Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


Archive for the ‘Blog’ Category

De omgevallen boekenkast | Minderheid

Door Tjerk Ruimschotel

Omdat er op de Internationale Vrouwendag van 8 maart met het thema Impact door Invloed digitaal bar weinig tot niets te vinden was, besloot ik om maar weer eens het gendergehalte van mijn bibliotheek te onderzoeken. Dat viel niet mee.  In mijn Nieuwbrief-blogs van maart en april 2016 constateerde ik al dat het aantal publicaties over vrouwelijke architecten, stedebouwkunde nogal tegenviel – om over publicaties over vrouwelijke planologen maar te zwijgen. In de afgelopen vijf jaar heb ik welgeteld 1 (één) boekwerk kunnen kopen en toevoegen aan de subverzameling ‘vrouwen in de (stede) bouw wat doen jullie nou; over werk en werkervaringen van vrouwelijke bouwkundige ingenieurs in Nederland’, zoals een ongepubliceerde studie uit 1982 (!) van Ellen van Kessel en Marga Kuperus getiteld was.

Daarentegen heb ik wel een aantal boeken kunnen aanschaffen over mannelijk stedebouwkundigen, al dan niet van vrouwelijke auteurs (veelal architectuurhistoricus of vrouwenstudie-onderzoeker).
In september 2020 bijvoorbeeld promoveerde Sjettie Bruins op een biografie van Granpré Molière M.J. Granpré Molière; architectuur en stedenbouw als beroep en als culturele opdracht in de 20ste eeuw. Vooralsnog, meen ik, alleen als boek vormgegeven digitaal beschikbaar, maar nog niet in druk verschenen. Laat staan op dezelfde manier als de monumentale biografie (512 pag , 25 x 30 x 4 cm) van Marinke Steenhuis Stedenbouw in het landschap; Pieter Verhagen 1982-1950 uit 2007 over zijn professionele partner van het bureau Granpré Molière, Verhagen en Kok.

Maar ook het twee jaar geleden verschenen biografisch boek/proefschrift van Hanneke Oosterhof ‘Want de grond behoort ons allen toe’; Leven en werk van stedenbouwkundig-architecte Lotte Stam-Beese helpt ons in de genderproblematiek niet veel verder. Op zich is het een fascinerend studie naar, zoals gezegd, leven en werk van een vrouw die een belangrijke rol in de naoorlogse Rotterdamse stadsontwikkeling heeft gehad. En het is inderdaad jammer dat ze haar straatnaam kreeg in een buurtje met straatnamen van andere Rotterdamse vrouwen van betekenis, en niet op de Kop van Zuid te midden van straten met namen van mannelijke collega’s.  Ik begrijp nu dan ook beter de vrouwendagactie van Heerlen Parkstad om straatnamen te gaan turven onder de noemer: ‘op zoek naar vrouw op straat’.

Alleen jammer dat we net in de vrouwenmaand maart moeten constateren dat de vrouw niets op straat te zoeken heeft. Tenminste als ze niet het gevaar wil lopen lastig gevallen te worden, of zelfs verkracht of vermoord te worden, al dan niet door een Engelse politieman. Want ik ben bang dat het, hoe belangrijk ook, niet zozeer gaat om het vinden van vrouwelijke rolmodellen of door vrouwen geschreven boeken of verrichte studies, maar meer om het onthullen van de onderdrukkende uitwerking van de (eventueel onbewuste) mannelijk blik op de ruimte, en het gebruik ervan. Het provocerend bedoeld voorstel om mannen te verbieden ’s avonds op straat te zijn wordt belachelijk gevonden, maar het advies aan vrouwen om de straat te mijden (voor hun eigen veiligheid) wordt zinvol geacht en keer op keer herhaald. I rest my case.

Met mijn drie dochters (en mijn vrouw) heb ik, voor ons familie-leesclubje het boek Invisible Women; Exposing Data Bias in a World Designed for Men van Caroline Criado-Perez gelezen. Met een overvloed aan gegevens wijst zij op de, ook in de stedebouw voorkomende, neiging voor of vanuit de man te ontwerpen. In ieder geval niet met een zorg voor de belangen cq veiligheid van de vrouw. Of nog beter: met een zorg voor het voorkomen van veelal mannelijke onderdrukking van of geweld tegen de vrouw. Politiek correct moest ik (tot voor kort) dan ook zeggen ‘en andere minderheden’, wat een beetje raar is omdat je daarmee 50% van de bevolking als minderheid bestempeld. Overigens werd ik (door een vrouw) gewezen op de verkeerde vertaling van de ondertitel: in de Nederlandse uitgave staat ‘waarom we leven in een wereld voor en door mannen ontworpen’. Niet alleen gaat de schrijver van het boek expliciet niet in op de waarom-vraag, maar de toevoeging ‘en door’ suggereert dat wanneer er ‘door vrouwen’ ontworpen zou worden het allemaal beter zou gaan. We hoeven Zaha Hadid en de doden bij de bouw van haar in Qatar ontworpen voetbalstadion voor de WK 2022 er niet eens bij te halen om te weten dat dat niet noodzakelijkerwijs zo is.

Ook Lotte schijnt haar werk niet vanuit een vrouwelijk perspectief te hebben aangepakt; de gelijknamige paragraaf in het boek van Hanneke is opvallend kort en ook nog eens voorzien van een vraagteken. In de veel uitgebreidere paragraaf receptie en reflectie wordt op voorbeeldige wijze verhaald hoe over het werk van Lotte (en haar collega) in de jaren vijftig en zestig werd geschreven (weinig) en hoe vanaf de jaren tachtig de naoorlogse stadsontwikkeling van Nederland in het algemeen en Rotterdam in het bijzonder werd bestudeerd. Deze papragraaf leest als een royale beredeneerde bibliografie, jammer genoeg is de literatuurlijst zelf dan weer een serie alfabetisch gesorteerde stapels boeken uit de omgevallen boekenkast.

Eveneens teleurstellend is het dat het ons, in de 40 jaar na Lottes pensionering, niet gelukt is nieuwe, meer actuele rolmodellen in de stedebouw te vinden, in plaats van de steeds weer naar voren geschoven Rotterdamse Lotte en haar Amsterdamse collega Jacoba (Ko) Mulder, die eveneens in 1988 overleed, maar met een plein geëerd werd. Yttje Feddes vierde haar Bijhouwerprijs 2020 tenminste nog met een boek Vakvrouwen in veertig jaar landschapsarchitectuur waarin ze haar eigen carrière en het verhaal van negen andere vrouwelijke landschapsarchitecten beschrijft. Op architectonisch terrein beleefden we de lancering van een papieren versie van een aantal in A.Zine (een digitale magazine over architectuur) verschenen columns, essays en interviews onder de titel Mevr. De Architect, waarin een zeer divers gezelschap vrouwelijke architecten aan het woord komt (en een paar mannen).

