Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


Archive for the ‘Blog’ Category

De omgevallen boekenkast | Zef

Zef

Een belangrijk voordeel van het krijgen van een boek om te recenseren, behalve dat het gratis is, is dat je (ik althans) plichtsgetrouw het veel nauwgezetter dan anders gaat lezen; wat overigens ook soms een nadeel is. Want om het nieuwste boek van Zef Hemel echt te kunnen begrijpen heb ik het namelijk niet alleen één keer goed gelezen en nog eens herlezen,  maar moest ik om te snappen wat er allemaal in Hemels werkzame leven gebeurde in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen van Nederland, de Randstad en Amsterdam  (één van de hoofdlijnen in het boek) zelf een aparte chronologie maken, want Zef springt in het boek wat heen en weer in de tijd. Daarnaast heb ik, gedeeltelijk op basis van de index, een overzicht moeten maken van de hoofdpunten en kernbegrippen in het verhaal, want de gedachtegangen van Zef meanderen af en toe nogal breeduit en zijn niet altijd even makkelijk te volgen. Verder komt Hemel af en toe weer terug op zaken, die lijken te horen bij de hoofdlijn van het verhaal, zoals de kleinzieligheid van Rotterdam, de onwil en het onvermogen van ‘Den Haag’ (de regering) en het idee fixe dat we (dat wil zeggen: de burgers) zonder overheid eigenlijk best met de stad uit de voeten kunnen. Dit laatste met name is een beetje vreemd om te horen van iemand die langdurig directielid is geweest van een gemeentelijke organisatie en tien jaar een leerstoel mocht bekleden die door dezelfde gemeente Amsterdam werd gefinancierd.

Op zich is het boek (Er was eens een stad; visionaire planologie, Uitgeverij Pluim, november 2021) een fascinerend verslag van de wederwaardigheden van een bevlogen professional in de ruimtelijke, met name Amsterdams-ambtelijke, ordeningswereld en zijn pogingen om tot een eigen vakopvatting en beroepsuitoefening te komen. Die beroepsuitoefening komt vooral naar voren in de drie autobiografische hoofdstukken getiteld De regio, De stad en De binnenstad, met 125 pagina’s samen goed voor een derde van dit boek van 365 pagina’s, exclusief de 21 pagina’s bibliografie en de 17 pagina’s index. Wie snel wil weten wat Zef Hemel vakmatig beoogt leze de 70 pagina’s (ofwel een vijfde van het boek) van het drieluik bestaande uit de Inleiding, het hoofdstuk 10 en de epiloog. Vooral in deze delen van het boek geeft Hemel een paar keer een omschrijving van wat hij onder visionaire planologie verstaat en wat volgens hem de visionair planoloog of visionair planner doet of zou moeten doen.

Om zijn denkbeelden te onderbouwen dan wel te rechtvaardigen haalt hij alleen al in de inleiding van nog geen 20 pagina’s de volgende personen aan: Willem Steigenga, Pier Carlo Palermo, Marijke van Schendelen, G.J. van den Berg, Ed Taverne, Donald Schön, Nathan Glazer, Alice Sparberg Alexiou, Max van den Berg, Robert Caro, Robert Moses, Manfred Bock, Richard Sennett, John Forester, Hannah Arendt, Vladimir Stissi, Lewis Mumford, Samuel Zipp en Nathan Storing, Patsy Healey, Susan Fainstein en Peter Hall. Daarnaast introduceert hij de zes historische figuren die hij ‘als planoloog’ bewondert en waar hij zes afzonderlijke hoofdstukken aan zal wijden: Patrick Geddes, Dirk Frieling, Theo van Lohuizen, Jane Jacobs, John Friedmann en James Throgmorton.

Deze zes levensbeschrijvende hoofdstukken zijn per paar gekoppeld aan de drie autobiografische hoofdstukken en leiden, tamelijk rechtlijnig, tot het afsluitende tiende hoofdstuk, Visionaire Planologie getiteld, net als de ondertitel van het boek zelf. Ook daar had een wat strengere eindredactie het 42 pagina’s tellende betoog van Hemel wat toegankelijker kunnen maken. Om te beginnen zijn in dit hoofdstuk (en het boek) als geheel nergens witregels of tussenkopjes gebruikt, wat wel het geval was in Zefs vorige boek uit 2016 waar ik eerder over blogde. Verder herhaalt hij, in dit laatste hoofdstuk, samenvattend, wat hij geleerd heeft van zijn zes historische helden (met name John Friedmann) en komt terug op (of gaat verder met) wat hem na zijn afstuderen (in 1981) allemaal op het spoor zette van de visionaire of narratieve planologie.

Tegelijkertijd voegt hij een ruim 3 pagina’s lang stuk over Cornelis van Eesteren (nog een held van hem) in en komt met extra argumentatie voor zijn opvattingen door (soms nogal uitgebreid) aan te haken bij werk en denkbeelden van Huub Dijstelbloem, Bruno Latour, Luuk Boelens, John Forestter, Chris Agyris, Amartya Sen, Martha Nussbaum, Prya Parker, Michel de Montaigne, Edward Wilson, Vincent van Rossum, Yuval Harari, Clifford Geertz, Philip Blom, Walter Fisher, Walter Benjamin, Herodotus, Gerald Burke, Paul Davidoff, Han Boering, Lev Tolstoj, Isaiah Berlin, Steven Johnson, Horst Rittel, Melvin Webber, Kelly Levin, Benjamin Cashore, Graeme Auld, Steven Bernstein en Malcolm Gladwell. Uiteindelijk komt hij, op basis van zijn Amsterdamse praktijkervaring en zijn reflecterend onderwijs-/onderzoekswerk, tot de conclusie dat “een planner dus niet hard hoeft in te grijpen, zich beroepend op zijn autoriteit; zijn werk kan veel bescheidener en subtieler. … Een goede planner toont bovenal empathie: hij is in staat te zien wat anderen zien, stelt burgers centraal…Als het goed is bedrijft hij planologie als improvisatie, bijna intuïtief, als kunst. Bovenal is hij een verteller van verhalen.”

Voorafgaand aan dit laatste hoofdstuk staat op pagina 324 een los lijstje van zeven competenties die de visionair planoloog in de eenentwintigste eeuw, volgens Hemel begrijp ik, moet bezitten en kunnen inzetten: waarnemen (bewust en met aandacht de zintuigen in je opnemen), berekenen (naar maat en schaal bepalen), ervaren (door ondervinding gewaarworden), leren (het verwerven en je eigen maken van kennis en vaardigheden), verbeelden (je een voorstelling maken), overtuigen ( door klem van woorden enz. doen geloven) en inspireren (bezielen, aanvuren). Hemel koppelt de eerste zes kwaliteiten aan respectievelijk Geddes, Van Lohuizen, Jacobs, Friedmann, Frieling en Throgmorton. Waar het zevende vinkje (inspireren) vandaan komt is niet geheel duidelijk.

Ook bij dit boek (overigens warm aanbevolen…) moet je, net als bij bijna elk boek, zelf een relevante rangorde in de gebruikte literatuur aanbrengen. Via het notenapparaat wordt duidelijk welke van de meer dan 250 alfabetisch gepresenteerde boeken in de bibliografie belangrijk zijn. De enthousiasmerende manier waarop Zef zijn omgevallen-boekenkast-kennis uitdraagt leverde een aantal publicaties op die ik aan mijn wensenlijst heb toegevoegd of op het ‘te-herlezen-stapeltje’ heb gelegd. Uit de boekenkast heb ik tijdens het lezen het werk van Arnold van der Valk over Van Lohuizen gepakt (Het levenswerk van Th. K. van Lohuizen 1890-1956; De eenheid van het stedebouwkundig werk, 1990), het, nu ook door Zef geciteerde, boek van Niek de Boer uit 1996 De Randstad bestaat niet; de onmacht tot grootstedelijk beleid, de essaybundel De stad als uitdaging; politiek, planning en praktijk van de stedenbouw uit 2000 van Yap Hong Seng, de autobiografie van Max van den Berg (Jongens, maak het maar mooi. Stadsontwikkelaar en ambtenaar in Amsterdam 19163-1986, 2006) en bij gebrek aan die biografie over Dirk Frieling zijn intreerede Een dichtbevolkte delta (1991) en zijn uittreerede Metropoolvorming opgenomen in Delta Darlings (2003). Maar ook Zef Hemels eerdere boek De toekomst van de stad; een pleidooi voor de metropool (2016) haalde ik erbij om hem nog beter te begrijpen.

