en plaatsen.

Enigszins op het verkeerde been gezet door recensies, quotes en de flaptekst vroeg ik een recensie-exemplaar aan. Op de flaptekst wordt de lezer beloofd dat hij door de auteur, Jan Brokken, mee op reis wordt genomen naar “22 steden, aan de hand van 22 markante persoonlijkheden die de geest van de stad incarneren.” Waarna een achttal duo’s wordt beschreven. Op de achterbinnenflap wordt dat nader uitgewerkt: “ In Stedevaart komen 22 steden en plaatsen aan bod”, waarna alle plaatsen en personen (met beroep) worden opgesomd. Die 22 klopt en ‘steden en plaatsen’ ook want naast (Europese) wereldsteden als Berlijn, Parijs en Sint-Petersburg komen plaatsen als Middelharnis, Aizpute en Arcachon (met inwoners rond de 10.000) voor. En over zijn woontijd op het eiland Curaçao noemt Brokken niet Willemstad (150.000 inw), maar twee wijken daarvan: Otrobanda en Marie Pompoen. Het gaat de auteur dan ook minder om steden, maar meer om plaatsen/plekken die betekenis hebben gehad voor de betreffende personen. Het ontbreken van de tussen-N in de titel wordt dan begrijpelijk.

Het boek is dan ook geen stedengids, zoals Lonely Planets Ultieme stedentrips; Inspiratie uit de beste steden van de wereld. En het is ook geen architectuur- laat staan een stedebouwgids; zo’n gids wijst de weg (in ruimte en tijd) in de architectonisch-stedebouwkundige productie van een bepaald gebied en omvat een logisch geografisch overzicht bij voorkeur via kaartmateriaal.

De verzameling steden van Brokken is niet geheel evident. Van de 22 verhalen zijn 13 in Zuid/West Europa gesitueerd, 4 in Oost-Europa, twee in Afrika, één in Japan en twee in de Nederlandse Antillen. Vier verhalen spelen zich af in miljoenensteden, drie in dorpen, maar het merendeel in de door Brokken gewaardeerde middelgrote provinciesteden “…met alle voorzieningen en geneugten die een beetje woonplaats moet hebben.” Er is geen inleiding terwijl de verantwoording alleen uitgebreid ingaat op de schrijf- en drukgeschiedenis van de afzonderlijke hoofdstukken. De meeste verhalen zijn eerder verschenen en soms voor deze bundel bewerkt, maar het boek is ook geen strikt autobiografisch-chronologische beschrijving van de door de auteur bezochte en bewoonde plaatsen. Toch lijkt vooral in de verhalen over de kleinere plaatsen Brokken zelf het belangrijkste personage te zijn en ergens (op pagina 259) stelt hij dat “ … door te reizen en door te lezen je telkens kleine stukjes toevoegt aan je eigen autobiografie.” Grappig dat hij hier lezen schrijft waar je schrijven verwachtte, maar de systematiek van de besproken steden/personages blijft me ontgaan. De helft van de personen die het wezen van de stad zouden belichamen zijn schilders en/of componisten. Maar het boek gaat niet over schilders en de stad die ze geschilderd hebben, zoals Canaletto en Venetië (en London) of Berkheyde en Amsterdam (en Haarlem). Of componisten die onlosmakelijk met een stad verbonden zijn zoals Mozart met Salzburg of Wagner met Bayreuth. Van de overige elf personen is ruim de helft schrijver, waaronder Brokken zelf. Van de ruim twintig personen is er slechts één vrouw, de botanist Eva Mameli Calvino, maar die is ook ‘de moeder van…”.

Stedevaart gaat echter niet over schrijvers die steden en stedelingen beschreven hebben zoals Berlin Alexanderplatz; Die Geschichte vom Franz Biberkopf uit 1929 van Alfred Döblin en onvergetelijk verfilmd door Fassbinder in 1980. Of over steden met rijke literaire associaties zoals Dublin en Split, en zelfs niet over steden waar de aanleg van een bibliotheek een regeneratieve betekenis heeft gehad, zoals Spijkenisse, Tilburg of Groningen om me tot Nederland te beperken. En hoewel Calatrava en Gehry als enige architecten opgevoerd worden gaat het ook niet over die plaatsen waar de aanleg van een iconisch museum, kunstcentrum of operagebouw een stadsontwikkelingsproces bespoedigd heeft. Zelfs geen rondrit langs de Europese (al dan niet culturele) hoofdsteden, maar ook niet langs veelal door de gebruikelijke stadsbeschrijvers gemeden steden. En het is ook niet zo dat de plaatsen via de besproken personen zo bijzonder zijn, integendeel: letterlijk wordt van Port Louis, de hoofdstad van Mauritius (in de Indische Oceaan) gezegd: “een volslagen, oninteressante stad” op de Chinese wijk na, de markt, een geurige kleurige tropische markt, en Villa Eureka. Het is overigens voor mij een ontdekking te merken dat bij sommigen, zoals bij Brokken, steden en plaatsen niet direct ruimtelijke associaties oproepen.

De allereerste zin van Stedevaart had al een waarschuwing moeten zijn: “Mahlers voorliefde voor Amsterdam had weinig met de stad zelf te maken. En inderdaad wie hoopte aan de hand van de componist Mahler de stad Amsterdam (nog) beter te leren kennen, kan het boek meteen weer neerleggen, want dat in Amsterdam veel van Mahlers werk uitgevoerd zou worden is niet direct geografisch verhelderende informatie. Bij het tweede verhaal begrijp je Brokken weer wat beter wanneer hij Bologna, de stad van (de schilder) Morandi beschrijft: “… niet groots of imponerend. Wel mooi, op een bescheiden uniforme manier, met duizenden eendere daken …” maar verder blijven de stadsbeschrijvingen tamelijk impliciet. Over Venetië lees ik vooral dat je er kunt verdwalen (in het pre-smartphone tijdperk). Waar Brokken expliciet over een stad schrijft gaat hij vooral in op het meest kenmerkende gebouw in die stad, zoals in de stukken over de bekende combi’s Valencia/Calatrava en Bilbao/Gehry. En ook bij het minder bekende Yamoussoukro, de nieuw-aangelegde hoofdstad van Ivoorkust bespreekt hij (naast de enige politicus in het boek Félix Houphouët-Boigny) vooral de bouw van de basiliek Notre-Dame de la Paix, een replica van de Sint Pieter in Rome, maar net iets groter.