Want wat mij verder opvalt aan de hausse aan aandacht voor vrouwen deze maand is dat hij behalve tijdelijk ook vooral vanuit de vrouwen georganiseerd wordt, voor zover er überhaupt iets gebeurt. Want behalve de Heerlense straatnaam-analyse kwam ik niet veel meer tegen dan een actie van het Vlaams Architectuur Instituut om een Wikipedia-schrijfsessie te houden. Volgens mij was de laatste keer dat dat in Nederland gebeurde in 2017 in het NAi. Van de meer dan vijftig boeken op de literatuurlijst voor die schrijfmiddag, getiteld Unforgetting Women Architects, waren er rond de 10 gewijd aan vrouwelijke Nederlandse (interieur- en landschaps-) architecten, stedebouwkundigen en vormgevers. Er is dus nog een hoop uit te zoeken, te beschrijven en te publiceren: digitaal, maar liever op papier wat mij betreft. Aan het werk, mannen! Zelf zal ik proberen niet weer vijf jaar aan dit onderwerp voorbij te gaan.

De Omgevingswet…een koffiegesprek | nawoord

Op 4 maart vond de special De Omgevingswet…een koffiegesprek plaats. Veel deelnemers hebben de discussie tussen Roeland van de Schaaf, wethouder Groningen, en Arjan Nijenhuis, relatiemanager Omgevingswet ministerie BZK, gevolgd. Tijdens het gesprek zijn via de chat veel vragen gesteld. Afgesproken is dat wordt bekeken waar de meeste vragen betrekking op hebben en dat deze door het ministerie van BZK, waar mogelijk, worden voorzien van een reactie.

Zodra deze reactie vanuit het ministerie van BZK is geformuleerd, en de opname tot onze beschikking staat zullen we deze op onze website publiceren.

De omgevallen boekenkast | tweede druk

Door Tjerk Ruimschotel

Terwijl ik de drukproeven van mijn binnenkort te verschijnen gids voor woningbouw in Londen controleerde en corrigeerde, vroeg ik me af of andere auteurs ook op zo’n moment moesten denken aan de uitgebreide en verbeterde editie die zou moeten volgen op het boek dat nog niet eens in druk verschenen was. Niet dat ik ontevreden was over het werk an sich, dat afgerond moest worden omdat de uitgever (DOM publishers uit Berlijn) meende dat de laatste deadline ook echt de laatste moest zijn. Zelfs niet dat het boek momenteel nog met de verkeerde ondertitel (Social Housing ot the Twentieth Century) wordt aangeboden. Ook was het niet onoverkomelijk dat we vanwege de coronacrisis niet in staat waren geweest de net niet goede foto’s opnieuw te maken, of dat ik de laatste, niet op internet te checken facts, niet in een bibliotheek met papieren publicaties had kunnen verifiëren. Ik denk dat het gevoel van onvolkomenheid vooral kwam omdat ik (waarschijnlijk als enige) zag wat er niet in het boek terecht was gekomen, welke informatie niet voldoende was verwerkt, welke nieuwe inzichten nog onvoldoende waren doordacht en dus geschrapt waren, maar uitgewerkt hadden moeten worden  Kijkend naar het boek dat min of meer af was, zag ik ook en vooral het boek wat er hád kunnen zijn: wanneer er meer tijd was geweest, wanneer ik gedisciplineerder mijn tijd had besteed of wanneer ik meer pagina’s had kunnen vullen.

Ik vind het dan ook wel wat wonderlijk wanneer bijvoorbeeld de handelseditie van een proefschrift vaak een letterlijke, hooguit ietwat royaler geïllustreerde versie ervan is, zonder die pagina’s met datum van plechtigheid, alle voornamen van de promovendus en het lijstje van promotoren. Het lijkt me dat wanneer je uiteindelijk en vaak onder de hoogspanning van een academische tijdsplanning en binnen het keurslijf van de wetenschap aan de vereisten hebt voldaan en het werk is afgeleverd, er een periode van bezinning optreedt waarin je, eventueel op basis van het reeds verrichte werk toch een geheel nieuw, meer eigenzinnig product wilt afleveren.

Daarnaast zijn er uiteraard vakmatige publicaties, veelal handboeken die geregeld bijgewerkt moeten worden om nog een beetje bij de tijd te zijn. Maar ook bij ‘gewone’ publicaties kan ik me voorstellen dat er na verloop van tijd behoefte is aan een ‘update’ en hoewel dat in het spraakgebruik vaak een tweede druk heet gaat het natuurlijk om een tweede versie, een tweede editie. Om het (nog) ingewikkelder te maken heten verschillende uitvoeringen (bindwijze, papiersoort, omslag) van hetzelfde werk ook vaak ‘editie’ en lopen in het Frans, Duits en Engels deze begrippen ook flink door elkaar.

Bij het werken aan die Londense woningbouwgids kwam ik dit soort zaken een paar keer tegen. Om te beginnen de verschillende edities van de verschillende architectuurgidsen waarvan duidelijk is dat die periodiek bijgewerkt moeten worden. Zeker wanneer je de, je-het-zelf-moeilijk- makende-term ‘eigentijds’ in de titel opneemt, zoals London’s Contemporary Architecture: An Explorer’s Guide van Ken Allinson en Victoria Thornton, waarvan ik de zes (nogal verschillende) edities tussen 1993 en 2014 moest aanschaffen. Dat ook het RIBA Book of 20th Century British Housing van Ian Colquhoun uit 1999 in 2008 een second edition kreeg is begrijpelijk, maar de nieuwe titel RIBA Book of British Housing; 1900 to the present day roept de vraag op of het anno 2021 niet weer eens tijd wordt voor een nieuwe editie.

Heel anders is het bij het werk van John Allan, een Londense architect, die niet alleen beroemd is geworden door het accuraat en liefdevol restaureren van modernistische woningbouwiconen als Isokon (arch. Wells Coates) en Priory Green maar ook door een proefschriftwaardige monografie over de architect van dit laatste project, getiteld Berthold Lubetkin; Architecture and the Tradition of Progress. Verschenen in 1992 was dit de eerste van de vele veel te dure boeken die ik (in dit geval met financiële steun van mijn moeder) zou kopen. Twintig jaar later heeft John Allan gemeend dit meer dan 600 pagina’s tellende boek, dat al beschouwd werd als de definitieve beschrijving van Lubetkins leven en werk, nog te moeten verbeteren en aanvullen. Jammer genoeg zonder ergens aan te geven waar wat veranderd/aangevuld is zodat ik nu beide meer dan 3 ½ kilo zware boekwerken naast elkaar aan het lezen en vergelijken ben.