Al vroeg in de Inleiding van zijn Er was eens een stad geeft Hemel aan ‘het elkaar verhalen vertellen’ de essentie van de ruimtelijke planning te vinden en dat visionaire of narratieve planologie te noemen. Iets verderop stelt hij dat planologen zowel ontwerper, onderzoeker, beleidsmedewerker, manager, activist als onderhandelaar kunnen zijn. Als stedebouwkundig ontwerper vraag ik me af of zijn aanpak van de planologie ons in de praktijk van de ruimtelijke ordening veel verder heeft geholpen dan wel gaat helpen. Ik zou de planologen van onze beroepsvereniging willen uitnodigen cq uitdagen om het betoog van Hemel scherper te analyseren dan ik kan. Met name het werk van de twee hedendaagse planningstheoretici (Friedmann en Throgmorton) vind ik moeilijk te plaatsen in relatie tot de (Nederlandse) planningspraktijken. Zelf zou ik vanuit stedebouwkundige invalshoek Hemels terughoudendheid om over stadsontwikkeling, stedebouw en stedebouwkundig ontwerpen te praten nader willen analyseren. Op zijn geschiedschrijving van de ruimtelijke ontwikkelingen van Amsterdam, de Randstad en Nederland in relatie tot grootstedelijke en perifere leefmilieus kom ik nog wel terug. Verder kunnen de denkbeelden van de ook in dit boek bewierookte Jane Jacobs natuurlijk niet onbe- en weersproken blijven. Wordt dus vervolgd.

DE OMGEVALLEN BOEKENKAST | RIEK

RIEK

Hoewel in de afgelopen maanden twee op de vrouw gerichte bouwkundige publicaties zijn verschenen die het alleszins de moeite waard waren om gelezen te worden (wat ik dus deed) ben ik nog lang niet tevreden. Om te beginnen zijn ook deze twee ‘vrouwenboeken’ door vrouwen geschreven en verder verschijnen er nog steeds veel meer uitgaves over niet-vrouwen dan over vrouwen. In 2021 bijvoorbeeld verschenen in Nederland monografische publicaties* over leven en werk van de volgende architecten, stedebouwkundigen en landschapsarchitecten: Piet Oudolf, Jan Sterenberg (waar ik zelf ooit ben begonnen), Nico de Jonge, H+N+S (Dick Hamhuis/JanDirk Hoekstra + Lodewijk van Nieuwenhuijze  + Dirk Sijmons), Herman Hertzberger, Granpré Molière, Dudok (2x), Eduard Cuypers, Bedaux de Brouwer en het architectenbureau Baanders van Hermanus Baanders, zijn twee zonen Herman en Jan en diens zoon Jan jr, opgetekend door (achter)kleinzoon Rudolf-Jan … en een monografie van/over Riek Bakker: één vrouw en zeventien mannen!

We zijn dus niet echt opgeschoten sinds Grada Wolffensperger ruim een eeuw geleden als eerste vrouwelijke bouwkundig ingenieur in Delft afstudeerde. Erica Smeets-Klokgieters promoveerde in januari jongstleden op een onderzoek naar de eenentwintig tot 1946 afgestudeerde vrouwelijke architecten onder de titel:  ‘Hulde aan onze kranige Architecte!’ De opkomst van de eerste vrouwelijke architecten van Nederland. Het proefschrift zelf is via wat digitale omwegen te vinden via de repository van de Universiteit van Utrecht: ‘Hulde aan onze kranige architecte!’ : De opkomst van de eerste vrouwelijke architecten van Nederland (uu.nl) en beschrijft op indringende wijze de moeizame beroepspraktijk en de, soms ook ontluisterende, persoonlijke geschiedenissen van die eerste vrouwelijke bouwkundig ingenieurs.

Daarentegen is de wel zeer succesvolle carrière van de in Boskoop afgestudeerde Riek Bakker onderwerp van de in december 2021 bij Boom verschenen publicatie De Ruimte van Riek, bouwend aan Nederland van de co-auteurs Margreet Fogteloo en Riek Bakker. In feite is het een (auto)biografie met negen chronologische hoofdstukken over Rieks leven (met soms Joop-ter-Heulachtige titels zoals Op eigen benen; Weer op eigen benen en Hoe nu verder?) gelardeerd met besprekingen van acht min of meer achtereenvolgende projecten: vanaf de Kop van Zuid in Rotterdam (midden jaren 80) , via het Utrecht City Project en de VINEX-locatie Leidsche Rijn, de Regio Groningen Assen, Piushaven in Tilburg, Schiedam Park A4 en Masterplan Soesterberg tot het recente Park Achterhoek in Winterswijk. Alle projecten zijn van na 1986 toen ze het door haar en Ank Bleeker in 1977 opgerichte bureau Bakker en Bleeker (het latere Bureau B+B) had verlaten.

Ook komt in een projecthoofdstuk de door Riek voorgezeten Adviescommissie Gebiedsontwikkeling aan de orde. Opvallend afwezig is haar hoogleraarschap in Eindhoven (1998-2001) waarvan ik graag gehoord zou hebben hoe zij op academische wijze over haar werk en het fenomeen gebiedsontwikkeling had gereflecteerd. Verder had ik, in het huidig tijdsgewricht van representatie en identificatie, meer willen weten over de door haar bewonderde vakmatige voorbeelden; al dan niet van het mannelijk/vrouwelijk geslacht of seksuele geaardheid. Ze noemt er geen. En Fred Zandvoort, waar ze ooit begonnen is, is zelfs uit de index verdwenen, hoewel zijn bureau wel genoemd wordt. Misschien iets voor de derde (!) druk. Wel leren we zoveel familieleden van Riek (en haar partner Katrien) kennen, dat ik af en toe een zelfgemaakte stamboom moest raadplegen om te begrijpen over wie het ging.

Het boek is een uitgebreid en fascinerend verslag van de manier waarop soms tamelijk persoonlijke, om niet te zeggen intieme, gebeurtenissen in iemands leven een weerslag hebben gehad op diens professionele werk. Het hoort (“koop dat boek en beluister de podcasts”) op de verplichte leeslijst van (aankomende en ervaren) stedebouwkundigen en planologen als bron van inspiratie en informatie, ondanks dat het als monografisch werk tekort schiet vanwege het ontbreken van een omvattend overzicht van werken en functies en van een ordentelijke bibliografie. Niet iedereen heeft de vuistdikke publicatie over het bureau B+B (Bureau B+B Stedebouw en landschapsarchitectuur; een collectief talent 1977-2010) uit 2010 in zijn/haar boekenkast. Of het ‘vriendenboek’ BVR NL Ruimte en regie, verschenen in 2004 ter gelegenheid van zo’n tien jaar BVR, het bureau dat Riek Bakker en Jaap Van Rijs oprichtten na Rieks Rotterdamse directeurschap, of de tien jaar daarvoor verschenen uitgave Riek Bakker; Ruimte voor verbeelding naar aanleiding van de haar toegekende (grote) Rotterdam-Maaskantprijs in 1994. Noch de tijd om een en ander samen te voegen terwijl Rieks leven-en-werk toch een prachtig promotie-onderwerp zou zijn, tevens passend in de huidige tendens naar meer ‘meerstemmigheid’ (vrouw, LHBTIQA+, niet-academisch) in de officiële geschiedschrijving, hoewel ze zich nooit een feministe noemde.