Nadat ik een (vrijwel gelijke) eerdere versie van dit verhaal had gelezen in het themanummer De Grenzeloze Stad van De Gids uit 2009, raakte ik hevig gefascineerd door Afrikaanse architectuur en stadsontwikkeling, en door het verlangen van regeringen en regeringsleiders naar nieuwe hoofdsteden, zonder nou direct af te willen reizen naar West-Afrika.

En ook dit keer had ik, tijdens het lezen, nauwelijks de neiging om naar de beschreven plaatsen te gaan. Ik had daarentegen wel sterk het gevoel meer te willen lezen/zien van en luisteren naar de besproken personen. De meest interessante leek me Mikalojus Ciurlions schilder en componist in Vilnius, hoewel zijn symbolische (dus ietwat vaag zweverige) fantasiesteden en –landschappen niet direct mijn smaak zijn. De overige kunstenaars en componisten zijn gerubriceerd onder ‘tzt’.

Architecten als Calatrava blijf ik minder interessant vinden, en ook de gebouwen van Gehry roepen irritatie bij me op, maar ik moet toegeven dat ik, na het lezen van Paul Goldbergers Building Art; the Life and Work of Frank Gehry geraakt werd door het lagere schoolproject dat Frank (met zijn zus Doreen) opzette om kinderen te leren hoe je stedebouw bedrijft.

Deze video wordt niet getoond omdat er (nog) niet akkoord is gegaan met het plaatsen van cookies.
Wijzig keuze

De film Kid City uit 1972 geeft daar een ontroerend beeld van en was voor mij aanleiding twee nieuwe dossiers te starten: Kinderen & Stedebouw en Films & Stedebouw. Bij mij leidt lezen vrijwel altijd tot meer (willen) lezen en meer zoektochten op het internet. Wat dat betreft is Stedevaart een zeer inspirerend boek en een waardevolle bijdrage aan mijn autobiografie.

Omdat ik ooit een tijdje op Curaçao gewoond heb, staat op mijn bucketlist als eerste het herlezen van overzeese schrijvers als Tip Marugg (De morgen loeit weer aan)en Boeli van Leeuwen (De rots der struikeling).

En natuurlijk ook Cola Debrot, hoewel ik bang ben dat de novelle uit 1935 waarmee deze grondlegger van de Antilliaans-Nederlandse literatuur bekend werd (Mijn zuster de negerin) tegenwoordig geheel anders getiteld zou moeten worden.

Al zou ik geen idee hebben hoe dit zou kunnen zonder in een oeverloos gender- en/of raciaal debat terecht te komen. Verder bestel ik voor de vakantie in Balkonië  en Bad Meingarten wat stedebouwkundige publicaties en het Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin van Jan Brokken, voordat deze ontdekkingsreis naar de wortels van de Antilliaanse muziek en de Europese invloed die daarin doorklinkt, vanwege culturele toe-eigening dan wel witte dominantie niet meer verkrijgbaar mag zijn.

De omgevallen boekenkast | virtuele realiteit

Door Tjerk Ruimschotel

Terwijl anders mijn maandelijkse google tijdlijnen zevenmijlslaarsachtige voetafdrukken vertonen, waren die van de maanden april en mei eerder die van een klein duimpje. De aanwijzingen van onze overheid opvolgend ben ik maar op één plaats geweest: thuis.

In de jaren zeventig baarde een architect enig opzien door een huis te ontwerpen zonder ramen, want, zo zei hij, op televisie zijn veel meer en mooiere dingen te zien dan de tuintjes en straten waar de bewoners anders op uit gekeken zouden hebben. En inderdaad waren op televisie, tablets en smartphones de afgelopen maanden veel meer dingen te zien geweest dan dat wat ik uit het raam kijkend zag. Zo ongeveer alle papieren en digitale tijdschriften, kranten en andere platforms hebben ons gevoed, overvloedig mag ik wel zeggen, met al dan niet gratis films en series die we nog moesten zien en wie niet kon wachten totdat we weer fysiek op vakantie mochten, kon de de ene na de andere virtuele reis maken door landschappen, steden en musea – eventueel gekoppeld aan de loopband of hometrainer. In plaats van domweg je balkon op en neer te marathonnen, kon je nu beweging en visuele ervaring koppelen. Dat deed me denken aan een extreem voorbeeld van ontsnappingsliteratuur dat ik ooit las. Ver voor de digitale virtuele realiteiten die ons nu voorgeschoteld worden, moest je je verbeelding gebruiken wanneer je een reisboek las of een atlas bestudeerde. In gedachten waande je je dan in andere landen, op de maan of twintigduizend mijl onder zee.

