Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


Archive for the ‘Blog’ Category

De omgevallen boekenkast | Stede-Bouwvak

Nu we, Corona/Covid-gewijs, weer op reis lijken te mogen gaan, zijn er, behalve het opzoeken en bijhouden van de verschillende en steeds veranderende reisbeperkingen per land, twee prangende vragen: waar gaan we, als stedebouwkundigen naar toe en wat nemen we als vakantievakliteratuur mee? Wat ons op de volgende vraag brengt: welke op ons vak gerichte informatiebronnen hebben we daarvoor? Ooit gingen we bijvoorbeeld en masse naar steden als Barcelona, Berlijn of Bilbao om daar de ontwikkelingen ter plekke en ‘life’ te ervaren. Blijkbaar was daar voldoende informatie over geweest om onze beslissingen collectief te sturen. Tijdschriften, boeken, congressen en periodieken van beroepsverenigingen speelden daarin een rol en ik heb eerlijk gezegd geen idee hoe dat tegenwoordig precies gaat.
Zelf heb ik me daarnaast een tijdje laten leiden door de aanwijzing tot Europese Culturele Hoofdstad wat vaak interessante stadregeneratieve projecten met zich meebracht. Maar zo langzamerhand is ‘Europa’ zo uitgestrekt geworden en worden steeds onbeduidender stadjes naar voren geschoven dat het niet bij te houden is. Verder was het voor ons min of meer vanzelfsprekend om elke twee jaar (met het gehele, uitbreidende en uitdijende, gezin) naar Venetië te gaan voor de Architectuurbiënnale, omdat daar ook altijd interessante stedebouwkundige zaken te zien waren. Maar, maar dit jaar hoeven we niet meer zo nodig naar de, net als de EK, een jaar uitgestelde biënnale, zelfs niet terwijl het thema ‘How we live’ is, wat toch een tamelijk fundamenteel relevante kwestie voor stedebouwkundigen is. Mogelijk spelen naast corona een opkomende vliegschaamte en terughoudendheid voor al te exotisch stedebouwtoerisme een rol bij onze keuze ook dit jaar lekker-weg-in-eigen-land te gaan, of net over de grens. Daarom heb ik de jaarboeken landschapsarchitectuur en stedenbouw van de afgelopen 3 jaar maar weer eens doorgeploegd. Ook jaarlijks verschijnend als nummer 4 van het blad Blauwe Kamer geven de jaarboeken een inspirerend bedoeld beeld van ‘Het Beste’ van de recente ontwerp- en realiseringspraktijk.

In het Jaarboek landschapsarchitectuur en stedenbouw in Nederland 2020 wordt daarnaast apart aandacht besteed aan de stad Zwolle in een essay met de intrigerende titel: Het geheim van Zwolle; de succesvolle stedenbouw van een provinciestad. Alleen jammer voor ons dat die succesvolle stedenbouw slecht summier aangeduid wordt en Zwolse projecten nauwelijks eerder in de jaarboeken verschenen. Van de 21 Jaarboek 2020-projecten bleken er negen een ontwerp te zijn, twee waren studies en één een tentoonstelling, zodat er 9 reisbestemmingen overbleven, waaronder Antwerpen, wat nogal vaak in de jaarboeken verschijnt.

In de boekenkast heb ik alleen een ongedateerde publicatie Antwerpen Ontwerpen, die in 1990 verscheen naar aanleiding van de manifestatie Stad aan de Stroom, niet te verwarren met Antwerpen Ontwerpen; Stadsontwikkeling in Antwerpen uit 2012, waarin een overzicht wordt gegeven “van onze belangrijkste ruimtelijke ambities en realisaties van de laatste jaren.”