Overigens is het met de wel-academisch gevormde vrouwen, volgens Erica Smeets, ook niet altijd even makkelijk gegaan. Van de eenentwintig vooroorlogse afgestudeerden aan de TH-Delft en AvB-Amsterdam oefenden slecht dertien het beroep uit, vijf  in een nauwe samenwerking met een mannelijke echtgenoot, géén met een vrouwelijke partner/levensgezel. Zeven vrouwen maakten carrière bij de overheid als gemeente-architect, stedebouwkundige (Lotte Beese, Wil van den Broek d’Obrenan, Jacoba (Ko) Mulder), planoloog (Toot Strumphler) of door zich te specialiseren in gewapend betonconstructies bij de Genie, wat Riné Boerée deed. Slechts één vrouw (de ongehuwde Wil Jansen) slaagde erin een redelijk succesvolle eigen praktijk op te bouwen, met een beetje hulp van familie en vrienden. Ada Struyk trouwde met een befaamd stedebouwkundige (J.A. Kuiper) en werd onder andere politica, lid van de Raad voor de Volkshuisvesting, bestuurslid van de Rotterdamse afdeling van de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding en vicevoorzitter van de VrouwenAdviesCommissie.

Het lijkt me echter niet dat deze vooroorlogse vrouwen de rolmodellen zouden moeten zijn die we onze huidige en toekomstige vrouwen in de bouw willen voorhouden. Maar ook de carrière van Riek lijkt me niet het meest realistisch te presenteren toekomstbeeld, vanwege het toch wel unieke karakter van haar leven en werk. Natuurlijk is het goed wanneer vrouwen, net als mannen, ervan dromen om hoofd stadsontwikkeling van een van de vier grote steden te worden, of hoogleraar aan een Technische Universiteit. Maar net als mannen vaak genoegen moeten nemen met een minder iconische werkkring zouden vrouwen kennis moeten kunnen nemen van een breed palet van stedebouwkundige (en planologische) beroepsuitoefeningen.

Nu we op televisie via het vermakelijke programma ‘Vrouwen die bouwen’ getuige kunnen zijn van de verder alledaagse werkzaamheden van een dwarsdoorsnede van de vrouwelijke werkers op de bouwplaats, zouden we, wat mij betreft ook en vooral via de boekdrukkunst, moeten kunnen horen van het dagelijkse werk dat door vrouwen gedaan wordt op particuliere stedebouwkundige en planologische bureaus en binnen de overheidsdiensten. Ik kijk dan ook met buitengewoon veel belangstelling uit naar het nieuwe project van uitgeverij nai010. Onder de titel Vrouwen in Architectuur wil men “de ontbrekende stemmen van vrouwen belichten en bijdragen aan een completere architectuurgeschiedenis en het heersende narratief breder, inclusiever en daarmee rijker en vitaler maken.” Ik hoop daarbij dat in die geschiedenis in ieder geval de stedebouwkundig discipline meegenomen wordt, hoewel het reflectieve planologische werk ook niet onbelangrijk is voor een goed begrip van het werken in en aan de gebouwde omgeving.

Verder neem ik aan dat nai010 ook een inventariserend bibliografisch onderzoek heeft laten verrichten naar het aandeel boeken over vrouwen in de (stede-)bouw dat ze de afgelopen tijd hebben uitgegeven om te bezien hoe de achterstand moet worden ingelopen. Hun voornemen elk jaar één publicatie aan de reeks over ‘ontbrekende stemmen’ toe te voegen loopt vooralsnog niet over van ambitie, gelet op de tientallen boeken die per jaar worden uitgeven. Hopelijk nemen andere uitgeverijen de uitdaging aan om ook iets zorgvuldiger naar hun eigen publicatie-beleid te kijken en kan ik in een volgende blog een betere publicitaire vrouw/man-verhouding melden dan de huidige, schamele en beschamende, één op zeventien.

Tjerk Ruimschotel

* Noel Kingsbury, Piet Oudolf/Hummelo, HL Books; Michiel Kruidenier, Architect Jan Sterenberg en het bouwen in de jaren ’80, nai010; Yvonne Horsten-van Santen, Luisterrijk cultuurlandschap; Nico de Jonge, landschapsarchitect, blauwdruk; Marieke Berkers e.a., denken, doen, laten; drie decennia sleutelen aan het landschap, H+N+S Landschap, blauwdruk; Christien Brinkgreve, De ruimte van Herman Hertzberger, Atlas Contact; Sjettie Bruins, M.J. Granpré Molière; Architectuur en stedenbouw als beroep en als culturele opdracht in de 20ste eeuw, Barkhuis; Iwan Baan, Dudok by Iwan Baan, nai010/Dudok Architectuur Centrum; Herman van Bergeijck, De stadsopbouw en stedenbouw van W.M. Dudok, uitgever Rode Haring; Constant van Nispen, Eduard Cuypers; architect met een eigen koers, Verloren; Hans Ibelings e.a. Bedaux de Brouwer Architecten, The Architecture Observer; Rudolf-Jan Baanders, Architectenbureau Baanders; van Jugendstil naar modernisme, De Onderste Steen.

BNSP-SALON #5 in Van Eesteren Museum

BNSP-SALON #5
Na-Oorlogse wijken: kansen en valkuilen voor verdichtingsopgaven

Datum: donderdag 21 april 2022
Locatie: Van Eesteren Museum Amsterdam
Noordzijde 31, 1064 GV Amsterdam

Programma

19:20 inloop
19:30 start en introductie door Eric Terlien, BNSP bestuurslid
19:35 korte presentaties en verhalen van experts Maurits de Hoog, Ivan Nio en Jeroen Drewes
20:40 pauze
20:50 panelgesprek transformatie naoorlogse woonwijken met vragen uit de zaal
21:30 einde avond

Sprekers:
Jeroen Drewes (adviseur KAW architecten, Ruimte zat in de stad)
Ivan Nio (stadssocioloog, buurtbiografieën Nieuw-West)
Maurits de Hoog (stedenbouwkundige, Super West)

aanmelding salon naoorlogse wijken
Naam
Naam
Voornaam
Achternaam
Discipline
Lidmaatschap

Nu in Blauwe Kamer: Academie voor Ruimte

Samen de stad maken, is makkelijker gezegd dan gedaan. Hoge ambities, complexe thema’s en verschillende belangen. Om zicht te krijgen op wat de grote thema’s zijn en wat die betekenen voor ontwerpers, organiseert de nieuwe Academie voor Ruimte – van BNSP en NVTL – drie pilots. Want, theoretische oplossingen zijn er genoeg, maar hoe pakken die uit in de praktijk?

De tweede en derde pilot starten binnenkort. Laat je gegevens achter en we houden je op de hoogte!

Nieuwsbrief Academie voor Ruimte
Naam
Naam
Voornaam
Achternaam
Lid BNSP / NVTL

Stuur je beste project in voor het Blauwe Kamer jaarboek ’22!

Ieder jaar maken we de stand op van het vak. Een onafhankelijke commissie van vakgenoten kiest de beste projecten uit de stedenbouw en landschapsarchitectuur en het team van Blauwe Kamer verwerkt dit tot een prachtig jaarboek.

Ben jij een ontwerper of opdrachtgever? Wil jij dat jouw project in het jaarboek staat? Stuur dan je beste plannen, projecten of studies in voor de editie van 2022.