In het boek Albert Speer; His Battle with Truth van Gitta Sereny uit 1995, vertelt Hitlers architect en Minister van Bewapening hoe hij zijn dagelijkse wandelingetje op de binnenplaats van de gevangenis in Spandau zinvol probeerde te maken. Allereerst door in gedachten de 626 kilometer lange reis van Berlijn naar zijn vaderlijk huis te lopen. Binnen een half jaar had hij met een gemiddeld dagreis van 7 kilometer Heidelberg bereikt. Daar (denkbeeldig) aangekomen wilde Speer op een iets minder abstracte manier via Wenen richting Istanboel reizen en besloot een ‘Reis om de Wereld’ te maken. Tegen Sereny zegt hij: “Na de wandelingen voorbereid te hebben door kaarten, reisverhalen en kunstgeschiedenisboeken te bestuderen, richtte ik me in mijn fantasie op de verschillen in landschappen, rivieren, bloemen, planten, bomen en rotsen. In de steden waar ik doorheen kwam, dacht ik aan kerken, musea, grote gebouwen en kunstwerken ”.

Toen hij na twintig jaar vrijgelaten werd, had hij, naar eigen zeggen (in Speer in Spandau; dagboeken,1976) nauwgezet bijgehouden, 31.936 kilometers afgelegd en was hij iets ten zuiden van Guadalajara in Mexico uitgekomen. Of ook dit een verzinsel of verdraaiing is, is in wezen niet belangrijk.

Zoals Benjamin Tiven in zijn artikel Dear Catastrophe Architect; Albert Speer and the Garden of Spandau (verschenen in het Bidouin – Failurenummer van zomer 2007) aan geeft loopt Speer in Spandau niet naar de toekomst maar (her)beleeft hij voortdurend zijn verleden. Niven betoogt dat toen Speer lid werd van de nazipartij hij een wereldvreemde en mislukte architect was. Maar zó bedreven in het behagen van de Führer dat hij de toonaangevende architect in Duitsland werd zonder zijn studie echt af te ronden. Speers ‘Wanderjahre’, de reizen die je onderneemt als onderdeel van je vorming, kwam laat bij hem. In de gevangenis keerde Speer terug naar de basis van ons vak: lopen. De ordening van ruimte, fysiek of symbolisch, hangt af van het feit dat die ruimte wordt ervaren, afgebakend, in kaart gebracht en begrepen door een mens, aldus Tiven.

Dit deed me onwillekeurig terugdenken aan mijn eigen ‘Wanderjahre’, temeer omdat zeer onlangs bekend werd dat Christo op 84 jarige leeftijd was overleden. Een jaar voor mijn afstuderen kon ik een rondreis door de Verenigde Staten maken; beginnend in Boston en via Chicago, San Francisco, Los Angeles en New York weer naar huis. Verder ging de reis, vanzelfsprekend autorijdend, door oneindige landbouwgebieden en tijdloze monumentale natuurgebieden. Belangrijke tussenstop, of misschien wel einddoel, was het bezoek aan Running Fence, het 40 kilometerlange kunstwerk van 6 meter hoog gordijndoek dat Christo daar in het wat saaie landschap ten noorden van San Francisco tijdelijk bouwde. Maar dat in ontelbare foto’s, films, tijdschriften en boeken vastgelegd is, waaronder het tweestoeptegelsdikke Christo Running Fence in beperkte oplage (met stukje doek erbij) uitgegeven in 1978.

Onderweg kocht en las ik een bescheiden stapeltje boeken. In New York las ik, het toen net verschenen, monumentale, meer dan 1100 pagina’s dikke en terecht met een Pullitzerprijs bekroonde boek van Robert A. Caro The Power Broker; Robert Moses and the Fall of New York 1975.

Op weg naar Los Angeles uiteraard Los Angeles: The Architecture of Four Ecologies, uit 1971 van Reyner Banham, die schreef dat hij leerde autorijden om die stad te begrijpen.

Ook geestverruimend, ook a Pelican book en ook voorzien van een prachtige voorplaat was het boek Mental Maps uit 1974 van Peter Gould en Rodney White.

En natuurlijk ook de bestseller van die dagen Zen and the Art of Motorcycle Maintance; An Inquiry into Values, van Robert M. Pirsig uit 1973 over ‘The Fabulous Journey of a Man in search of Himself’.

Na die reis kon ik beginnen met de laatste fase van mijn studie. Ik schreef over de betekenis van de kunst van Christo voor architectuur en stedebouw in wonen-TA/BK van augustus 1977 onder andere het artikel Bijdrage aan bestrijding van een onbegrepen omgeving. Voor mij was de essentie van zijn werk dat de persoonlijke wens om iets te maken, alleen zin heeft wanneer dat door zo veel mogelijk mensen meebeleefd en begrepen kon worden. Als het leidt naar ‘een collectieve ervaring in ruimte en tijd’. Ik studeerde individueel af op een plan voor het bewoonbaar maken van het Eiland van Dordrecht voor een kwart miljoen mensen.

De Coronacrisis heeft niet alleen bepaalde dingen uitgesteld, daar komen we wel overheen. Sommige mensen zijn in de tussentijd overleden en of dat inpakken van de Arc de Triomphe nu nog doorgaat is onzeker. Maar wel de realiteit. De echte, geen digitale.

 

Social Distancing Dashboard biedt routekaart voor stadsbewoners | TU Delft & AMS Institute

De eerste voorzichtige stappen zijn gezet om de COVID-19 lockdown te versoepelen. Voetgangers en fietsers keren terug naar de straten van de stad. Nu het drukker wordt, kan het bewaren van de afstand van 1,5 meter in veel stedelijke gebieden een uitdaging zijn vanwege de manier waarop de openbare ruimte is ontworpen. Om hier meer inzicht in te krijgen, hebben wetenschappers van de TU Delft in samenwerking met AMS Institute het Social Distancing Dashboard ontwikkeld.

Het Social Distancing Dashboard maakt stadsplattegronden die op straat- en wijkniveau laten zien of het mogelijk is om de afstand van 1,5 meter in de openbare ruimte na te leven. Het dashboard brengt een overzicht in kaart van verschillende factoren die daar invloed op hebben, zoals de breedte van voetpaden en de locaties van bushaltes.