Om me verder voor te bereiden op een stadsontwikkelingstripje naar onze zuiderburen heb ik de ‘vakpublicatie’ Stad van morgen, de vernieuwing van de stadsvernieuwing (2016) en de ‘inspiratienota’ Ruimte geven aan de stad van morgen (2018) gedownload. Met enig (digitaal) uitzoekwerk is voor deze bestemming een alomvattende reisgids te maken, dus die staat al op onze eigen bucketlist Eropuit in Nederland (en omgeving). Met Zwolle ben ik nog bezig wat niet meevalt: ondanks aankondigingen drie jaar geleden is bijvoorbeeld De Historische Atlas van Zwolle nog niet verschenen, wat jammer is omdat, anders dan de titel suggereert, in deze serie vaak ook ingegaan wordt op recente stedebouwkundige ontwikkelingen en ik graag succesvolle stedenbouw wil bezoeken.

De jaarboeken inventariserend blijkt het Jaarboek landschapsarchitectuur en stedenbouw in Nederland 2019 duidelijk pre-corona te zijn ontwikkeld: van de 21 projecten zijn er tien gerealiseerd en te bezoeken, ware het niet dat er vijf in het buitenland gesitueerd zijn, waaronder Rusland en Italië. Het Jaarboek landschapsarchitectuur en stedenbouw in Nederland 2018 is het meest reisopwekkend: zes van de 20 projecten zijn nog ontwerpen, maar van de 14 resterende gerealiseerde projecten ligt slechts één in het buitenland.

De grote steden Amsterdam, Rotterdam Den Haag en Utrecht nemen, zoals vaker een stevig aantal projecten voor hun rekening, maar Tilburg scoort met drie projecten dit keer zeer hoog. De afgelopen jaren is Tilburg onderwerp geweest van een aantal interessante publicaties: in 1986 verscheen wolstad in ombouw; de inzet van het stadsvormonderzoek bij de herstructurering van de oude stad in Tilburg van Rein Geurtsen, Maurits de Hoog en Sjoerd Cusveller, die zijn afstudeerwerk hierin opnam.

In 1987 bewerkte Hans Wijffels zijn afstudeerscriptie en -ontwerp tot Tilburg, stad zonder concept; bespiegelingen van 150 jaar stadsontwikkeling. In de jaren negentig werd aan de TU Eindhoven, samen met de gemeente Tilburg, een ruimtelijk onderzoek naar dat concept uitgevoerd, wat resulteerde in de publicaties Stadsvorm Tilburg, historische ontwikkeling; een methodisch morfologisch onderzoek (1993) Stadsvorm Tilburg, Ontwikkeling 1975-1995 (1995) en Stadsvorm Tilburg, stadsontwerp en beeldkwaliteit (1996).

Om te begrijpen hoe dit kloeke drieluik de stadsontwikkeling van Tilburg de afgelopen decennia heeft bepaald probeerde ik het in 2018 verschenen ‘cahier’ Verweven Stad van stadsarchitect Ludo Hermans te kopen, maar dat lijkt nergens te verkrijgen te zijn.

Het in 2001 verschenen boek Architectuur en stedenbouw in de gemeente Tilburg, 1850-1940 stopt zoals de titel al aangaf in de jaren 30. Misschien kan de bestelde Historische Atlas van Tilburg (2019) me verder helpen, ondertussen ga ik maar eerst, zonder verdere boekenkennis, naar het krimpdorp bij ons in de buurt met de vakantie-thuis-vierende naam Uithuizen, waar volgens het Jaarboek 2020 de centrumvernieuwing het dorp ‘klaar maakt voor de toekomst’.

Volgens de selectiecommissie was het “uitermate bijzonder dat gemeente en provincie zoveel geld vrijgemaakten voor de herinrichting van een dorpshart dat kampt met leegstand en bevolkingskrimp. Want eigenlijk krijg je er niks voor terug behalve een geluksgevoel.” Als dat geen omweg waard is, weet ik het niet.

Jong BNSP ism Generation.Energy, verslag van de excursie naar Zonnepark ’t Oor

Op 24 juni is Jong BNSP op excursie geweest! Samen met Generation.Energy is deze excursie opgezet om van dichtbij te kunnen zien hoe creatieve koppelingen gemaakt kunnen worden binnen de energietransitie.