De selectie wordt dit jaar gemaakt door voorzitter Esther Agricola, stedenbouwkundige Edzo Bindels, landschapsarchitecten Jana Crepon en Berdie Olthof, en onderzoeker Mike Emmerik.

Ingezonden projecten moeten afkomstig zijn uit de periode 2021-2022 (t/m maart). Alle soorten projecten zijn welkom: van uitgevoerde openbareruimteplannen tot strategische langetermijnvisies, van zelfgeïnitieerde initiatieven tot ontwerpend onderzoek, van herontwikkelingsprojecten tot cultuurhistorische studies en van Nederlands werk tot projecten in het buitenland (mits van een Nederlandse ontwerper).
Speciale aandacht vragen we voor inzendingen die betrekking hebben op opgaven in het landelijk gebied en op stedelijke vernieuwing en wonen. We benadrukken dat ook provincies, gemeenten, ontwikkelaars, corporaties en andere opdrachtgevers worden uitgenodigd om in te zenden.

  • Het aanmelden van projecten kan via het inschrijfformulier op de website van Blauwe Kamer. Hier kunt u ook de voorwaarden voor deelname downloaden.
  • De inzendingen dienen uiterlijk 12 april 2022 binnen te zijn op het secretariaat. 
  • Deelnamekosten: 69,50 euro voor de eerste inzending, 45 euro voor elke volgende inzending. De bedragen zijn exclusief btw. Betaling vindt plaats via de site van Uitgeverij Blauwdruk.
  • Maximaal vijf projecten per inzender. 
  • Elke inzender ontvangt één exemplaar van het Jaarboek 2022.
  • Het Jaarboek Landschapsarchitectuur en stedenbouw in Nederland 2022 verschijnt begin december in de wintereditie van Blauwe Kamer en als zelfstandige boekhandelseditie.

Contact
Martine Bakker, Generaal Foulkesweg 72
6703 BW Wageningen, 0317 425890
jaarboek@blauwekamer.nl

Aankondiging: consultatie van De verNieuwde Regeling (DNR2022)

De afgelopen maanden hebben auteurs namens de Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus (BNA), Koninklijke NLIngenieurs, brancheorganisatie MKB INFRA, de Nederlandse Vereniging voor Inkoopmanagement (Nevi) en Stichting Bureau Inkoop & Aanbestedingen Zuidoost-Brabant (Bizob) hard gewerkt aan een nieuwe gezamenlijke set algemene voorwaarden. Graag leggen wij deze ter consultatie aan je voor.

Voor deze nieuwe voorwaarden hebben de auteurs De Nieuwe Regeling 2011, herziening 2013, als vertrekpunt gekozen. Deze regeling geldt vanouds als de branchespecifieke standaardvoorwaarden in de sector. In de praktijk worden deze voorwaarden echter regelmatig in aangepaste vorm gehanteerd, hetgeen leidt tot een veelvoud aan verschillende versies. Dit vraagt vervolgens weer grote inspanningen van zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers.

Een paritair tot stand gekomen vernieuwde versie van de DNR zou dan ook de volledige markt ten goede komen. Voor zowel opdrachtgevers als gespecialiseerde adviesbedrijven (zijnde naast architecten en raadgevend ingenieurs ook bijvoorbeeld kostendeskundigen, bouwfysici, bouwmanagers, en constructeurs), als voor andere opdrachtnemers die adviesdiensten/ -werkzaamheden als onderdeel van hun andere activiteiten verrichten (bijvoorbeeld [mee-] ontwerpende aannemers, installateurs of groenbedrijven).

Vandaag starten we met een brede, open consultatieronde van de conceptversie die door de auteurs is opgesteld. Hiervoor is het werkveld van harte uitgenodigd een reactie te leveren. De schrijfgroep zal vertrouwelijk met alle reacties omgaan en zullen te zijner tijd over de bevindingen communiceren. De reactietermijn van de consultatie zal zes weken beslaan.

Na sluiting van deze termijn (30 april) zal de schrijfgroep alle reacties aandachtig bestuderen en indien daar aanleiding voor is aanpassingen doen alvorens de definitieve versie wordt vastgesteld.

De conceptversie van De verNieuwde Regeling tref je hier aan, inclusief een document voor een eventuele reactie.

Om jullie inbreng gestructureerd te kunnen bespreken verzoeken we je jouw reactie incl. motivering en concrete tekstvoorstellen aan ons te sturen via dit document. We ontvangen jouw reactie graag via dnr@nevi.nl

De schrijfgroep: Michel Geertse, Ton van Geijlswijk, Hub Keulen, Meriam de Koning, Desirée van Laerhoven en Arnoud Willemsen.

De omgevallen boekenkast | Vooral

Door Tjerk Ruimschotel

VOORAL

De afgelopen weken heb ik me, naast de ons zelf opgedragen taak om na te denken over vrouwen in de stedebouw, ook behoorlijk bezig gehouden met een belangwekkend, maar ook wel wat wonderlijk boek over steden voor iedereen. Om te beginnen las ik het niet als boek, maar als een gratis gedownload pdf-bestand van 89 A-viertjes platte tekst, dus zonder afbeeldingen. Dat wil zeggen, de afbeeldingen werden niet getoond maar omschreven, bijvoorbeeld: Portrait of Simon: He is wearing a blue t-shirt with a black jacket and black glasses. Simon is holding a white cane with red stripes between his arms. In his right hand he holds a mobile phone, and in his left hand The Emotion Whisperer wearable. Het boek is gepubliceerd door Pakhuis De Zwijger in Amsterdam, de organisatie achter het tweejarig programma Designing Cities for All (2020-2022).

 

De uitnodiging voor de booklaunch medio december vorig jaar gaf een korte samenvatting van dit boek en de ambities van het DCFA-programma: “To end and celebrate the first year of Designing Cities for All, we publish 18 Perspectives on Designing Cities for All, an essay book in which all the authors are committed to creating cities of belonging, where everybody feels and is allowed to feel at home. These essays will help you understand how design is part of the problem, but also holds the key to the solution.“ De boekcover heeft een wat uitgebreidere titel: 18 Perspectives by Laura Adèr & Ariana Rose, Galit Ariel, Rudy van Belkom, Joost Beunderman & Indy Johar, Aminata Cairo, Maurice Crul & Frans Lelie & Bernardine Walrecht, Simon Dogger, Marie van Driessche, Sennay Ghebreab, Nyasha Harper-Michon, Lyongo Juliana, OluTimehin Kukoyi, Maggi Leung, Nica Renoult, Nishant Shah, Jacquie Shaw, Rut Turró and De Voorkamer on Designing Cities for All.

 

Nadat ik, gedeeltelijk op scherm, gedeeltelijk op print, de 18 essays van deze 22 schrijvers had gelezen  bleek dat het boek opgebouwd is uit drie delen met elk zes essayistische bijdragen van personen die op de een of andere manier ook bij de verschillende afleveringen van het DCFA-programma betrokken waren. De delen zijn getiteld: Cities of Belonging; Everthing is Design en Making it Work, maar de afzonderlijke essays lijken niet specifiek binnen deze hoofdindeling te vallen waardoor ik een strenge redactie mis. Het boek is ook geen verslag van, maar eerder een soort teaser voor, het DCFA-programma  waarvan de reeds verschenen afleveringen op de website van Pakhuis de Zwijger zijn terug te vinden. Daar zien we dat er drieluiken van lezingen waren georganiseerd met programmatische titels als: Breaking it Down (waarin achtereenvolgens ingegaan wordt op 1. Designing, 2. Cities en 3. For All), IdenCity, Design from Inclusion, Transition Together, Equity x Design en Hacking the City. Wat (mij) opvalt is dat, naast het uitsluitend gebruik van Engels (wat echt niet iedereen in Amsterdam/Nederland beheerst) nogal wat begrippen worden gebruikt, die, volgens mij,  buiten de kring van direct betrokkenen niet door alle mensen begrepen worden. Ook moest ik constateren dat ik zelf nauwelijks iets wist van de ruim 20 mensen die hun visie op de inclusieve stad gaven, wat natuurlijk vooral wat van mij en mijn (beperkte) professionele blik op de wereld zegt.