Open toegankelijk

De kaarten zijn open toegankelijk en beschikbaar voor gebruik voor beleidsmakers die belast zijn met het nemen van beslissingen over volksgezondheid en stadsplanners, die werken aan COVID-19 gerelateerde interventies voor steden. Het dashboard is ook bedoeld om bewustzijn te creëren bij bewoners, die zich zo veilig mogelijk door de straten van de stad willen verplaatsen.

Het team van onderzoekers, onder leiding van de assistent-professor van de faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft en research fellow bij AMS Institute, Dr. Achilleas Psyllidis, gaf het startschot voor het project met een routekaart van Amsterdam. Meer dashboards zijn in de maak voor andere steden zoals Rotterdam, Delft en Den Haag.

Data-gedreven ontwerp

Om de breedte van de voetpaden automatisch in te schatten en in te delen volgens een risicoprofiel combineert het Social Distancing Dashboard gegevens vanuit meerdere bronnen: de Basisregistratie Grootschalige Topografie, het Centraal Bureau voor de Statistiek en OpenStreetMap. Het gebruik van deze hoge resolutie datasets maken het mogelijk om analyses uit te voeren op verschillende schaalniveaus. Variërend van postcodegebieden tot buurt-, wijk-, stads- en regionale niveaus.

Bewegen in de stad op afstand

Om op een voetpad te voldoen aan de 1,5 meter afstandsregel, zou het idealiter mogelijk moeten zijn dat twee mensen naast elkaar lopen in dezelfde of in tegengestelde richting zonder van het voetpad af te stappen. Dit betekent dat het voetpad minimaal 2,5 tot 3 meter breed moet zijn. Daarom kleuren veel straten aan de grachtengordel van het centrum van Amsterdam op de kaart rood. Een patroon wat voor veel van de kenmerkende smalle straten in historische stadscentra zal gelden, ook internationaal.

 

Niet geschrokken door het rood op de kaart ziet de gemeente Amsterdam het Social Distancing Dashboard als een kans. Chief Technology Officer, Ger Baron: “Deze kaart visualiseert de uitdaging van bewoners om te leven in de 1,5 meter samenleving en de uitdaging van gemeentes en overheden om deze te ontwerpen. We kunnen deze kaart inzetten om straten die op de kaart rood en oranje gemarkeerd worden te vergelijken met de werkelijke situatie op straat. De data helpt ons bij het bedenken van interventies, nieuwe manieren om de openbare ruimte te organiseren en om op een transparante manier samen te werken met burgers en bedrijven”.

Overgangsfase

Dr. Psyllidis: “Deze COVID-19-crisis heeft opnieuw het belang van data aangetoond  om besluitvorming te ondersteunen bij het ontwerpen van strategieën die steden en landen kunnen helpen bij de ‘overgangsfase’ naar een nieuwe werkelijkheid. Wij zijn van mening dat alle belanghebbenden in de stad moeten kunnen beschikken over instrumenten die kunnen helpen bij het maken van de juiste keuzes. Of dat nu op persoonlijk niveau is of op gemeentelijk niveau. Kennis is nodig om goede oplossingen te ontwerpen in de juiste context. Ons Social Distancing Dashboard project is een voorbeeld van hoe we kunnen bijdragen aan kennis en inzicht ten behoeve van besluitvorming over COVID-19 gerelateerde aanpassingen in de stedelijke planning.”

Vervolgstappen

Het doel van het Social Distancing Dashboard is om een overzicht te geven van verschillende aspecten die ervoor zorgen of er wel of niet aan de 1,5 meter afstandsregel kan worden voldaan. Het huidige dashboard bevat informatie over de breedte van de stoep en de locaties van het openbaar vervoer. Aangezien er meer factoren van invloed zijn, gaan de onderzoekers ook informatie opnemen over faciliteiten zoals supermarkten of andere locaties waar veel mensen komen. Daarnaast worden andere soorten data toegevoegd, zoals mobiliteitsgegevens en druktemetingen.

Automatische berekeningen

Het Social Distancing Dashboard wordt automatisch berekend, waardoor er een kleine foutmarge kan zijn. De Basisregistratie Grootschalige Topografie biedt de beste digitale kaart van Nederland, maar houdt nog geen rekening met nieuwe interventies die door verschillende gemeenten worden doorgevoerd om extra ruimte te creëren voor de 1,5 meter samenleving, bijvoorbeeld door het blokkeren van het autoverkeer op sommige plekken. Het onderzoeksteam is van plan om nauw samen te werken met geïnteresseerde gemeenten, om de gegevens te actualiseren en dichter bij de huidige praktijk te brengen.

Met dank aan TU Delft en AMS Institute  voor het delen van dit bericht

Meer informatie:

Social Distancing Dashboard

Beschrijvingspagina

TU Delft website

Covid 19 | The Planner: Bart Stuart en Klaar van der Lippe | Buro Spelen

Door omstandigheden werken we deze maanden vanuit Antwerpen Zuid. Als kunstenaars actief in ruimtelijke ordening in Nederland, kijken we ook hier kritisch en opgewekt naar de stad. Belgie voelt anders dan Nederland. Het is anders stil op straat. Grimmiger. Maatregels op dit moment van kracht creëren een dystopische sfeer. Een beetje als in de science-fiction serie ‘The handmaidstale’.  Een sfeer van Surveillance, Overal in de stad tijdelijke camera’s. Agenten en handhavers patrouilleren op pleinen. In de Jodenbuurt loopt het leger rond, compleet met roadblocks en pantserwagens om de diamantairs te beschermen.  Om je te mogen verplaatsen, zijn officiele attesten nodig . Kortom: buitengewone toestanden.