Bijna hetzelfde, maar anders is het met John McKean, die, gedeeltelijk omdat hij het leven en werk van de befaamde zelfbouw architect Walter Segal is blijven inventariseren en bestuderen, aan een nieuwe publicatie over Segal werkt. Een andere reden voor hem is dat zijn publicatie Learning from Segal; Walter Segals life, work and influence uit 1998 momenteel alleen antiquarisch en tegen een belachelijk hoge prijs te verkrijgen is. Vooruitlopend op die nog te verschijnen publicatie Walter Segal: English Architect in de serie Twentieth Century Architects wordt in mei aanstaande alvast een ander boek van zijn hand getiteld Walter Segal; Self-built architect uitgegeven.

Bij nai010 verschijnt in 2021 de, volgens de uitgever, langverwachte nieuwe editie van Spacematrix; Space, Density and Urban Form van Meta Berghauser Pont en Per Haupt, het proefschrift waar ze in 2009 in Delft op promoveerden. Ik ben benieuwd hoe zij met hun eigen werk zullen zijn omgegaan. Een ander handboek van nai010 dat dit jaar” volledig herschreven en geactualiseerd” verschijnt, is Ruimtelijke ordening; geschiedenis van de stedelijke en regionale planning in Nederland, 1200-nu van Len de Klerk en Ries van der Wouden.

Ooit verschenen (in 1986) als Aula-pocket met de titel Ruimtelijke ordening; van plannen komen plannen van H. van der Cammen en L.A. de Klerk verscheen een volledig herziene editie in 2003 onder de titel Ruimtelijke ordening; van grachtengordel tot Vinex-wijk met als auteurs Hans van der Cammen en Len de Klerk.

In de loop van dit jaar zal dit dus het eerste Nederlandstalige boek worden waarvan ik drie edities heb. Vier, wanneer we (nogal) bewerkte vertaling van de editie van 2003 meerekenen. The Selfmade land; Culture and evolution of urban and regional planning in the Netherlands verscheen in 2012 met medewerking van Gerhard Dekker en Peter Paul Witsen. Alleen zou die derde Nederlandse editie voortaan onder de K in de boekenkast moeten komen te staan nu Len de Klerk alfabetisch gezien de eerste auteur geworden is. Zonder iets af te doen aan de verdiensten van De Klerk en Van der Wouden en vooral uit waardering voor Hans van der Cammen (niet voor niets erelid van de BNSP) denk ik ze voorlopig allemaal maar bijeen te houden, onder de letter C. In ieder geval tot de volgende editie, immers ‘nu’ is gauw verleden tijd.

Aan de slag met de Omgevingswet | Krachtenbundeling zorgt voor denkkracht én positie

Stedenbouwkundige bureaus, advies- en ingenieursbureaus bundelen steeds vaker hun kracht voor grote opgaven in het werkveld, zoals het DSO, de Regionale Energie Strategie en aanpak van het stikstofvraagstuk. We nemen jullie mee in waar we vandaan kwamen, waarom we de krachten hebben gebundeld en hoe dit in de praktijk goed uitpakt. De samenwerking voor het DSO – juist ook samen met de VNG – is daar een bijzonder voorbeeld van. We weten nu ook wat ons nog te doen staat gezien de bevindingen en aanbevelingen die we hebben gedaan aan VNG en DSO en ook aan onszelf als plannenmakers. Door die samenwerking hebben de plannenmakers een positie gekregen om daarmee verder aan de slag te gaan. We geven u een kijkje in de keuken van Kennislab Omgevingswet. Deze presentatie geeft u een goed beeld van de achtergrond, de ontwikkelingen, de uitdagingen waar we voor staan en hoe we deze in de samenwerking kunnen realiseren.

Ruud Louwes en Melinda Schouten leiden de presentatie

Doelgroep: Iedereen die zich bezighoudt met het omgevingsplan.

Datum: 8 december 9:30 – 11:00

Meld je hier aan voor deze online sessie. Deelname is kostenloos

De inschrijving voor PEP voorjaar 2021 is geopend.

Wil jij je officieel kunnen registreren als stedenbouwkundige? En wil je een programma volgen die dit mogelijk maakt?
De inschrijving voor PEP voorjaar 2021 is geopend! Zorg dat je er op tijd bij bent!

http://pepnl.eu/inschrijven-2021-1/

De omgevallen boekenkast | Advies

Door Tjerk Ruimschotel

 

Soms lijkt het er warempel op dat je als columnist/blogger gehoord en begrepen wordt. In mijn oktober-blog over de NOVI klaagde ik over het gebrek aan manipuleerbaar kaartmateriaal en prompt verscheen begin november de Atlas van de Regio (1). Geen papieren boekwerk  met een mooie voorplaat, maar “een interactieve kaartviewer die middels thematische kaarten verschillende ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven in beeld breng. Zo’n 130 kaarten verdeeld over 12 thema’s om op elkaar te leggen en te vergelijken “. De Atlas biedt, volgens de samenstellers, het PBL “het kaartmateriaal voor het debat dat het Rijk, de regio’s en maatschappelijke partners voeren over ruimtelijke afwegingen”. En terwijl de atlas nadrukkelijk gepresenteerd wordt als hulpmiddel (‘tool’) in de discussies over de Nationale Omgevingsvisie lijkt ook hier de ‘gewone (al dan niet geïnteresseerde) burger’ als belangrijkste doelgroep buiten beeld te verdwijnen; in de dagbladpers werd geen aandacht aan de atlas besteed maar ook op de rijkswebsite over de NOVI wordt er niet naar verwezen. En nu we toch aan het mopperen zijn: in mijn NOVI-blog adviseerde ik om het kaartmateriaal van de beleidsbeslissingen uit de NOVI zélf te digitaliseren, zodat een ieder zijn eigen geografische/thematische uitsnede van De Visie kon maken – dat is er dus nog niet van gekomen. Maar misschien komt het nog en kan ik me voorlopig beter spiegelen aan de bewonderenswaardig positieve toon van onze huidige Rijksbouwmeester in zijn publicatie, verschenen in april van dit jaar.