 

Aan het eind van het gedownloade boek gekomen trof ik een uniek uitgebreide toelichting op het fysieke boek: First of all, we consider language also as design. As a society, we still use ableist, colonial, transphobic, homophobic, and gender-unequal language in our daily speech. To avoid using euphemisms and callous idioms, we tried to use more straightforward and literal language instead. When it comes to the graphic design, we used a readable typeface with a font size of 12 point for body text and 9 point for footnotes, because smaller fonts may be illegible for some audiences. To help you find your way through the body text, we used headers. We made sure each line didn’t exceed 60 characters to not tire the eyes (what also helps is the use of paper with a matte finish) and all texts are aligned left to make it easier to read. The distance between each word is kept the same, to make it readable for those with for example dyslexia. And for the ones among us with low vision and cognitive disabilities, we used white space throughout the design to improve the visual layout. Did you know that the most sustainable book size is 170×240 mm? That’s because you can print 16 pages on one sheet of paper and have zero paper waste. We not only chose this option because it’s a better choice for our future generations, but also because it’s user friendly for people with fine motor disabilities. We also paid attention to the binding and used a method that makes it easy to flatten the document when using screen magnifiers, and that you can read it without using your hands. The result? A book that works better for all!

 

Na deze tamelijk expliciete uitleg over de vormgeving van het boek en nogal impliciete verwerping van een aantal (blijkbaar kwalijk gevonden) vormen van taalgebruik, heb ik natuurlijk meteen een papieren recensie-exemplaar aangevraagd en gekregen. Het boek leest inderdaad lekker weg, hoewel ik zelf toch nog wat leesproblemen had met de modieuze kleuren die over de tekst heen gedrukt zijn. Het papieren boek kent per essay een aantal (in de pdf ontbrekende) QR-codes die verwijzen naar ofwel het optreden van de auteur op een van de bijeenkomsten in Pakhuis De Zwijger dan wel naar een video, een podcast of een boek, soms van de essayist zelf. Bij elkaar worden een stuk of 40 boeken genoemd, waarvan ik er slechts eentje al, met vrouw en dochters, gelezen heb (Invisible Women van Criado Perez). Het merendeel van de soms nogal nadrukkelijk geformuleerde suggesties voor verdere zelfstudie en -reflectie lijken vooral, zo niet uitsluitend gericht te zijn op de groep van witte, gezonde, heteroseksuele mannen (al dan niet racistisch, vrouw- én LGBTIQ+-onvriendelijk en/of klimaatvernietigend). Vrijwel alle essays zijn breed geformuleerde aanklachten tegen exclusie (uitsluiting) en oproepen om te werken aan een ’inclusieve stad, waar iedereen toegestaan wordt zich thuis te voelen’. Wat op zich natuurlijk een goede zaak is, maar de opeenstapeling én koppeling van sociale-, ecologische-, economische- en technologische problemen op globaal én individueel niveau maakt het soms moeilijk te begrijpen waar de oplossingen gevonden moeten worden. Of wat we als stedebouwkundigen en planologen aan die Steden voor/van Iedereen kunnen doen. En waar de schrijvers van de meeste essays vinden dat we vooral naar anderen moeten luisteren, verbaas ik me geregeld over het nogal zendende, om niet te zeggen zendelingsachtige, gehalte van de teksten, vaak bewust vanuit een outsider’s perspective geformuleerd. Het komt op zijn minst wat dwingend over en niet altijd geworteld in een concrete praktijk.

 

De acht samenvattende ‘tools & skills’ aan het slot van het boek zijn, naar mijn gevoel, daarentegen redelijk simpel en begrijpelijk, maar vooralsnog weinig instrumenteel of specifiek vakkundig: 1. Adopt a Flexible mindset; 2. Build self-awareness; 3. Acknowledge your bias; 4. Practise critical self-reflection; 5. Design by listening; 6. Put together diverse teams; 7. Create sense of community; 8. Start with education. Om in ieder geval aan dat laatste tegemoet te komen zal ik de meer dan 30 livecasts van de reeds verschenen DCFA-bijeenkomsten gaan terugzien (achter elkaar een volle werkweek van 40 uur) en wat boeken bestellen. Omdat die 40 aanbevolen boeken wat veel is, laat ik me in eerste instantie leiden door de suggesties van Lyongo Juliana en dus staan op mijn DCFA-wishlist: Sinan Çankaya, Mijn ontelbare identiteiten; Maurice Crul, Jens Schneider en Frans Lelie, Superdiversiteit; Massih Hutak, Jij hebt ons niet ontdekt, wij waren hier altijd al; Floor Milikowski, Van wie is de stad; David Sim, Soft City; en Robert Vuijsje, Maar waar kom je écht vandaan?

 

En vervolgens puur op titel en beschrijving: Gestalten/Space10, The Ideal City; Meike Schalk, Thérèse Kristiansson en Ramia Mazé, Feminist Futures of Spatial Practice; Liam Young, Planet City en tot slot van Stipo, Our City? Countering Exclusion in Public Space. Stipo is eén van de weinige min of meer traditionele planologisch/stedebouwkundige bureas waarvan een publicatie genoemd wordt. Bij BNSP ledenis Stipo  wellicht bekend van de BNSP-excursie  The City at Eye Level en van de (gratis) te downloaden publicatie De Stad op Ooghoogte in Nederland (2017). Ik hoop dat ik me vergis maar ik krijg de indruk dat noch bij de formulering van de blijkbaar acuut gevonden problemen, noch bij het begin van het zoeken naar oplossingen ervan leden/bureaus/instellingen van de BNSP in de frontlinie hebben gestaan. Behalve twee planologische academici schitteren onze beroepsgenoten door afwezigheid, vooral het ontbreken van spraakmakende stedebouwkundigen en praktijkgerichte planologen uit de wereld van de stedelijke overheid lijkt me zorgelijk. Hopelijk raakt het DCFA-essayboek na afloop van het tweejarig programma over een jaar meer aan ons werkterrein en zijn de, soms wat confronterende, denkbeelden vanuit het DCFA-programma meer in onze eigen activiteiten en werkzaamheden doorgedrongen. We’ll see.

Terugblik: De Toegankelijke Stad

De Toegankelijke Stad

De stad is voor iedereen. Maar wordt de stad ook voor iedereen ontworpen? Young NVTL en Jong BNSP waren aanwezig bij het INC. Festival in juni 2021. Een bijzonder initiatief waarin de toegankelijkheid van de openbare ruimte en de beleving hiervan door mensen met een beperking werd uitgelicht. In de aftertalks werd ons vakgebied ook kritisch belicht. Wat krijgen jonge ontwerpers eigenlijk mee op hun studie over de toegankelijkheid van de openbare ruimte? Naar onze mening te weinig. Als we de stad voor iedereen willen ontwerpen begint dit met erkenning en begrip van de verschillende gebruikers, waaronder mensen met een beperking.

De Week van de Toegankelijkheid was voor ons het uitgelezen moment om een bijdrage te leveren aan de bewustwording omtrent dit thema. Tijdens onze workshop De Toegankelijke Stad op 8 oktober zijn jonge ontwerpers met ervaringsdeskundigen in contact gebracht. Onder leiding van het Gehandicapten Platform ’s-Hertogenbosch heeft de groep de binnenstad van Den Bosch bekeken vanuit een ander perspectief.