We houden ons aan de regels en beperken ons stedelijk onderzoeksgebied tot 1 kilometer vanaf ons verblijfsadres. Tijdens onze dagelijkse toegestane wandeling ontdekken we dat het bouwen in en aan de stad toch door gaat. Achter een grote leegstaande sociale woningbouwflat aan de Gentplaats, vlak bij de Schelde, wordt door de ontwikkelaar ‘Tripple living’ een exclusieve wijk ontwikkeld: Nieuw Zuid.  Duur wonen in ‘ecologische setting’: Centrale warmte voorziening, waterberging in openbaar gebied. Topstuk is een ‘groene’ woontoren met 86 bomen en 1000 struiken van Italiaanse (st)architect Stefano Boerie. Door de lockdown stilte en fris blauwe lucht lijkt wat er staat griezelig veel op de render. Ikea gebouwen, denk aan badkamerrekjes en prullenplankjes, staan immaterieel en contextloos in compositie. Frêle boompjes en ingezaaide wilde bloemen bewegen zachtjes in de wind. Kunst galeries, wel ‘wegens COVID gesloten’, in de plint. Bewoners zijn schaars. Af en toe een rokend silhouet in de ‘privé buitenruimte met schitterend zicht op de Schelde’. Alleen een vrouw in strakke imitatie Gucci die haar te dikke hond laat kakken in gemeenschappelijke tuin valt uit de toon. Later begrijpen we dat de bewoners van de lege flat voor een klein deel hier zijn ondergebracht. Een andere verrassing is de ruw betonnen museum bunker. De enige vreemde niet Ikea eend in de wijk.

Dok Zuid- Definitief ontwerp – de kroon als groene omkadering van de tafels © AG VESPA, Tractebel – ADR Architects – Georges Descombes i.s.m. Les Eclairistes Associés & Erik De Waele

In 1885 wordt het plan voor “het Zuid”, een particuliere stads-ontwikkeling, door de gemeente Antwerpen goedgekeurd. Een Hausmanniaans totaalconcept, voor wonen werken en cultuur en economie. Door de neo-classisistische grandeur in de volksmond ‘petit Paris’ genoemd. Onderdeel is ook het museum voor Schone kunsten. Een pompeus gebouw, compleet met tempelfront en bronzen strijdwagens op het dak. Het herbergt een grote collectie belangrijke nationale kunstwerken. De dokken, 8 meter diep, afgesloten van de getijden van de Schelde door sluizen een belangrijk deel van de haven. Het Zuiderpershuis levert de hydrauliek om kranen sluizen en de bruggen te bedienen, een staaltje van moderne techniek. Het is een state of the art stadshaven voor overslag, handel en opslag van ruwe grondstoffen. Ernaast een groot spoorweg emplacement om goederen op de rails verder te verplaatsen. Tekenend voor de ambities van het plan: in 1894 vindt in “het Zuid” een wereldtentoonstelling plaats.

Hier applaudisseert men sinds 21 maart iedere avond om 20.00 uur voor de zorg en voor diegene die doorwerken om het openbaar leven mogelijk te houden. Twee minuten lang. Het is fraai om te zien hoe 1 minuut voor 8 nog niemand aanwezig lijkt. Dan, miraculeus, 20 seconden voor acht gaan de ramen 1 voor 1 open. Het klappen begint. Men knikt en groet elkaar. Want het is meer dan een eerbetoon, het is ook een sociaal moment. Even contact. De rest van de dag blijft men gehoorzaam binnen.

Uiteindelijk is het ook de moderne mentaliteit die het einde betekent van de stadshaven op Zuid. Door schaalvergroting en mechanisatie schuift de haven in de jaren 60 door naar het Noorden. De dokken worden in 1969 weer gedempt. Het levendige en economisch belangrijk haven-district wordt een volkswijk met lage inkomens en ook veel gastarbeiders. Een klassieke en ongeplande gemengde wijk. Nog steeds levendig en als ruimte in de stad een erg interessant, bruisend en diverse stadswijk. De vele pakhuizen zijn perfect als spontane transformatie geent op het eerdere concept uit 1885 als cultuurdistrict, voor theaters, cafe’s, werkruimtes en ateliers voor kunstenaars. Ruim en betaalbaar.

Onze rol als betrokken actievoerders in de ruimtelijke planning kunnen we nu slechts met afstand vervullen. Inspraak is niet langer fysiek mogelijk, maar, meldt opgewekt de website van de gemeente: u kunt wel een email sturen met uw bezwaar. Dit half A4-tje wordt dan doorgestuurd naar de betreffende raads- of commissieleden. ‘Uw mening wordt meegenomen in de besluitvorming.’  Social distancing lijkt voor het functioneren van bestuurlijk apparaat niet echt een belemmering. Vlot passeren via digitale vergaderingen enkele controversiële en spraakmakende dossiers. Bijvoorbeeld in Amsterdam de Warmtevisie. Nationaal over biomassacentrales voor de komende 25 jaar, en op lokale schaal de ontruiming van de laatste alternatieve plekken. Nu levend protesteren is uitgesloten zijn we teruggeworpen op digitale woede. Toch niet hetzelfde. Met schrik constateren we dat we pas na de zomer, eerst lockdown, dan reces, weer een ambtenaar in het echt zullen tegenkomen. Want ons belang, de vrije ruimte, is niet ondergebracht in de reguliere overleggen.

Aan het einde van onze straat staat iedere dag een lange rij. De bakker op de hoek is een van de chicste van Antwerpen. Veel in deze buurt is het beste of het fijnste. Zuid is niet langer opkomend. Het is gearriveerd. Onze gastheren getuigen. Zij hebben het pand in 1985 gekocht van een autosloper. Op de begane grond woonden oude mannetjes die alles verzamelden wat ze langs de straat vonden. De buurt was wild. Thuis voor de zelf-regelaars. Het paste hen, theatermakers, als een handschoen. Nu zijn ze door de aankoop van destijds een thuishaven -op papier- vastgoedmiljonairs. Ateliers werden lofts. Etages studio’s. En iedereen grijzer, rijker en beroemder. Zij zijn opnieuw uitzondering. Eerst door hun geletterdheid, nu door hun gebrek aan deftigheid.