Het fraai uitgegeven essay-in-boekvorm roept, naast irritatie over de wat zalvende en holistische argumentatie en over het gebrek aan realistische oplossingsrichtingen, toch ook vooral het opwekkende gevoel op dat we het, samen, wel kunnen klaren. Zoals Floris Alkemade zegt: “In de loop van de eeuwen is er een plannings- en ontwerpcultuur ….ontstaan vanwaaruit we – misschien wel beter dan wie dan ook – in staat zijn nu de verdere kennis en inzichten te ontwikkelen die niet alleen het eigen land maar de hele wereld dringend nodig heeft.” Hoewel hij met name verwijst naar onze “omgang met de natuurkracht van het opkomend water” die “onze cultuur en identiteit” en die plannings- en ontwerpcultuur heeft gevormd, denk ik dat het onze rijke ervaring met en reactie op natuurlijke,  sociaal-economische en militair-politieke processen is geweest die de ontwerpende en reflectieve disciplines op ruimtelijk terrein op het huidige niveau hebben gebracht. Het is dan ook jammer dat Alkemade nauwelijks een handelingsperspectief voor onze ruimtelijke professionals schetst. Gelukkig krijgt hij er per 1 december twee nieuwe rijksadviseurs bij om dit manco op te vullen.
Soms duurt het vrij lang voor je als blogger je zin krijgt. Toen, in 2004, de Rijksbouwmeester drie secondanten kreeg heb ik me beklaagd over het ontbreken van een stedebouwkundige in dit College van Rijksadviseurs. Wel waren er adviseurs voor het landschap, de infrastructuur en het cultureel erfgoed. Nadat ik ergens in 2009 in een column gezegd had dat er toch echt een stedebouwkundige bij moest, werd eerst het taakveld landschap verbreed met ‘water’ en infrastructuur met ‘stad’. Deze wat wonderlijke taakomschrijvingen werden pas in 2016 vervangen door zowel een landschapsarchitect als een stedebouwkundige aan te stellen als ‘Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving’. Over deze tenenkrommende terminologie en de ambtelijke, bestuurlijke en commerciële wildgroei eromheen valt een aparte blog te schrijven en misschien komt die er nog.

Aardig aan de twee nieuw benoemde rijksadviseurs is dat ze op een aantal verschillende manieren in de theorie en praktijk van hun vakgebieden werkzaam zijn geweest en erover gepubliceerd hebben. Landschapsarchitect Jannemarie de Jonge is zelfs gepromoveerd, en is daarmee, voor zo ver ik weet de eerste rijksadviseur met die beschouwende kwaliteit. De handelseditie van haar Landscape Architecture between Politics and Science: An integrative perspective on landscape planning and design in the network society (uit 2009) heb ik niet in de fysieke boekenkast. Maar het proefschrift is wel te downloaden (2) en geeft in het eerste deel een aardig historisch overzicht van de eerste decennia van de landschapsarchitectuur, de stedenbouw en de planologie als opkomende disciplines. En is verder nog steeds relevant. Veel van haar overig publicistisch werk is in opdracht en in samenwerking met andere auteurs gemaakt, en digitaal beschikbaar, zoals Een kwart eeuw EO Wijers-stichting Ontwerpprijsvraag als katalysator voor gebiedsontwikkeling (3) uit 2008 en Ontwerpen in de regio, (4) uit 2016, eveneens over de EO Wijers prijsvragen.

Ook stedebouwkundige Wouter Veldhuis (de andere rijksadviseur ) heeft veel gepubliceerd, is vaak opgetreden als co-auteur en zijn werk is soms digitaal beschikbaar. Een vroege bijdrage aan de vakontwikkeling leverde hij als redacteur (met Harko Stolte) van de bundel Zover het oog reikt; ontwerpend sturen aan de stad (1995). In mijn Amsterdam-boekenkast staan twee publicaties waar Wouter aan heeft medegewerkt: de Atlas Westelijke Tuinsteden Amsterdam; de geplande en de geleefde stad (2009) en het vervolg erop acht jaar later, Nieuw-West: parkstad of stadswijk; de vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden Amsterdam. Ik heb de publicatie Verkenning van de rechtvaardige stad Stedenbouw en de economisering van de ruimte (5) die Wouter Veldhuis schreef samen met Simon Franke digitaal gelezen. Zijn recente opiniestuk Niets doen is wél een optie over de discussie over de stad tijdens en na corona/covid is terug te vinden op onze BNSP-site (6) en onlangs verder uitgewerkt in het essay Hier.Heerst.Veiligheid – En verliest het publiek domein zijn betekenis, geschreven samen met Tijs van den Boomen en Simon Franke en gratis te downloaden via Trancity (7). Een persoonlijke publicitaire relatie met Wouter heb ik in de vorm van de fantastische serie eye-openende kaartbeelden van Must (toentertijd bestaande uit Robert Broesi, Pieter Jannink en Wouter Veldhuis) in de Atlas van de verandering, Nederland herschikt van Theo Baart, Tracy Metz en mijzelf; gewoon een mooie papieren publicatie uit 2000.

Van de architect Francesco Veenstra die Floris Alkemade in september volgend jaar gaat opvolgen heb ik geen boeken in de kast liggen; sterker er zijn mij (of google, bing, bolcom en boekwinkeltjes) geen publicaties van of over hem bekend. Dat hoeft voor een Rijksbouwmeester op zich geen probleem te zijn en dat hij voorzitter is van een beroepsvereniging (de BNA) pleit wat mij betreft voldoende voor hem. Maar zelfs bij Floris Alkemade had ik, ondanks diens indrukwekkende lijst van ‘geraadpleegde bronnen’ en zijn tentoongespreide brede belangstelling, het gevoel dat de doorwerking van theorie naar praktijk, van globale problemen naar concrete voorstellen wat aan de magere kant bleef. Ik heb goede hoop dat Jannemarie de Jonge en Wouter Veldhuis vanuit hun brede beroepspraktijken Francesco Veenstra op dat terrein kunnen ondersteunen, maar ik zelf zou er voor de zekerheid toch nog een derde, meer wetenschappelijk reflecterende rijksadviseur aan toegevoegd hebben; dus gewoon iemand met een planologische achtergrond. Ik ben benieuwd hoelang het deze keer gaat duren voor dit advies opgevolgd wordt. Over de al dan niet gewenste sekse, gender, geloof, politieke voorkeur en/of ras van de bouwmeester en zijn/haar adviseurs laat ik me voorlopig maar niet uit.

  1. Atlas van de Regio | PBL Planbureau voor de Leefomgeving
  2. Landscape architecture between politics andd science
  3. Een kwart eeuw EOwijers
  4. EOWijers, ontwerpen in de regio | Jannemarie de Jonge
  5. Verkenning van de rechtvaardige stad – Trancity
  6. Niets doen is wél een optie | Wouter Veldhuis | MUST (bnsp.nl)
  7. Gratis downloads – Trancity

LOOP! Ontwerpers schrijven boek over steden waarin het ‘lekker lopen’ is

In het pas verschenen boek Loop! vertelt stedenbouwkundige Annemieke Molster samen met landschapsarchitecte Sandra Schuit hoe steden en dorpen loopvriendelijker kunnen worden.

Lopen is geweldig. Het is goed voor lijf en leden, het is ideaal voor reflectie én voor ontmoeting. Lopen is milieuvriendelijk, goedkoop, en vraagt weinig ruimte in onze overvolle steden.
Lopen zit in onze natuur. Maar omdat het ook in onze aard zit om energie te sparen, doen we het maar weinig. We wandelen voor ontspanning, maar gebruiken onze benen zelden als dagelijks vervoermiddel. Dat kan anders! Maar dan moet onze omgeving wel een beetje helpen.