In het kader van ‘de terrassen mogen weer open’ hebben we een pop-up terras opgezet bij zonneveld ’t Oor. Dat heb je misschien wel eens gezien vanuit de trein, tussen Leidschedam-Voorburg en Leiden. Het gehele “oor” van het spoor wordt gebruikt voor de opwek van duurzame elektriciteit. Fred Verhaaren heeft ons meegenomen langs de vele bijzonderheden van dit ecologische zonnepark, waar de opwekking van energie gecombineerd wordt met voedselvoorziening, biodiversiteitsversterking én het creëren van een fijne plek.

Fred vertelt ons dat hij samen met zijn vrouw het terrein beheert. Ze hebben meegedaan aan een prijsvraag van de gemeente, waar na hard werken zonnepark ’t Oor het resultaat van is. Gaandeweg hebben ze geëxperimenteerd met de ecologische inpassing van de zonnepanelen: welke opstelling zorgt ervoor dat de bodem voldoende licht en water krijgt? Kun je zonnepanelen en permacultuur goed combineren? Hoe zorg je ervoor dat het gras niet boven de panelen uitgroeit?

Het antwoord op die laatste vraag zijn een kudde schaapjes; Ouessant schaapjes, het type dat klein genoeg is om onder de panelen te kunnen grazen. Door het zonneveld slim te zoneren kunnen de schapen grazen aan de ene zijde, terwijl het gras weer aangroeit aan de andere zijde. Zo wordt het gras nooit te lang, maar is er voldoende voedsel voor de schapen. Naast schapen zijn er ook kippen, eenden, vossen (vooral wegens de kippen) en bijen op het terrein. Allemaal doen ze wat: eitjes leggen, slakken eten of bloemen bestuiven.

Het zonnepark wordt ook gebruikt door vrijwilligers om bijen te houden en voedsel te produceren. In de begroeiing is daarom rekening gehouden met verschillende kruiden en bloemen die bestuivers aantrekken. Zo wordt iedere strook goed gebruikt. Deze weidse en gevarieerde opzet van het park zorgt ervoor dat het een fijne en aangename plek is: erg geschikt voor een terrasje op de donderdagmiddag!

Deze excursie heeft ons laten zien dat als je ervoor open staat om creatief na te denken en te experimenteren, je een plek kunt creëren waar niet alléén energie wordt opgewekt. In plaats van de bodem onder de panelen te laten verschralen, laat dit voorbeeld ons zien dat het mogelijk is om tegelijkertijd aan verschillende grote opgaven te werken. Een inspirerend voorbeeld voor de toekomst!

Publicatie De Woonwijk als noviteit aangeboden aan staatssecretaris Mona Keijzer

Staatssecretaris Mona Keijzer ontvangt van Jacqueline Tellinga, bestuurslid BNSP en initiatiefnemer van de oproep De Woonwijk als noviteit, de publicatie
Foto: Adrienne Norman

Persbericht: 28 juni 2021

Wat kunnen ontwerpers betekenen voor een stadshart zonder winkelhart? Bijna vijftig ontwerpteams bedachten een vrijmoedig idee om het centrum van Geleen weer leefbaar te maken. Geleen kampt met een winkelleegstand van dertig procent. De teams DTNP en New Urban Networks werden geselecteerd en werkten hun idee uit. Op 28 juni nam staatssecretaris Mona Keijzer (EZK) de publicatie van het resultaat in ontvangst. De oproep is een initiatief van de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedenbouwkundigen en Planologen (BNSP) en wordt onder het motto ‘De woonwijk als noviteit’ voor verschillende locaties uitgeschreven.

Het plan Geleen KRAAKT Geleen van het team DTNP geeft ruimte aan de bewoners en ondernemers van Geleen. Er wordt niet gewacht op beleggers en ontwikkelaars. Lokale helden steken zelf hun handen uit de mouwen. Dichtgeslibde bouwblokken en monofunctionele winkelstraten worden opengebroken zodat collectieve tuinen, nieuwe woningtypen en nieuwe bedrijfspanden kunnen ontstaan: ‘Kraak de stad, breek de boel open!’.