Wat onwennig geblindeerd met een taststok of in een rolstoel bewogen de deelnemers over de natuurstenen kasseien van de Parade, door de drukke Kerkstraat, over de Markt en langs de drukke kruising bij de Kasterenbrug. Naast de ervaring stond de middag in teken van verhalen, de ervaringsdeskundigen deelden hun beleving van de plekken die we bezochten. Zo wordt een groot eenduidig plein als de Markt liever vermeden om over te steken, vertelde een ervaringsdeskundige met een visuele beperking, om je goed te kunnen oriënteren blijf je dan het liefst langs de rand van het plein lopen. Met blinderende bril werd ook duidelijk hoe de chaos van verschillende stadsgeluiden enorm afleidend kunnen zijn in de concentratie om de weg te kunnen vinden. Vanuit een rolstoel zagen de deelnemers de stad van een andere hoogte, rollend over de Parade werd duidelijk hoe lastig de kleine voorwieltjes samengaan met de onregelmatige bestrating. Ook smalle voetpaden en stoepranden vormden aanzienlijke obstakels in de stad.

Met de groep konden we later terecht bij MTD Landschapsarchitecten voor een schetsworkshop. De ontwerpers en de ervaringsdeskundigen zijn hier gezamenlijk aan de slag te gaan om na te denken over een toegankelijke openbare ruimte. Om de deelnemers te prikkelen werd de workshop ingeleid door Studio Corvers, een multidisciplinaire ontwerpstudio die veel met het thema toegankelijkheid werkt. Zo ontwerpen ze Het Inclusieve Park in Den Bosch, een tijdelijk bouwwerk waarin Corvers heeft geëxperimenteerd hoe de openbare ruimte beter toegankelijk kan worden.

Na dit inspirerende verhaal zijn de deelnemers in groepen aan de slag gegaan om te brainstormen en te schetsen hoe de toegankelijke stad vormgegeven zou moeten worden. Tijdens deze workshop zijn innovatieve ideeën op papier gezet naar aanleiding van de ervaringen van de dag en de gevoerde gesprekken. Zo werden er visuele verbeteringen voorgesteld zoals: onderscheidende materialisering van straatstenen; het gebruik van verlichting; en herkenningsobjecten van betekenis. De oversteekbaarheid van een plein zou voor blinden en slechtzienden, maar ook voor mensen in een rolstoel verbeterd kunnen worden door een oversteekstrook van een afwijkend materiaal. Daarnaast kunnen keuzes in vegetatie helpen om andere zintuigen zoals geur te stimuleren en bomen met een kleiner blad zouden kunnen verhelpen dat een looproute te glad wordt. Verder werd ook het concept shared space kritisch beoordeeld door de ervaringsdeskundigen. Al met al was het een inspirerende middag met waardevolle inzichten.

Meer informatie over dit thema:

INC. Festival | Programma (incfestival.nl)
VN-verdrag handicap | College voor de Rechten van de Mens (mensenrechten.nl)

https://www.studiocorvers.com/portfolio-item/het-inclusieve-park/

Onbeperkt meedoen! | Actueel | Rijksoverheid.nl

www.gehandicaptenplatformshertogenbosch.nl

‘Zet toegankelijkheid bovenaan prioriteitenlijst’ – Stadszaken.nl

https://muzieum.nl/

Week van de Toegankelijkheid

 

 

 

 

De Omgevallen Boekenkast | Robert

Door Tjerk Ruimschotel

Als voorbereiding op een recent, corona-technisch misschien niet geheel handig, bezoek aan onze dochter, schoonzoon en kleinkind in New York had ik uit de boekenkast The Death and Life of Great American Cities (Jane Jacobs), The Power Broker; Robert Moses and the Fall of New York (Robert Caro) en Delirious New York: A Retroactive Manifesto for Manhattan (Rem Koolhaas) gehaald en op de werktafel gelegd.

Na deze, ooit uitgebreid bestudeerde, iconische boekwerken uit respectievelijk in 1961, 1974 en 1978 weer eens doorgebladerd te hebben besloot ik ze toch niet mee te nemen. In mijn handbagage beperkte ik me tot het door Hilary Ballon en Kenneth Jackson in 2007 geredigeerde Robert Moses and The Modern City; the Transformation of New York.

Per slot had ik het nog onvoldoende doorgenomen terwijl erin nog wel een begin gemaakt wordt met de omvattende catalogus van de vele zwembaden, stranden, buurtparken en speelplaatsen, stadsparken, snelwegen en bruggen die door deze ambtelijke ‘Modern-day Haussmann’ zijn gerealiseerd. Verder wordt in dit boek, verschenen ter gelegenheid van een drietal tentoonstellingen in New York over het werk van Robert Moses (1888-1981), geprobeerd een wat genuanceerder beeld te schetsen dan uit het imposante (1.162 pagina’s tekst, 70 pagina’s noten) maar ook wel sterk gekleurde werk van Robert Caro (1935) naar voren kwam. Dat het nodig is de weerkerende urbane mythes rond Moses die op het werk van Caro gebaseerd lijken te zijn te ontmaskeren, bleek meteen al uit de film die ik op de heenreis in het vliegtuig zag.

Motherless Brooklyn (2019) is gebaseerd op het gelijknamige boek  van Jonathan Letham uit 1999, maar door Edward Norton (script, regie én titelrol) volledig veranderd qua tijd en plot. Alleen New York als decor en de detective met Tourette syndroom als hoofdpersoon zijn overgenomen, verder is het een volledig van de werkelijkheid losgezongen aanklacht tegen een maniakale en moorddadige Robert Moses, gespeeld door een zich ‘Moses Randolph’ noemende Alec Baldwin. Meer dan veertig jaar arbeid in publieke dienst, met als resultaat meer dan 800 parken, een tiental nieuw aangelegde stranden, duizenden sociale woningen, duizend kilometer snelweg, twee wereldtentoonstellingen en meer, wordt samengevat teruggebracht tot een soort woningbouwschandaal, een verwaarloosde broer en een buitenechtelijke (dubbel-etnische) dochter als resultaat van een racistisch verkrachting. Het is daarbij op z’n minst opmerkelijk dat, terwijl Moses beschuldigd werd het autoverkeer en de suburbanisatie onevenredig sterk te bevorderen, in de film alles per auto gaat en aan het eind (spoiler-alert!) de hoofdrolspeler zich met zijn interraciale love-interest uit de stad heeft teruggetrokken op het platteland.

Ik was benieuwd of Robert Caro ondertussen (na bijna vijftig jaar) al wat afstand genomen had van een aantal van zijn onthullingen en de daarop gebaseerde lastercampagnes, dus bezocht ik de tentoonstelling Turn Every Page over zijn net overgedragen archief (60 strekkende meter) in het gebouw van de New York Historical Society, las wat interviews en kocht het recent verschenen boek Working van Caro, dat in paperback de ondertitel van de hardcover Working; Researching, Interviewing, Writing moest missen. Het boek is een soort provisorische bibliografie die inzicht geeft in de manier van onderzoeken, interviewen en schrijven van Caro, maar toch kijk ik nog steeds uit naar een verbeterde editie van The Power Broker uit 1974 waar hij meer dan zeven jaar aan gewerkt had en wat hem behalve de Pulitzerprijs ook wereldfaam en financiële armslag opleverde, maar tegelijkertijd Robert Moses een bijna niet meer bij te stellen, soms extreem geformuleerde, negatieve rol in de ruimtelijke ontwikkeling van New York City. Eigenlijk zou al veel eerder, die, eventueel tweedelige, tweede editie hebben kunnen verschijnen waarin de, vanwege de lengte (één miljoen woorden) van het oorspronkelijke manuscript, vijf geschrapte hoofdstukken, worden opgenomen. Zo kunnen we meer weten over de rol van Moses bij het vertrek van de Brooklyn Dodgers, over de Port Authority, de City Planning Commission, over de Verrazano Narrow Bridge (waar Roberts vrouw Ina op zou promoveren) en over hoe Robert Caro over de rol van Jane Jacobs in het leven (en werk) van Robert Moses dacht. Iets waar nogal wat Jacobijnen veel waarde aan hechten, waarover ooit meer. Daarnaast blijf ik echter het meest benieuwd naar de manier waarop Robert Caro nu kijkt naar de manier waarop Moses zijn macht heeft gebruikt en naar de fysieke effecten ervan, al dan niet in relatie tot ‘human costs’. Ook zou ik willen weten hoe Caro reageert op kritiek op (onderdelen) van zijn werk. Het schijnt dat hij rond het 40-jarig jubileum van het boek begonnen is het opnieuw te lezen en te becommentariëren.