Daarom is er dit boek. Loop! is bedoeld om de trend van loopvriendelijke stedenbouw te versterken door inspirerende voorbeelden te laten zien en praktische oplossingen te bieden. In tien ontwerpprincipes laten de schrijfsters zien wat er allemaal mogelijk is.
Soms gaat het om structurele veranderingen, zoals het vergroten van het aantal bestemmingen op loopafstand en het verlagen van rijsnelheden, soms gaat het om kleinere dingen zoals een bredere stoep of een verkeerslicht dat wat langer op groen staat. Voorbeelden uit binnen- en buitenland passeren de revue, waaronder Rotterdam, Leiden, Arnhem, Twello, Aken, Kortrijk en Pontevedra.
Het boek is in de eerste plaats bedoeld voor beleidsmakers en ontwerpers, maar kan interessant zijn voor iedereen die begaan is bij de inrichting van steden en dorpen.

Meer info en bestellen

De omgevallen boekenkast | NOVICE

Door Tjerk Ruimschotel

Tenzij ik me hevig vergis, is nogal onopgemerkt de definitieve Eerste Nationale Omgevingsvisie (gekoosnaamd NOVI) met de ondertitel Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving, door de regering vastgesteld en op 11 september jongstleden naar de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. Wat normaliter een hoogtepunt in het nationale ruimtelijke ordeningsbeleid zou zijn geweest, was nu (vanwege Corona en/of Prinsjesdag?) nauwelijks nieuwswaardig in de landelijk pers. Ik heb namelijk behalve een itempje van de NOS  op 12 september nergens iets gevonden wat hier aan refereerde. Blijkbaar is de NOVI op 24 september in een Algemeen Overleg door leden van de Tweede Kamer behandeld en zal er ook plenair nog over gesproken worden, maar ik word googelend nauwelijks wijzer, tenzij ik me in de krochten van de verslagen van parlementaire commissievergaderingen ga begeven.

Alleen de website www.denationaleomgevingsvisie.nl lijkt enige gestructureerde informatie te bieden aan de burger/betrokkene die geïnteresseerd is in de NOVI en de totstandkoming ervan, maar ook daar moet je wel je best doen om de weg te vinden.  Een onverwachte bron van informatie op de website zijn de 13 ‘meest gestelde vragen’, die samen een vrijwel alles omvattend (en deels digitaal doorverwijzend) overzicht bieden van de inhoud van de NOVI. De voorgeformuleerde laatste vraag 13 had ik zelf al in gedachten:   Is er een gedrukt exemplaar verkrijgbaar van de Nationale Omgevingsvisie, Toelichting en/of Uitvoeringsagenda? En het antwoord vreesde ik ook al: De documenten zijn niet gedrukt verschenen. U kunt de pdf-versies vinden en desgewenst downloaden via: https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/publicaties/novi-stukken+publicaties/default.aspx.

 

Deze, enigszins onder het menu-onderdeel ‘publicaties’ verscholen, map met overzichtslijsten van downloadbare ‘NOVI-stukken’ en ‘Onderzoeken en adviezen’ geeft een goed beeld van wat er de afgelopen periode is gebeurd en welke informatie beschikbaar is. Het doorploegen van het meest recente item, de 9 pagina’s tellende aanbiedingsbrief van de verantwoordelijk Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties levert wel een eerste samenvattend overzicht op. Maar helemaal duidelijk wordt niet waaruit die NOVI nou precies bestaat en wat de exacte betekenis ervan is.  Sinds de Draag bij aan de Nationale Omgevingsvisie uitnodiging uit 2015 is aan de NOVI gewerkt en er zijn in de periode daarna tientallen documenten, rapporten en andere publicaties verschenen, die op een of andere manier hun weerslag hebben gehad in de meer dan 170 downloadbare pagina’s van de NOVI. Maar hoe dat is gebeurd wordt nergens goed toegelicht. Zelfs het bestaan en de status van de Toelichting is wat schimmig. Ik heb alleen in de toelichting zelf gelezen heb dat die ‘integraal onderdeel’ uitmaakt van de Nationale Omgevingsvisie. En gelezen moet worden in samenhang met hoofdstuk 3: Nationale belangen en opgaven in de fysieke leefomgeving. En eigenlijk geen toelichting op de NOVI is.

.     

 

Gekoppeld aan de NOVI  is er nog een Milieueffectrapport Nationale Omgevingsvisie en, enigszins los ervan, een groot aantal start- en tussenproducties, achtergronddocumenten en bijdrages vanuit verschillende hoeken van ons werkterrein. Uiteraard het BNA/BNSP/NVTL – Manifest van juni 2019:  Bouwen aan het Nederland van de Toekomst, wat ons betreft gerelateerd aan de in maart 2019 verschenen BNSP/NVTL-publicatie Regio van de Toekomst – Schetsen voor de Nationale Omgevingsvisie .

Iets eerder verscheen Panorama Nederland van het College van Rijksadviseurs, terwijl Co Verdaas medio 2017 al opperde om van de visie een gesprek te maken: De Nationale Omgevingsvisie Een selectieve, cyclische en doelgerichte dialoog.  Bij elkaar boeiende lectuur die geanalyseerd zou moeten worden op de doorwerking ervan in de uiteindelijke versie van de NOVI.

Voor de leek en de onder tijdgebrek lijdende vakgenoot is via de NOVI-website de NOVI in een Notendop, een pdf, vormgegeven als een liggend A-4 boekje van 14 pagina’s te downloaden, met daarin de hoofdlijnen van beleid en een Discussiekaart als toekomstperspectief voor Nederland . De visie lijkt vooral te bestaan uit het verlangen om praktisch en eensgezinds samen te willen werken, in plaats van echt (politieke geïnspireerde) keuzes te maken op rijksniveau.


De Nationale Ontwikkelingsvisie is niet alleen qua inhoud maar vooral qua vorm een hybride beleidsstuk: de visie is niet gepubliceerd als fysiek boek, maar pdf-digitaal beschikbaar in de vorm van een opgemaakt boek, compleet met voorplaat, achterplat en zelfs (enigszins ridicuul) een ontwerp voor de 5 mm brede rug van een echt boek. Er is echter ook geen gebruik gemaakt van de digitale mogelijkheden om er een (al dan niet interactief) eigentijds product van te maken. Op zijn minst zou het omvangrijk werk makkelijker doorzoekbaar moeten zijn en zou je makkelijker moeten kunnen doorklikken op de honderden noten en verwijzingen. De wat krapjes ‘afgedrukte’ kaartbeelden schreeuwen erom om vergroot en gecombineerd te kunnen worden. Je zou verwachten dat je een eigen selectie zou kunnen maken via onderwerpen, trefwoorden (nergens is een index!) of geografische gebieden. En ergens had ik gehoopt dat er misschien wel een soort game van gemaakt zou zijn geworden in plaats van het wat obligate promotie-videootje.