 

Het plan Het verspreide Paleis van het team New Urban Networks verleidt de vele werknemers en studenten van de Brightlands Campus van Chemelot om in het centrum van Geleen te gaan wonen. Het team beschouwt het centrum als een paleis dat leeg is. Op de hogere verdiepingen huizen nog de oudere leden van de hofhouding, maar het ontbreekt aan de jonge prinsen en prinsessen die met hun vrolijke levensenergie het centrum zijn glans geven. Dit idee biedt het wonen als dienst aan, niet als bezit. Het kan er zomaar toe leiden dat volgend jaar expats hun intrek hebben genomen in een tot woon-werkhotel omgebouwd winkelpand, waar ze in de oude etalage koffie bestellen.

De gemeente Sittard-Geleen heeft de uitgewerkte plannen enthousiast ontvangen. De eerste verbindingen zijn gelegd. De dialoog is gestart. BNSP bestuurslid en initiator van de oproep Jacqueline Tellinga: “Dit is precies wat we voor ogen hadden met onze oproep. Geen vuistdikke rapporten maar de start van een optimistische dialoog dankzij de verbeeldingskracht van ontwerpers”. Eind augustus start de rijksregeling van EZK voor de herstructurering van winkelgebieden. Tellinga: “Zet dan ook de ramen open en benut de ideeënrijkdom en verbeeldingskracht van ontwerpers en planologen”.

De publicatie is een uitgave van de BNSP, bevat foto’s van Adrienne Norman, is vormgegeven door Stratford Design en is samengesteld door Jacqueline Tellinga, Saskia Voest en Judith Flapper. De publicatie wordt op verzoek toegezonden.
De maquettes van de twee teams zijn te zien in Geleen.  Alle inzendingen, de uitwerkingen van de twee geselecteerde ideeën, en het verslag van de selectiecommissie zijn gepubliceerd op de website van de BNSP.

PersmapPersbericht en afbeeldingen. De afbeeldingen zijn rechtenvrij te gebruiken. Foto’s Centrum Geleen en aanbieden publicatie aan staatssecretaris Mona Keijzer: Adrienne Norman.

 

 

Download hier bovenstaande publicatie

De Woonwijk als noviteit is een initiatief van de BNSP om nieuwe wegen te verkennen qua ontwerp en ontwikkelstrategie voor plekken die daarom verlegen zitten. Bij de eerste editie is samengewerkt met de NVTL, de gemeente Sittard-Geleen en de provincie Limburg.

 

De Omgevallen Boekenkast | BOEKLUST

Door Tjerk Ruimschotel

Na de (door veel te weinig leden bekeken) BNSP-Salon # 3 over Groot-Amsterdam (met fotograaf Theo Baart, Emiel Reiding (Metropoolregio Amsterdam MRA) en Ivonne de Nood Almere 2.0) medio mei jongstleden had ik een (veel te groot) aantal onderwerpen voor deze boekenblog. Allereerst natuurlijk de, al meer dan een halve eeuw durende, discussie over metropoolvorming, al dan niet in Nederland, al dan niet gewenst, al dan niet Amsterdams danwel Randstedelijk of Hollands. Vervolgens het werk van ruimtelijke fotografen in het algemeen en van Theo Baart in het bijzonder. Maar ook moest ik tijdens en na deze webmeeting denken aan de positie van de planoloog/stedebouwkundige in overheidsdienst of ingehuurd als adviseur. Onwillekeurig dacht ik ook aan mijn eigen werk in verschillende hoedanigheden in bijvoorbeeld Amsterdam, Hoofddorp en Almere, de vroegere en huidige woonplaatsen van Theo Baart, de initiatiefnemer van het recent verschenen boekwerk: Groot-Amsterdam, metropool in ontwikkeling. Omdat ik, mede vanwege een boekenquotum, pas onlangs het boek zelf aangeschaft had dacht ik nog niet direct aan een recensie.