Het groene behang van Nieuw Zuid geeft hier iedereen een goed gevoel. Sterker: het is het verkoop-argument. Thuis vinden we de folder: unieke kans op groene starchitectuur van Boeri. Circulair, groen eco. Alles buitelt over elkaar heen in de beschrijving van een betonnen woontoren met hooguit wat schaamgroen. In de huidige onzekerheid over de toekomst leest de promo als een absurdistische grap. De lockdown maakt het mogelijk dat we het heden even als een voltooid verleden kunnen zien. Nu we in de letterlijke tussentijd de balans opmaken voelt het dubbel vreemd dat de bouw ondertussen onverstoorbaar doorgaat. Een beetje alsof  we blijven stofzuigen terwijl het huis in brand staat.

De invoering van de NOVI in Nederland is uitgesteld wegens Corona. Tenminste, ook nog Corona bovenop de problemen met de DSO, de data component van de omgevingswet. Goed, vinden experts, want dan hebben gemeenten meer tijd om alles voor te bereiden. Nu gemeenten alleen digitaal overleggen, en de invoering van de NOVI tot onbekende tijd is uitgesteld blijft de burger met weinig democratisch gereedschap achter. Terwijl juist nu grote besluiten worden genomen over de toekomst. Zo kan onbedoeld social distancing kan zomaar democratic distancing worden.

De volgende toegestane verplaatsing is naar een grote kuil aan de Kaai. De transformatie van wat eens de dokken van het Zuid waren.  De gedempte kaaien fungeerden decennia lang als parkeer- terrein, voornamelijk voor auto’s. Ook circussen en fairs, festivals en de Sinksefoor -een waanzinnig grote kermis- vonden daar plaats. We herinneren ons een groot theater festival: De Boulevard Brokendreams. Theatergroepen, zoals de Internationale Nieuw Scene, stadsnomaden, een potten café, de Turkse en Marokkaanse community, in co-existentie. Samenleven samen met en door elkaar!! Geweldig! Een grote stelplaats en schuifruimte voor culturele, maatschappelijke dynamiek. Met de komst van het Muhka-museum in 1982 voor hedendaagse kunst- maakten het compleet tot een cultureel district in het NU. In de kuil wordt gewerkt aan nog een groene illusie. Ondergronds parkeren, 4 lagen diep. Park er bovenop. In de render dezelfde dunne bomen en dunne mensen.

Onze buren komen enthousiast thuis en doen een Tesla na. Een straat verder toonde de trotse eigenaar hem aan zijn zoon. Met deuren die omhoog opengaan! Met een begeleidende tune! Ze bewegen hun armen langzaam omhoog en omlaag. Zoemen. En over zonen gesproken. De betonnen galerie in Nieuw Zuid is een kadootje van de betonbaron vader Delaere aan zijn kunstlievende zoon Tim. Er was nog een plekje over en hij wilde het zo graag..

Zien wij wel de juiste crisis? Wat ons betreft is de COVID pandemie onze eigen schuld. Uitkomst van dezelfde overmoed die de klimaatcrisis veroorzaakt.  Anderen noemen het een ongeluk, pech. Er lijkt bij regeringen consensus te bestaan over dat laatste. Ruimhartig steunen ze boeren, industrie en vliegtuigmaatschappijen. Om de pechpijn te verzachten. Het lijkt of de discussie over klimaatverandering, de klimaat urgentie, zoals Rutte braaf meestribbelde, vergeten is. In plaats van de door corona crisis verzwakte klimaatontwrichtende bedrijfstakken weg te saneren, brengen we ze terug op oud kwalijk niveau. Corona had als hefboom voor klimaatmaatregelen kunnen werken, het wordt nu een excuus voor uitstel. Op de achtergrond doen sommige lobbyisten heel goed werk…

Ondertussen is het de zoveelste warme en zonnige dag. ‘Transformatie!’ roepen de borden naast de kuil. Geweldig begrip: transformatie. Van oud en overbodig naar nieuw en gewenst. Ontwikkeling door sturing. Niets toevallig of lukraak. Controle. De dokken worden parkeergarages voor 2000 auto’s. Bovenop komt een Park! Terwijl het bord lezen beseffen hoe relatief het begrip is. Hoe versluierend ook.  Q-park Belgium N.V. legt een ondergrondse structuur aan, vele 10.000 m3 beton gaan de grond in. Aan de randen zien we nog de oude hardstenen/ gemetselde wand van het oorspronkelijke dok. Wat hier gebeurt is voor altijd. Niemand gaat dit beton meer weghalen. Hoe relatief de toekomst is beleven we nu. Gaat er nog geparkeerd worden? Willen we al die donkere lage vierkante meters nog?De groene toplaag is windowdressing om te verhullen dat hiermee het hart van het district al is verpatst aan de hoogste bieder. Hier is geen schuifruimte meer voor maatschappelijke dynamiek.

Voor KLM 4000 miljoen, voor cultuur 300 miljoen. Let wel. Voor de culturele basis infrastructuur: grote musea en theaters. Prestigieuze gebouwen en beheerslasten vormen een groot deel van het budget. Vastgoed vaak in eigendom van de gemeente of het rijk zelf. Rondpompsubsidie. Voor de makers is er niets. Terwijl juist cultuur getroffen wordt door de 1,5 meter economie. Wat extra steekt is dat het verlies van de KLM als een nationale identiteitscrisis wordt gebracht, onze cultuur verliezen is maar een bijzaak. ‘Waarom hebben jullie dan geen lobby?’ vraagt een ondernemer ons verbaasd. We dachten dat we die niet nodig hadden. Wij gingen juist over het andere, de zachte maar eeuwige waarden.. Je hebt toch alleen een lobby nodig als je belang niet vast staat? Niemand heeft het gepland, niemand heeft het gevraagd, toch gebeurt het.