Wie dacht dat ie met het verschijnen van de NOVI in ieder geval die ordner met gedownloade papieren SVIR-pagina’s kon weggooien komt bedrogen uit. In een niet geheel navolgbare paragraaf wordt eerst verteld dat het Nationaal Milieubeleidsplan; Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid  (2001) en de Rijksnatuurvisie 2014; Natuurlijk verder worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader.

Maar iets verder lijkt dat slechts betrekking te hebben op bepaalde  (niet met name genoemde) delen.  De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone alsook Bijlage 6, Essentiële onderdelen Nota Mobiliteit. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele(eveneens niet nader genoemde)  onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (2015) op grond van de Waterwet. Enigszins onbegrijpelijk dus.

 

Hopend dat de professionals er redactioneel en regelgevend uitkomen, verwonder ik me over de kernvraag aan het publiek: “In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050?” Een beetje vage en vooral zinloze vraag aan bijna de helft van de huidige Nederlandse bevolking, die tegen die tijd hoogbejaard of, volgens verwachting, dood zal zijn. De vraag zou, denk ik, hebben moeten zijn “Aan welke delen en/of aspecten van de instandhoudings- en veranderingsprocessen in Nederland op het terrein van (wat met een lelijk woord) de ‘leefomgeving’ wordt genoemd, wilt u dat op rijksniveau vanaf 2020 gewerkt wordt”. Om daar een beeld van te krijgen is de NOVI-2020 een aardige aanzet, maar ik ben vooral benieuwd naar die permanente bijstelling en aanscherping via de jaarlijkse Nationale NOVI-conferentie, de tweejaarlijkse PBL-Monitor en de vierjaarlijkse uitgebreide Beleidsevaluatie. Wanneer dat een beetje goed en inhoudelijk gepland wordt krijgen we steeds een bijdetijds antwoord op die vraag.
Of dat allemaal onder productie en regie van het ministerie van BZK of van een herboren VROM moet gaan weet ik niet en maakt me ook niet veel uit. In ieder geval lijkt me het optuigen van een Rijksomgevingsvisionaire Dienst een eerste begin. En wanneer we daarin goede ruimtelijke ordenaars en slimme professionals op het gebied van digitale speltechnieken en communicatievormen bijeen zetten, krijgen we misschien zelfs weer plezier in het vormgeven van de regelings-, besluitvormings- en realisatieprocessen van stad en land.  En overigens ben ik van mening dat in de NOVI de reserveringslocatie voor een kerncentrale in Groningen geschrapt had moeten worden.

De omgevallen boekenkast | Stedevaart

Door Tjerk Ruimschotel

Wie, nu we weer op reis (en vakantie) lijken te mogen, het recent verschenen boek Stedevaart er op na slaat om een leuke stedentrip te vinden, komt bedrogen uit.

Maar het boek is desondanks zeker een aanrader voor stedebouwkundigen en planologen, vooral voor wat het wel is én vanwege het feit dat ook duidelijk wordt wat er op ons terrein nog niet geschreven en uitgegeven is. Zo ben ik nog steeds op zoek naar goede gidsen en overzichtswerken voor het professioneel reizen naar en bezoeken van landen, streken, steden en plaatsen.

Enigszins op het verkeerde been gezet door recensies, quotes en de flaptekst vroeg ik een recensie-exemplaar aan. Op de flaptekst wordt de lezer beloofd dat hij door de auteur, Jan Brokken, mee op reis wordt genomen naar “22 steden, aan de hand van 22 markante persoonlijkheden die de geest van de stad incarneren.” Waarna een achttal duo’s wordt beschreven. Op de achterbinnenflap wordt dat nader uitgewerkt: “ In Stedevaart komen 22 steden en plaatsen aan bod”, waarna alle plaatsen en personen (met beroep) worden opgesomd. Die 22 klopt en ‘steden en plaatsen’ ook want naast (Europese) wereldsteden als Berlijn, Parijs en Sint-Petersburg komen plaatsen als Middelharnis, Aizpute en Arcachon (met inwoners rond de 10.000) voor. En over zijn woontijd op het eiland Curaçao noemt Brokken niet Willemstad (150.000 inw), maar twee wijken daarvan: Otrobanda en Marie Pompoen. Het gaat de auteur dan ook minder om steden, maar meer om plaatsen/plekken die betekenis hebben gehad voor de betreffende personen. Het ontbreken van de tussen-N in de titel wordt dan begrijpelijk.

Het boek is dan ook geen stedengids, zoals Lonely Planets Ultieme stedentrips; Inspiratie uit de beste steden van de wereld. En het is ook geen architectuur- laat staan een stedebouwgids; zo’n gids wijst de weg (in ruimte en tijd) in de architectonisch-stedebouwkundige productie van een bepaald gebied en omvat een logisch geografisch overzicht bij voorkeur via kaartmateriaal.

De verzameling steden van Brokken is niet geheel evident. Van de 22 verhalen zijn 13 in Zuid/West Europa gesitueerd, 4 in Oost-Europa, twee in Afrika, één in Japan en twee in de Nederlandse Antillen. Vier verhalen spelen zich af in miljoenensteden, drie in dorpen, maar het merendeel in de door Brokken gewaardeerde middelgrote provinciesteden “…met alle voorzieningen en geneugten die een beetje woonplaats moet hebben.” Er is geen inleiding terwijl de verantwoording alleen uitgebreid ingaat op de schrijf- en drukgeschiedenis van de afzonderlijke hoofdstukken. De meeste verhalen zijn eerder verschenen en soms voor deze bundel bewerkt, maar het boek is ook geen strikt autobiografisch-chronologische beschrijving van de door de auteur bezochte en bewoonde plaatsen. Toch lijkt vooral in de verhalen over de kleinere plaatsen Brokken zelf het belangrijkste personage te zijn en ergens (op pagina 259) stelt hij dat “ … door te reizen en door te lezen je telkens kleine stukjes toevoegt aan je eigen autobiografie.” Grappig dat hij hier lezen schrijft waar je schrijven verwachtte, maar de systematiek van de besproken steden/personages blijft me ontgaan. De helft van de personen die het wezen van de stad zouden belichamen zijn schilders en/of componisten. Maar het boek gaat niet over schilders en de stad die ze geschilderd hebben, zoals Canaletto en Venetië (en London) of Berkheyde en Amsterdam (en Haarlem). Of componisten die onlosmakelijk met een stad verbonden zijn zoals Mozart met Salzburg of Wagner met Bayreuth. Van de overige elf personen is ruim de helft schrijver, waaronder Brokken zelf. Van de ruim twintig personen is er slechts één vrouw, de botanist Eva Mameli Calvino, maar die is ook ‘de moeder van…”.