Om te beginnen heb ik altijd een grote bewondering gehad voor de manier waarop Theo zijn fotografie inzet als een middel om zijn verwondering vorm te geven. Vaak vanuit een zelf gevoelde noodzaak zijn eigen (woon)situatie te begrijpen maar even vaak ook om de (veranderende) context van die situatie in de gaten te houden; letterlijk in beeld te krijgen. In de loop van de jaren heb ik af en toe te maken gekregen met Theo. Begin jaren 80, toen ik als ambtelijk stedebouwkundige werkte bij de op dat terrein samenwerkende gemeenten Haarlemmermeer, Uithoorn en Aalsmeer, had Theo samen met dichter/landschapsschrijver Willem van Toorn een soort rol gekregen als het lokaal artistiek-intellectuele geweten van de architectonisch-stedebouwkundige ontwikkelingen ter plekke, waar ik natuurlijk dankbaar gebruik van maakte.
Eind jaren 90 verscheen Bouwlust, het eerste deel van de Haarlemmermeer-trilogie, en mocht ik optreden bij een discussie over dit boek. Rond die tijd waren hij en ik, samen met Tracy Metz en de mannen van Must, betrokken bij een publiekspublicatie rond de, nooit verschenen Vijfde Nota van Jan Pronk, wat uiteindelijk resulteerde in de Atlas van de verandering; Nederland herschikt.

Uiteraard had ik in die tijd ook al zijn, meestal in samenwerking geproduceerde, boeken over het wonen in naoorlogse wijken, Nagele en de snelweg gekocht: Wonen in naoorlogse wijken (1985), Nagele N.O.P. (1988) en Snelweg (1996).

Later kon ik zijn eigen wooncarrière volgen via Territorium; vernieuwing van de Bijlmermeer (2003) en Eiland 7; berichten uit de nieuwbouwwijk (2008) en verscheen in 2015 Werklust; biografie van een gebruikslandschap.

Maar ik kwam Theo ook tegen als beeldend chroniqueur van nationale gebeurtenissen zoals de herbouw na De Vuurwerkramp (2000) in Bouwplaats Enschede; een stad herschept zichzelf (2007) en in de Atlas Nieuwe Steden; gedachte, gemaakte, ontworpen en toekomstige stad (2012). Na Enschede werd Theo Baart opnieuw ingeschakeld door Ton Schaap voor het juni 2008 nummer van het blad FORUM (Amsterdam) waarin Ton uitgebreid en soms onverbloemd vertelt over zijn vormende jaren, over zijn werkzaamheden als ambtenaar en over de invloeden op zijn werk.

Zelf heb ik het altijd belangrijk gevonden om, ook (of juist) als betrekkelijk anoniem stedebouwkundige (hetzij ambtelijk danwel adviserend werkzaam) een bijdrage te leveren aan het vakdebat. Via publicaties, discussies, onderwijs. Juist als adviseur werkzaam in een politieke context streefde ik ernaar om mijn ambtelijke en politiek-bestuurlijke superieuren op inspirerende wijze te confronteren met ontwikkelingen (binnen én buiten het vakgebied) die relevant zouden kunnen zijn voor de lokale en op realisatie gerichte problematiek waar we (op dat moment) mee bezig waren. Gedeeltelijk door jong talent in te schakelen, soms oude ervaring in te huren, af en toe kunstenaars aan de tekentafel uit te nodigen of met burgers de buurt in te gaan. Maar ik zou het een, wat mij betreft onwerkbare en onwenselijke, beperking van ons planologisch en stedebouwkundig werk vinden wanneer we als professionals ‘binnen de lijntjes blijven kleuren’ en ‘binnen de box blijven denken’ en mensen als Theo Baart zouden vragen ons te vertellen hoe het nu buiten de lijntjes en de box is. Pas door (af en toe en hier en daar) over de grenzen van je werk te gaan, herken je de werkelijke problematiek en kun je vervolgens proberen die werkelijk vernieuwende voorstellen te doen, waar je uiteindelijk om gevraagd bent. Niemand zit te wachten op meer van hetzelfde. Ik denk dan ook dat het geen enkele zin heeft om te proberen om onzekere of vastgeroeste collega’s te helpen met eigenzinnige analyses (en voorstellen) zoals die door Theo Baart (en vele anderen) keer op keer zijn gepresenteerd, hoe fraai ook vormgegeven (door studio Joost Grootens) als in Groot-Amsterdam.