Economie draait om de belofte van de verandering van het ene in het andere. Tot in het oneindige. Zo wordt parkeren een park. Een atelier een galerie, een galerie een ‘trekker’ in een vastgoedstrategie. Tot het niet meer waar is. Verandering niet meer mogelijk is. Het is de warmste en droogste april ooit dit jaar. We kijken in de kuil vol beton. De renders van het toekomstig park beloven een eindeloze namiddag. Oplevering 2025.

Transformatie is een mentaliteit. Je moet durven ongelijk te hebben. Dat is de grootste uitdaging nu. Durven we na de opgelegde stilstand echt stil te staan. Durven we door te veranderen? Zijn we bereid de kuil de kuil te laten? Transformatie is ook met anderen willen praten dan die vanzelfsprekend vertegenwoordigd zijn. De afgelopen weken is pijnlijk duidelijk geworden dat de burger applaudisseren mag, beslissen en plannen gebeurt elders.

Scherp opletten is geboden, anders facilliteren we zonder plan de transformatie van Social distancing naar democratic distancing.

Foto’s: Buro Spelen

Niets doen is wél een optie | Wouter Veldhuis | MUST

Foto Unsplash/@tandemxvisuals

Door Wouter Veldhuis

Toen mijn vader nog huisarts was, keken wij ’s avonds vaak naar ‘Vinger aan de Pols’. Het televisieprogramma over ziekte en gezondheid, gepresenteerd door de onvolprezen Ria Bremer. Niet omdat mijn vader dit nodig vond voor mijn opvoeding of zijn bijscholing. Wel om zich voor te bereiden op de grote toeloop van patiënten die de daaropvolgende dagen allemaal met dezelfde gezondheidszorgen in zijn spreekkamer zaten. Net als bij zoveel andere klachten was zijn belangrijkste medicijn een goed gesprek waarmee deze zorgen werden weggenomen.

Als docent aan de Rotterdamse Academie van Bouwkunst heb ik vergelijkbare ervaringen. Er lopen veel studenten rond met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Fantastisch – maar het kompas van sommigen is heel erg gevoelig voor de wekelijkse uitzendingen van ‘Tegenlicht’ of ‘Zembla’. En dan wordt het lastig om goede begeleiding te geven. De ene week is digitalisering van de leefomgeving het leitmotief. Een week later is het hele ontwerp omgegooid omdat de studenten een uitzending hebben gezien over de impact van genetische manipulatie in de landbouw.

(www.anderhalvemeterstore.nl)

Architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten doen niets liever dan vraagstukken oplossen. Wat dat betreft zijn het net wiskundigen. Geef ze een puzzel en ze gaan direct aan de slag om een elegante ruimtelijke oplossing te bedenken. En precies dat is de grootste valkuil, waar veel van mijn vakgenoten op dit moment met open ogen intuinen; we zien het dagelijks leven om ons heen instorten door een bijzonder venijnig virus en gaan onmiddellijk op zoek naar een ruimtelijk medicijn.

Verzetsbeweging tegen ‘het nieuwe normaal’

Het heilig vuur van de ontwerpers werd aangewakkerd door een opmerking van premier Rutte: ‘Houdt er rekening mee dat de anderhalvemetersamenleving het nieuwe normaal zal zijn’. Binnen 24 uur hadden enkele architecten al plannen klaarliggen voor gebouwen die aan de 1,5 meter-norm voldoen. Stedenbouwkundigen hadden binnen 48 uur visies om die gevaarlijk pandemische steden ingrijpend te verbouwen zodat er geen enkel risico meer is dat mensen elkaar fysiek tegen het lijf lopen. En landschapsarchitecten zagen hun kans schoon om voorstellen te tekenen waarin straten en parken keurig uitgelijnd zijn op een grid van 3 meter, de nieuwe gulden snede.

En ik? Ik moest elke keer denken aan die studenten die elke week zo in de war raken van een uitzending van ‘Tegenlicht’ en die patiënten in mijn vaders spreekkamer met de gezondheidsklacht van de week. Tijdens een Zoom-borrel van MUST deelde ik mijn gedachten met mijn collega-architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten. En al pratend kwamen wij tot de conclusie dat er weliswaar veel anders en beter kan in onze steden, maar dat de anderhalvemetersamenleving in ieder geval nooit het nieuwe normaal mag worden. In de Corona-oorlog vormden wij zo een kleine verzetsbeweging.

Iedere verzetsbeweging heeft een manifest. Die van ons paste in een simpele tweet: “Nieuwsgierig naar de visie van MUST op de 1,5 meter samenleving? Die is er niet! Wij werken aan de stad van de toekomst, niet aan trending topics. In de stad van de toekomst zijn wij nog steeds sociale wezen die het best gedijen in nabijheid van anderen, mentaal en fysiek.”