Stedevaart gaat echter niet over schrijvers die steden en stedelingen beschreven hebben zoals Berlin Alexanderplatz; Die Geschichte vom Franz Biberkopf uit 1929 van Alfred Döblin en onvergetelijk verfilmd door Fassbinder in 1980. Of over steden met rijke literaire associaties zoals Dublin en Split, en zelfs niet over steden waar de aanleg van een bibliotheek een regeneratieve betekenis heeft gehad, zoals Spijkenisse, Tilburg of Groningen om me tot Nederland te beperken. En hoewel Calatrava en Gehry als enige architecten opgevoerd worden gaat het ook niet over die plaatsen waar de aanleg van een iconisch museum, kunstcentrum of operagebouw een stadsontwikkelingsproces bespoedigd heeft. Zelfs geen rondrit langs de Europese (al dan niet culturele) hoofdsteden, maar ook niet langs veelal door de gebruikelijke stadsbeschrijvers gemeden steden. En het is ook niet zo dat de plaatsen via de besproken personen zo bijzonder zijn, integendeel: letterlijk wordt van Port Louis, de hoofdstad van Mauritius (in de Indische Oceaan) gezegd: “een volslagen, oninteressante stad” op de Chinese wijk na, de markt, een geurige kleurige tropische markt, en Villa Eureka. Het is overigens voor mij een ontdekking te merken dat bij sommigen, zoals bij Brokken, steden en plaatsen niet direct ruimtelijke associaties oproepen.

De allereerste zin van Stedevaart had al een waarschuwing moeten zijn: “Mahlers voorliefde voor Amsterdam had weinig met de stad zelf te maken. En inderdaad wie hoopte aan de hand van de componist Mahler de stad Amsterdam (nog) beter te leren kennen, kan het boek meteen weer neerleggen, want dat in Amsterdam veel van Mahlers werk uitgevoerd zou worden is niet direct geografisch verhelderende informatie. Bij het tweede verhaal begrijp je Brokken weer wat beter wanneer hij Bologna, de stad van (de schilder) Morandi beschrijft: “… niet groots of imponerend. Wel mooi, op een bescheiden uniforme manier, met duizenden eendere daken …” maar verder blijven de stadsbeschrijvingen tamelijk impliciet. Over Venetië lees ik vooral dat je er kunt verdwalen (in het pre-smartphone tijdperk). Waar Brokken expliciet over een stad schrijft gaat hij vooral in op het meest kenmerkende gebouw in die stad, zoals in de stukken over de bekende combi’s Valencia/Calatrava en Bilbao/Gehry. En ook bij het minder bekende Yamoussoukro, de nieuw-aangelegde hoofdstad van Ivoorkust bespreekt hij (naast de enige politicus in het boek Félix Houphouët-Boigny) vooral de bouw van de basiliek Notre-Dame de la Paix, een replica van de Sint Pieter in Rome, maar net iets groter.

Nadat ik een (vrijwel gelijke) eerdere versie van dit verhaal had gelezen in het themanummer De Grenzeloze Stad van De Gids uit 2009, raakte ik hevig gefascineerd door Afrikaanse architectuur en stadsontwikkeling, en door het verlangen van regeringen en regeringsleiders naar nieuwe hoofdsteden, zonder nou direct af te willen reizen naar West-Afrika.

En ook dit keer had ik, tijdens het lezen, nauwelijks de neiging om naar de beschreven plaatsen te gaan. Ik had daarentegen wel sterk het gevoel meer te willen lezen/zien van en luisteren naar de besproken personen. De meest interessante leek me Mikalojus Ciurlions schilder en componist in Vilnius, hoewel zijn symbolische (dus ietwat vaag zweverige) fantasiesteden en –landschappen niet direct mijn smaak zijn. De overige kunstenaars en componisten zijn gerubriceerd onder ‘tzt’.

Architecten als Calatrava blijf ik minder interessant vinden, en ook de gebouwen van Gehry roepen irritatie bij me op, maar ik moet toegeven dat ik, na het lezen van Paul Goldbergers Building Art; the Life and Work of Frank Gehry geraakt werd door het lagere schoolproject dat Frank (met zijn zus Doreen) opzette om kinderen te leren hoe je stedebouw bedrijft.

Deze video wordt niet getoond omdat er (nog) niet akkoord is gegaan met het plaatsen van cookies.
Wijzig keuze

De film Kid City uit 1972 geeft daar een ontroerend beeld van en was voor mij aanleiding twee nieuwe dossiers te starten: Kinderen & Stedebouw en Films & Stedebouw. Bij mij leidt lezen vrijwel altijd tot meer (willen) lezen en meer zoektochten op het internet. Wat dat betreft is Stedevaart een zeer inspirerend boek en een waardevolle bijdrage aan mijn autobiografie.

Omdat ik ooit een tijdje op Curaçao gewoond heb, staat op mijn bucketlist als eerste het herlezen van overzeese schrijvers als Tip Marugg (De morgen loeit weer aan)en Boeli van Leeuwen (De rots der struikeling).

En natuurlijk ook Cola Debrot, hoewel ik bang ben dat de novelle uit 1935 waarmee deze grondlegger van de Antilliaans-Nederlandse literatuur bekend werd (Mijn zuster de negerin) tegenwoordig geheel anders getiteld zou moeten worden.

Al zou ik geen idee hebben hoe dit zou kunnen zonder in een oeverloos gender- en/of raciaal debat terecht te komen. Verder bestel ik voor de vakantie in Balkonië  en Bad Meingarten wat stedebouwkundige publicaties en het Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin van Jan Brokken, voordat deze ontdekkingsreis naar de wortels van de Antilliaanse muziek en de Europese invloed die daarin doorklinkt, vanwege culturele toe-eigening dan wel witte dominantie niet meer verkrijgbaar mag zijn.

Corona in een Levende Stad | Elma van Beek

Elma van Beek is partner bij Bureau Maris, oprichter van de Levende Stad en lid van de werkgroep Duurzame Stedelijke Ontwikkeling van BNSP en NVTL

Een levend organisme gedraagt zich naar de wetten van de natuur, of het nou een virus, een mens of een stad betreft. Welke mechanismen treden in werking als je de stad als levend organisme beschouwt en er heerst corona? De richtlijnen van het RIVM hebben gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte, groenvoorzieningen, mobiliteit, publieke functies en openbare voorzieningen. En dat betekent dat beleidsmakers en ontwerpers een verantwoordelijkheid hebben en daarbij te maken hebben met een onduidelijk tijdpad.

Gedrag verandert, een levende stad verandert mee
Een Levende Stad ontwikkelt mee met de veranderende behoeften van de mens, zoals beschreven in het boek ‘Levende stad, stad om in te leven’. In coronatijd is er een behoefte, ook al is die opgelegd, aan 1,5 meter afstand tussen individuen. Dit verandert ons gedrag; we ontmoeten elkaar vaker digitaal, werken veel meer thuis, houden balkonsessies, kringgesprekken in parken en plantsoenen.