Maar voorlopig moeten we wachten op zo’n auto-geannoteerde uitgave. Wat jammer is want hij was in twee artikelen uit de jaren negentig (opgenomen als hoofdstukken in Working) nog niet ingegaan op de bevindingen van Joel Schwartz die in The New York Approach: Robert Moses, Urban Liberals and Redevelopment of the Inner City (1993) het werk (én de opvattingen) van Robert Moses nadrukkelijk plaatst in de traditie van de grootstedelijke hervormingen van de woonomgeving. En ook nergens kan ik iets vinden over Caro’s mening over de resultaten van de Long Island Conferentie Robert Moses and The Planned Environment in 1988 waar hij een tafelrede hield. De verschillende bijdrages, met soms zeer expliciete kritiek op Caro, werden verwerkt door Joann Krieg in een boek met de provocerende titel Robert Moses: Single-Minded Genius verschenen in 1989 en met aanvullingen herdrukt in 2000. Ook direct bij het verschijnen van The Power Broker in 1974 was er, naast een woedende, maar literair getoonzette, reactie van 23 pagina’s van Moses zelf, ook kritiek vanuit de professie van onder meer Richard Wade (één van de eerste academische schrijvers over stadsgeschiedenis) die het overvloedig gebruik van niet-wetenschappelijke en anonieme bronnen hekelde. Ook bekritiseerde hij het ontbreken van een historisch raamwerk waarbinnen het werk van Moses beter geplaatst zou kunnen worden dan door de nadruk te leggen op persoonlijke eigenschappen.

Kortom, bij het 50-jarige jubileum in 2024 zou een drastisch uitgebreide en gedeeltelijk herziene uitgave op zijn plaats zijn, waarin bijvoorbeeld via een beredeneerde en geactualiseerde bibliografie ingegaan wordt op de sinds 1974 verschenen nieuwe informatie en veranderde gezichtspunten. Tegen die tijd zullen, hoop ik, de controverses over het racistisch gehalte van Moses beslecht zijn, hoe moeilijk dat ook lijkt bij conflicterende meningen over feitelijkheden. Wanneer die tweede editie te omvangrijk wordt is er paradoxaal ook ruimte voor een nieuwe samenvatting naast de 4-delige samenvatting (met illustraties van Saul Steinberg) die voorafgaand aan de publicatie in 1974 in The New Yorker verscheen en (voor abonnees) digitaal nog in te zien is. Voor wie daar niet op wil wachten, of het sowieso al te veel is kan voor € 2,99 het Ebook A Joosr Guide to The Power Broker by Robert Caro: Robert Moses and the Fall of New York uit 2016 aanschaffen waar in minder dan twintig paginaatjes door het leven van Robert Moses en het boek van Robert Caro wordt gegaan. Iets uitgebreider is op de webside van Professor Nerdster een Summary & Analysis of The Power Broker (2020) te vinden waarin elk hoofdstuk afzonderlijk samenvat wordt: https://professornerdster.com/robert-moses-the-power-broker-notes-on-an-epic-pulitzer-prize-winning-book/ . Voor degene die meer visueel ingesteld is (en nog makkelijker mee wil kunnen praten) is er het beeldverhaal van Pierre Christin & Olivier Balez Robert Moses, le maître caché de New York uit 2014, datzelfde jaar ook in het Nederlands, Duits en Italiaans verschenen als Robert Moses, de man die New York bouwde, respectievelijk Robert Moses, Der Mann, der New York erfand en Robert Moses. Il signore segreto di New York. In 2015 verscheen het in het Engels en Spaans: Robert Moses, The Master Builder of New York City en Robert Moses, el maestro olvidado de Nueva York en in 2020 in het Pools Robert Moses, Ukryty władca Nowego Jorku.

Het zou intussen ook aardig geweest zijn wanneer er al een gidsje uitgekomen was waarin de meest kenmerkende gebouwen, wegen, bruggen, parken en stranden worden gelokaliseerd. Nu kwam ik, op weg naar een tentoonstelling, tamelijk toevallig in het Flushing Meadows-Corona Park (no pun intented), één van de meest kenmerkende parken van Moses en de locatie van de 1939 New York World Fair. De ronde  sciencefictionachtige observatieplatforms van de wereldtentoonstelling van 1964 fungeren in de film Men in Black als landingsplaats voor intergalactische vliegende schotels.

Op de terugvlucht keek ik eerst of ik die film kon terugzien, maar ik koos toch voor het net uitgekomen In The Heights, een vrolijke Amerikaanse musicalfilm, onder regie van John Chu gebaseerd op het gelijknamige boek van Quiara Alegría Hudes dat uitging van een Broadwaymusical van Hudes and Lin-Manuel Miranda en op locatie (Washington Heights) is opgenomen. Een van de meest memorabele scenes (“96.000!!”) is een aanstekelijk hip hop-waterballet in de Highbridge Pool, één van Moses’ grootste zwembaden. Ook hier wordt hem verweten racistische oogmerken gehad te hebben, net als bij de toegang tot zijn stranden. Ironisch genoeg kregen de makers van dit Latijns-Amerikaanse cinematisch spektakel (waarin geen blanke/witte een rol heeft) het verwijt dat de donkerder afro-latino leden van de lokale gemeenschap onvoldoende in beeld zijn gebracht. Racisme in relatie tot kunst, architectuur en ruimtelijke ordening is niet zo eenvoudig te benoemen, laat staan aan te pakken. Helemaal niet wanneer het gaat over zaken die in het verleden mogelijk gespeeld hebben. Maar gelukkig is er in het heden op dit terrein nog genoeg te doen.

De omgevallen boekenkast | Mevrouw

Tjerk Ruimschotel

Om me voor te bereiden voor mijn, voor maart 2022 geplande, blog over ‘de vrouw in de (stede-)bouw’ bezocht ik tijdens een herfstvakantietje in Londen de tentoonstelling ‘How We Live Now: Reimaging Spaces with Matrix Feminst Design Co-operative’ in het Barbican Centre. Ook heb ik het al in februari jongstleden verschenen eerste nummer van A.zine getiteld Mevr. De Architect eindelijk eens goed bestudeert.

De tentoonstelling was nogal compact vormgegeven: in een hoekje van de labyrintische foyer (die zich over verschillende verdiepingen uitstrekt) was vrij veel historisch kranten- en foldermateriaal uit het archief van het feministisch ontwerpsamenwerkingsverband opgeplakt op een aantal schotten. Een aantal beeldschermen toonden verschillende documentaires over het radicale participatieproces en de samenwerkingsmethodes van het collectief, dat actief was tussen 1981-1994. Omdat ik het toelichtende evenementenprogramma niet kon bijwonen en het tentoonstellingsmateriaal nader bestudering behoefte probeerde ik de bijhorende catalogus Revealing Objects te kopen.