Er meldde zich gelijk een grote groep medestrijders – maar zoals in iedere oorlog volgden er echter ook felle tegenaanvallen. Vooral de architect die als slimme puzzelaar voor ieder probleem een elegant ruimtelijk medicijn weet te vinden voelde zich van zijn voetstuk getrokken. Kort samengevat: “Als de samenleving een probleem heeft MOET de architect klaarstaan om dit op te lossen! Je onttrekken aan deze verantwoordelijkheid is hoogverraad.” De vraag of de pandemie opgelost of voorkomen kan worden door gebouwen en steden anders te ontwerpen, wordt niet gesteld. De puzzel, het programma van eisen, is immers helder: iedereen moet overal 1,5 meter afstand van elkaar kunnen houden.

still:www.rekentube.nl

Enig opportunisme is dit vakgebied niet vreemd

Ik wil de goede bedoelingen van mijn vakgenoten niet in twijfel trekken. We willen allemaal onze bijdrage leveren aan een betere samenleving, denk ik. Maar het vakgebied is enig opportunisme niet vreemd. Als ergens werk van gemaakt kan worden dan staan architecten graag vooraan. Ik help iedereen graag herinneren aan de tijd dat ontwerpers vol enthousiasme alle steden wereldwijd volledig hebben verbouwd om ruimte te maken voor de toekomst (lees automobiliteit). En nu, na 50 jaar sloop en nieuwbouw, blijkt dat de auto misschien helemaal niet zo zaligmakend is, staat mijn beroepsgroep weer vooraan om alle ingrepen uit het verleden met evenzoveel energie ongedaan te maken. Vaak denk ik dan; misschien hadden we bij de opkomst van de auto even wat minder hard moeten laten zien hoe goed wij puzzeltjes kunnen oplossen.

Misschien was het beter geweest om even niets te doen en af te wachten tot de storm gaat liggen. De stad is een eeuwenoud robuust systeem dat zich niet zomaar laat opereren zonder ernstige wonden achter te laten. En precies dat denk ik nu ook.

De anderhalvemetersamenleving is geen blauwdruk voor de stad van de toekomst, maar een tijdelijke maatregel die op medische gronden noodzakelijk is om de pandemie te beteugelen. De bestrijding van de pandemie ligt niet in de handen van architecten en stedenbouwkundigen. Dit moeten we overlaten aan medici en gedragswetenschappers.

Laten we, in plaats van driftig te gaan tekenen aan een stad die bestand is tegen Corona-aanvallen, deze bijzondere tijd gebruiken om vooral goed na te denken over steden en gebouwen die aansluiten op onze toekomstige behoeften. Want we hebben nu wel de kans om ons te bezinnen en te onderzoeken wat wij nu zo missen aan het stadsleven dat tot stilstand is gekomen. En laten we vooral verkennen wat we liever niet meer terug willen. Kortom, doe nu even niets waar je later weer spijt van krijgt. Gebruik deze tijd om eerst eens na te denken over de vraag, in plaats van gelijk te ontwerpen aan een mogelijk antwoord.

Wouter Veldhuis/MUST

We eigenen ons de openbare ruimte weer toe

Wat mij betreft moeten we onszelf de vraag stellen hoe wij als ontwerpers kunnen bijdragen aan een Rechtvaardige Stad die mensen ruimte biedt om zichzelf te ontplooien en hen tegelijkertijd de gelegenheid biedt om zelf vorm te geven aan die stad. Nu onze steden even wat rustiger aan doen, zie je dat er een grote latente behoefte is om de openbare ruimte toe te eigenen. Stoepen komen weer tot leven nu er even geen toeristenstromen langs marcheren en fietsers veroveren de rijbanen nu er minder auto’s rijden. Zou het niet zonde zijn als deze ruimte voor stadsbewoners straks weer verdwijnt? En wat leren we van de enorme drukte in de stadparken, bossen en stranden? Wat mij betreft maakt dit duidelijk hoe ongelofelijk belangrijk het is dat iedere stad ademruimte heeft om er gezond en gelukkig te kunnen leven.

Wouter Veldhuis/MUST

Kortom, laten we nu de gelegenheid gebruiken om goed met elkaar na te denken over onze toekomst en verkennen hoe we met elkaar een stap in de goede richting kunnen zetten. Ons hele stedelijke systeem moet namelijk weer opnieuw opgestart worden. En als je slim bent installeer je dan ook een aantal updates. Tegelijkertijd maak ik mij geen enkele illusie dat dit makkelijk zal gaan. Want eerdere crises hebben ons geleerd dat niets zo makkelijk is als terugvallen in ons oude gedrag, als de kans zich weer voordoet. En dat zal nu niet anders zijn.

Wouter Veldhuis, architect en stedenbouwkundige, is mede-oprichter en directeur van Must, een invloedrijk stedebouwkundig bureau dat gespecialiseerd is in stedelijke vernieuwing, strategieën voor stad en regio, cartografie en onafhankelijk onderzoek. Hij is ook bestuurslid van Stad-Forum, een onafhankelijke denktank die de gemeente Amsterdam adviseert over stedelijke ontwikkeling.

Met dank aan Wouter Veldhuis en Tracy Metz, Stadsleven.nu,  voor het delen en de plaatsing van dit blog in wisselwerking met het plaatsen van het blog van Guido Wallagh op Stadsleven.nu

Recent nieuws

Blog

De omgevallen boekenkast | tweede druk

Door Tjerk Ruimschotel Terwijl ik de drukproeven van mijn binnenkort te verschijnen gids voor woningbouw in Londen controleerde en corrigeerde, vroeg ik me af of.

Lees verder
BNSP

BNSP Salon | Floor Milikowski| 11 februari 20:00 – 21:00 | ONLINE

BNSP-Salon |  Floor Milikowski: Een klein land met verre uithoeken Floor Milikowski,  journalist, sociaal geograaf en planoloog presenteert online, op uitnodiging van de BNSP,  haar.

Lees verder
Uit het netwerk

Jaarcongres stedelijke transformatie | Platform31

Binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen zijn een unieke kans voor de stad. Stedelijke transformaties zorgen niet alleen voor veel nieuwe woningen, ze kunnen ook fungeren als vliegwiel voor.

Lees verder

Agenda

11 februari 2021

20:00 tot 21:30BNSP

BNSP Salon Floor Milikowski

22 april 2021

19:30 tot 21:30BNSP

Presentatie Theo Baart