Dit heeft gevolgen voor de korrelgrootte waarmee de openbare ruimte ontworpen zou moeten worden. Bankjes, abri’s, wachtrijen, de opnamecapaciteit van een park of plein, alle elementen in de openbare ruimte zijn aan de 1,5 meter regel onderhevig. Het aanpassen duurt een tijd; de stad heeft zijn eigen ritme om zich aan te passen. Alleen daar waar op dit moment ontwerpen gemaakt worden, kan of zal deze afgedwongen marge nu al in de vormgeving zichtbaar zijn. Misschien is dit over enkele jaren een relikwie uit een afwijkende periode, misschien is het de start van een nieuw normaal, met permanente invloed op allerlei niveaus in de stedelijke ruimte.

Meer groen in de leefomgeving
Vanuit andere belangen, zoals klimaatadaptatie, gezondheid en schone lucht, is al langer een pleidooi hoorbaar voor meer groen in de stad. Tijdens de ‘intelligente lockdown’ zijn mensen voor de dagelijkse beweging en frisse neus meer aangewezen op hun woning en de directe omgeving. Het belang van een aantrekkelijke buitenruimte en de nabijheid van plantsoenen, parken en uitloopgebieden is daarmee bekender geworden bij een grotere groep mensen. Omarmt BV Nederland thuiswerken als blijvend alternatief, dan krijgt deze sterkere behoefte aan een kwalitatief hoogwaardige, groene woonomgeving een permanent karakter.

Verandering in mobiliteit
Met de versoepeling van de coronamaatregelen gaan mensen zich geleidelijk aan weer meer verplaatsen. Het gebruik van trein, bus, tram en metro is daarbij als vervoermiddel echter minder aantrekkelijk geworden. De afgelopen jaren werd het openbaar vervoer als duurzame verplaatsingsvorm gepresenteerd. Nu worden mensen die een alternatief hebben, actief ontmoedigd om het collectief openbaar vervoer te nemen. Als we straks allemaal weer even mobiel worden als voordat corona toesloeg, heeft dat grote gevolgen voor ons toen al dichtgeslibde wegenstelsel.

Als het aangenaam weer is en tot een zekere reisafstand, vormen fiets en speed pedelec goede alternatieven. Blijft de angst voor besmetting in de samenleving domineren, dan zullen veel mensen voor de auto of motor als veilig vervoermiddel kiezen. Dit alles kan grote gevolgen hebben voor ons  wegenstelsel. Waar de auto het eerst aangewezen vervoermiddel is, neemt de druk op de schaarse openbare ruimte toe door een grotere vraag naar verkeers- en parkeerruimte. Dit geldt bijvoorbeeld  voor woonwijken, waar de auto van thuiswerkers vaker voor de deur blijft staan. Voor het behoud van een goede verblijfskwaliteit en prettige sfeer voor ontmoeting van mensen, is bij de herinrichting een zorgvuldige overweging op zijn plaats.

Ander gebruik publieke gebouwen
Corona heeft ook invloed op het gebruik van openbare gebouwen en publieke functies. Dat kan grotendeels tijdelijk zijn, maar het is de verwachting dat een aantal elementen een permanent karakter hebben. Met name in de sport- en cultuursector, bij stadions, evenementen, theaters, bioscopen en discotheken is de zoektocht naar een balans tussen de nieuwe veiligheid en een economisch gezond verdienmodel nog maar net begonnen. Vanuit deze sectoren neemt daardoor de druk op de buitenruimte eveneens toe.

De horeca is weer geopend, maar met de huidige toegestane bezetting draaien maar weinig ondernemingen rendabel. Een van de overlevingsstrategieën is het vergroten van terrassen in pleinen en straten van een voetgangersgebied. Het oppervlak aan vrije wandel- en verblijfsruimte verkleint daarmee. Een deel van de cafés en restaurants is helemaal gesloten gebleven, omdat zij hun kosten niet kunnen terugverdienen. Als de 1,5 meter restricties langer aanhouden, zullen deze cafés en restaurants definitief verdwijnen. De vanzelfsprekende aanwezigheid van horecavoorzieningen verdwijnt daarmee. Als gevolg daarvan klinkt er nu al een roep om meer openbare sanitaire voorzieningen in drukbezochte winkelstraten, langs fietsroutes, in parken en op stranden.

Alles komt samen in de openbare ruimte
In de zoektocht naar nieuwe verdienmodellen neemt het belang van de buitenruimte in al zijn veelzijdigheid toe. Om deze druk in goede banen te leiden is het aan beleidsmakers om de benodigde ruimte te bieden voor de functies, die daar in coronatijd om vragen. Dit geldt zowel voor het vastgoed als voor de buitenruimte.
Daarvoor zijn strategische keuzes nodig, in wat er past bij de identiteit en ambities van de betreffende locatie. Maak bijvoorbeeld de uitbreiding van terrassen in wijkcentra en winkelstraten mogelijk en sta in leegstaande panden meer verschillende functies toe, die ontmoeting en flexwerken faciliteren. Voor ontwerpers is het zaak de balans in de openbare ruimte te hervinden. Dat betekent meer plaats maken voor voetgangersroutes, verblijfskwaliteit en groenvoorzieningen, ondanks de toenemende druk van het autoverkeer. Als de stad zich zo aanpast, kunnen we blijvend beter omzien naar elkaar in een stad die ook tot in de verre toekomst houdbaar is.

Zo dragen we bij aan een goed functionerende samenleving in een prettige leefomgeving en past de Levende Stad zich aan, aan de veranderende behoeften van de mensen.


    

 

 

 

 

 

Recent nieuws

Aan de slag met de Omgevingswet en VNG | Demonstraties plansoftware voor dienstverleners

7 april 2021 netwerk

Op 20 en 21 april  van 9:00 tot 15:00 demonstreren softwareleveranciers hun plansoftware aan dienstverleners en overheden. Deze virtuele bijeenkomst wordt georganiseerd door VNG en.

Lees verder

Een frisse blik op de Omgevingswet | het instrument Programma, onbekend maakt onbemind?

29 maart 2021 BNSP

Jong Leefomgeving  en JongBNSP nodigen je uit! donderdag 22 april, van 16:00 – 17:30. | Online De Omgevingswet is voor velen geen nieuw onderwerp. We zijn.

Lees verder

De omgevallen boekenkast | Minderheid

25 maart 2021 Blog

Door Tjerk Ruimschotel Omdat er op de Internationale Vrouwendag van 8 maart met het thema Impact door Invloed digitaal bar weinig tot niets te vinden.

Lees verder

Agenda

22 april 2021

16:00 tot 17:30

Jong BNSP

20 mei 2021

20:00 tot 21:30BNSP

BNSP Salon #3

23 juni 2021

20:00 tot 21:30

ALV

30 juni 2021

De Woonwijk als noviteit

01 juli 2021

Special

01 september 2021

00:00

BNSP-NVTL Academie

01 september 2021

00:00

Traineeship

15 september 2021

20:00

BNSP Salon #4

31 oktober 2021

00:00

Special

01 november 2021

00:00

Plandag

29 december 2021

00:00

Excursie