Verschenen in een belachelijk lage oplaag van 500 plastic pakketje met losse (gereproduceerde) teksten, posters en kaarten uit het Matrix-archief  en bijdragen van zes actuele collectieven werd een beeld gegeven van ‘de rol van architectuur en stedebouw in het versterken van ongelijkheden, genderrollen en koloniale erfenissen en het effect ervan op het gevoel van welkom te zijn of genegeerd te worden, thuis te voelen of er niet bij te horen.’ Uiteraard was het inmiddels al uitverkocht.

En de herdruk van de legendarische en baanbrekende Matrix-publicatie Making Space: Women and the Man-made Environment (met de uiterst gênante voorplaat) uit 1984 (!) is pas maart 2022 te verwachten. Gelukkig is de publicatie te downloaden via MakingSpace – MatrixOpen (matrixfeministarchitecturearchive.co.uk).

Zo langzamerhand is er uitgebreide (veelal Engelstalige) verzameling teksten verschenen over vrouwelijke architecten, stedebouwkundigen en andere vormgevers en hun (bescheiden c.q. achtergestelde) positie binnen de bureaus en organisaties en in de geschiedschrijving van de disciplines. En ook over de positie van vrouwen in de ontworpen en gerealiseerde gebouwen, openbare ruimten en steden (want nauwelijks over dorpen of het buitengebied) is het een en ander gepubliceerd. Het is dan ook een goed initiatief van het tijdschrift de Architect om begin dit jaar een printversie te maken van de interviews met negentien Nederlandse vrouwelijke architecten die tussen oktober 2019 en december 2020 op de website waren verschenen.

Vooral omdat in Mevr. De Architect aan de interviews nog vijf essays en zeven columns (en een reflectie) waren toegevoegd. Alsook vier interviews over inclusieve bedrijfsvoering en onderwijs. De (vrouwelijke) architectuurhistorici Catja Edens en Charlotte Thomas beschrijven in hun beider essays hoe vrouwen hun bijdrage uit de geschiedenis geknipt/gefotoshopt zagen en welke architectes vergeten en verzwegen zijn. Voor mij was dit een aanzet na te denken over de gang van zaken binnen onze eigen vakgebieden, zeker zoals dat heel concreet werd getoond in Eva James essay Blinde Vlek over ‘gender sensitive urban planning’.

Een tweede inspiratie voor een meer op de stedebouw en planologie gerichte analyse, die er volgens mij ook nog moet komen, ligt in de manier waarop de geïnterviewden hun werk zien en presenteren. Uiteraard hebben ze allemaal een website met meer of minder informatie over werk en onderzoek, maar tweederde ervan is uitsluitend in het Engels. Vier van de negentien geïnterviewden zijn gevestigde architecten en (mede) directeur van internationaal bekende bureaus als Mecanoo en MVRDV met bijhorende publicaties in mijn bibliotheek als People, Place, Purpose (2015), MetaCity/Datatown (1999) en The Vertical Village (2012).

Maar ook de jongere generatie kent de waarde van het boek; Afaina de Jong schreef For the people, by the people (2012), bureau ZUS van Elma van Boxtel schreef ondermeer Re-public – Towards a New Spatial Politics (2007) en The City of Permanent Temporality (2019). Ook Arna Mackic (samen met Lorien Beijaert Studio LA) noemt in het interview (De stad is superdivers, nu de architectuur nog) over de bedrijfsvoering van hun bureau haar publicatie Mortal Cities & Forgotten Monuments uit 2016.

Niet alleen het gebruik van het Engels (als middel om een breder publiek te bereiken), maar ook de op de stad (of stedelijke ruimte) gerichte ontwerpende en onderzoekende aandacht roepen bij mij de vraag op in hoeverre de vrouwen (en mannen) in de Nederlandse stedebouw en planologie bezig zijn met de in Mevr. de Architect aangestipte problemen; variërend van erkenning, via gelijke beloning en gendergevoelige interventies tot het ontwerpen van inclusieve ruimtes. Aspecten die daarbij steeds, nota bene al vanaf de jaren zestig, naar voren komen zijn: het ontbreken van rolmodellen, het moeilijk combineren van zorgtaken en carrière en het gebrek aan aandacht voor en kennis van de concrete effecten van ruimtelijke ingrepen op het leven van vrouwen (en kinderen, en ouderen).

Het zou dan ook aardig zijn, zeker voor een beroepsvereniging die als eerste binnen de ontwerpende industrie een vrouwelijke voorzitter had, om via het samenstellen van lijsten van vrouwelijke functionarissen binnen de stedebouw en planologie iets aan het al te eenzijdig mannelijke beeld te veranderen. Daarbij lijkt het me handig wanneer we een beetje gaan samenwerken om een goede omvattende bibliografie te maken, vooral om gaten in kennis en begrip op te sporen. Zo kan ik me voorstellen dat we ondertussen wel wat meer rolmodellen willen hebben dan Lotte Stam-Beese en mejuffrouw Mulder. Zowel binnen de particuliere bureaus als in de overheidsorganisaties, onderwijsinstellingen en instituten moeten er vrouwen (geweest) zijn, die wat meer uit hun eigen schaduw (en die van hun mannelijke collega’s) mogen komen dan wel mogen worden gehaald. Zeker nu de babyboomgeneratie eindelijk het veld heeft verlaten is reflectie op de afgelopen 50 jaar gewenst.

Verder is de stad (en het dorp en de stedebouw en de planologie) te belangrijk om over te laten aan architecten, hoe betrokken zij ook zijn. Juist vanuit de praktijk van alle dag zouden jonge beroepsgenoten zich (veel) meer mogen manifesteren, ook en juist in publicistische zin. Er moeten toch na het al bijna tien jaar geleden verschenen boek Levende stad, stad om in te leven – cyclische processen voor een duurzame stedenbouwkundige praktijk van Elma van Beek, nieuwe en aanvullende denkbeelden ontwikkeld zijn. En ik wacht ook nog steeds op de Nederlandse versies van het recente The Feminist City, Claiming Space in a Man-made World van Leslie Kern.


De ‘reader over vrouwen, wonen en gebouwde omgeving’ Vrouwendomicilie en mannendominantie van Sun van Meijel, Marieke Renou, Marijke van Schendelen, Yvonne Vehmeijer en Mieke Verloo is al bijna veertig jaar oud. Tenslotte vraag ik me af wat er gebeurd is met de concrete voorstellen, uit het 25 jaar geleden ondertekende Europees Handvest voor vrouwen in de stedelijke omgeving, die beschouwd moesten worden als ‘een continu analytisch proces dat vrouwen moet aanmoedigen bewuster en actiever deel te nemen aan de organisatie van de stedelijke ruimtelijke ordening.’

Kortom genoeg om over na te denken in deze donkere dagen voor kerst en genoeg om aan te pakken, al dan niet via goede voornemens in het nieuwe jaar.

Recent nieuws

Inzending ARC22 Awards gestart!

18 mei 2022 netwerk

ARC Awards is dé ontwerpprijs van stoel tot stad. Onafhankelijke jury’s belichten het allerbeste werk in de categorieën architectuur, stedenbouw, interieur, detail, innovatie, jong talent en.

Lees verder

BEP + PEP talk, 3 juni ’22

17 mei 2022 netwerk

Op 3 juni organiseert PEP in samenwerking met Bureau Architectenregister de BEP+PEP talk, een voorlichting voor Master studenten over de beroepservaringperiode. Tijdens deze online bijeenkomst.

Lees verder

BNA Inspiration Night 23 juni ’22

17 mei 2022 netwerk

 “Where Science meets Society” Natuurinclusief ontwerpen is ontwerpen met en voor de natuur. Het is meer dan groen opnemen in een plan, op het dak.

Lees verder

Agenda

06 juli 2022

08:30 tot 18:00BNSP

Dag van de Ontwerpkracht