Alleen wie zijn (m/v) eigen gedachtes en plannen ter discussie durft te stellen, door erover te publiceren, te doceren, te praten raakt geïnspireerd door mensen die vaak door anderen als dwarsdenkers worden ge(dis)kwalificeert. Niet alleen het publicistisch werk van Ton Schaap is een voorbeeld van die door mij zo noodzakelijk geachte reflectie; ook de moderator van de BNSP-salon, Maurits de Hoog, heeft in zijn lange ambtelijke (en in de daaraan voorafgaande zelfstandige) periode meer dan eens gepubliceerd, gedoceerd en de discussie gezocht.

In mijn boekenkast staan dan ook zijn 4 x Amsterdam (2005), Nieuwe Ritmes van de Stad (2009) en De Hollandse Metropool (2012). Recent (2020) is Tour Groot-Amsterdam verschenen, een verzameling essays (en bijpassende fietstochten) over stedebouw in de regio Amsterdam, ook digitaal te genieten: TourGrootAmsterdam.pdf (mauritsdehoog.nl)

Dat, zoals Emiel Reiding zei, het boek van Theo Baart is verspreid onder bestuurders binnen de Metropoolregio Amsterdam is zeer te prijzen. Dat het planologisch en stedebouwkundig deel van het boek verzorgd moest worden door de Noord-Hollandse planoloog Ton Bossink en stedebouwkundige Jurjen Tjarks zonder (veel) medewerking van de MRA geeft te denken. Misschien kan Emiel de komende tijd met zijn organisatie de acht routes van Theo op pagina 80 laten omwerken tot ‘Hoogiaanse’ fietsroutes met bijhorende essays vanuit de wereld van onze metropolitaine bestuurders en hun planologische en stedebouwkundige medewerkers. Zonder de MRA-bestuurders nou direct te willen overhoren, zou enig inzicht in hun observaties, analyses, overwegingen en beslissingen welkom zijn, als begin van democratische transparantie. Tot dan blijven betrokken burgers als Theo Baart buitenstaanders. Al dan niet roepende in de woestenij. Ik neem aan dat Yvonne ondertussen gebruik maakt van het feit dat Theo is neergestreken in haar Almere. Hoewel ik nog steeds ruimte (in de boekenkast en het boekenbudget) heb gereserveerd voor het afsluitende Haarlemmermeerboek Landlust kan aan de andere kant mijn verzameling Almere/Zuiderzeepolders best wat actuele uitbreiding hebben. We zien wel wat het eerst komt.

 

Ruimtelijk Traineeship Rotterdam IV zoekt trainees

GEMEENTE ROTTERDAM + URBIS + BGSV + KUIPERCOMPAGNONS ZOEKEN 4 TRAINEES

Profiel
Ben jij de stedelijk of landschappelijk ontwerper van de toekomst?
Ben jij de jonge professional die:

  • bij de start van zijn carrière direct de volledige breedte van het vak ziet
  • in 2 jaar tijd een groot netwerk opbouwt
  • max. 4 jaar een master heeft in stedenbouw of landschapsarchitectuur op WO-niveau
  • de titel stedenbouwkundige of landschapsarchitect binnen 2 jaar in de pocket wil hebben
  • de ambitie heeft om 4 werkterreinen te leren kennen
  • bereid is om de 2-jarige geïntegreerde route van de beroepservaring (PEP) te doorlopen
  • de Nederlandse taal uitstekend spreekt en schrijft
  • AutoCad en Adobe-software beheerst

Wil jij zo snel mogelijk een stevige en zelfstandige professional worden die zich in elk project staande kan houden? Dan is het Ruimtelijk Traineeship iets voor jou!

Traineeship
In 2 jaar tijd:

  • werk je bij 4 werkgevers; Gemeente Rotterdam, Urbis, BGSV en KuiperCompagnons
  • wissel je elke zes maanden van werkomgeving
  • krijg je nieuwe ervaringen mee
  • ontwikkel je nieuwe kennis
  • zet je je tanden in diverse opdrachten
  • volg je de geïntegreerde route van de beroepservaring (PEP)

Gevraagde competenties

  • Uitstekende ontwerpkwaliteiten
  • Goede communicatieve eigenschappen
  • Vermogen om snel te kunnen schakelen

Combinatie 4 werkgevers
Werken voor 4 werkgevers in 2 jaar betekent snel leren schakelen. De werkgevers verschillen in grootte, type opgaven, cultuur en mensen. Samen beslaan we het totale vakgebied. Het traineeship is daarom een uitgelezen mogelijkheid om veel te leren in korte tijd. Over de vakinhoud, maar ook zeker over jezelf.

 Wij bieden

  • 4 werkplekken van een half jaar (36 tot 40 uur per week) voor 4 trainees bij 4 werkgevers
  • Begeleiding door 4 mentoren
  • Deelname aan en vergoeding van het geïntegreerde programma bij PEP voor de beroepservaringsperiode (twv. € 5.000,00) inclusief in de werktijd
  • Een bruto maandsalaris van € 2.300,00

Periode
Het traineeship start in september 2021 voor de duur van 2 jaar.

Procedure
Heb jij voldoende ambitie, veerkracht en creativiteit om niet door 1 maar door 4 bedrijven geselecteerd te worden? Stuur voor 10 juni 2021:

  • Motivatiebrief (in het Nederlands)
  • CV
  • Portfolio: max. 10 MB met daarin eindpresentatiemateriaal en korte omschrijvingen (max. 150 woorden per project) en beeldmateriaal van het doorlopen proces

Naar Judith Flapper:
j.flapper@bnsp.nl

Uit de sollicitaties worden 8 tot 10 kandidaten geselecteerd die worden uitgenodigd voor de selectiedag op 25 juni 2021. Tijdens de selectiedag presenteren de kandidaten zichzelf door middel van een pitch en is er ruimte voor speeddates met de 4 werkgevers. Op basis van deze selectiedag worden kandidaten geselecteerd.

Informatie
Voor meer informatie over de vacature, neem contact op met Judith Flapper: j.flapper@bnsp.nlof 0648070793.

Meer informatie over de werkgevers

Ruimtelijk Traineeship Midden Nederland zoekt trainees

Waterschap Vallei & Veluwe, H+N+S Landschapsarchitecten, Witteveen + Bos raadgevende ingenieurs, WING

ZOEKEN SAMEN 4 TRAINEES

Profiel
Ben jij de ruimtelijk ontwerper die wil werken aan uitdagende projecten waarin ruimtelijk ontwerp een geïntegreerde opgave is? Wil je je bezig houden met de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Nederland gericht op een klimaatbestendige inrichting, stad-land interactie en de transitie van energieopwekking, mobiliteit en de landbouw?
Heb je een fascinatie voor het zorgvuldig ruimtelijk begeleiden van deze ontwikkelingen en wil je je met name verder ontwikkelen op ontwerpend onderzoek van het landschappelijk systeem vanuit de sturende werking van de ondergrond (‘eerst bodem en water, de rest komt later’)?

Ben jij de jonge professional die:

  • een master heeft in ruimtelijk ontwerpen op WO-niveau (stedenbouw of landschapsarchitectuur)
  • de ambitie heeft om in twee jaar tijd verschillende werkterreinen te leren kennen
  • een leren-door-doen attitude heeft in een werkomgeving die volop in transitie is
  • bereid is om de 2-jarige geïntegreerde route van de beroepservaring (PEP) te doorlopen
  • de Nederlandse taal uitstekend spreekt en schrijft
  • AutoCad en Adobe-software beheerst en nieuwe digitale tools zich snel eigen maakt

Wil jij zo snel mogelijk een stevige en zelfstandige professional worden die zich in elk project staande kan houden? Dan is het Ruimtelijk Traineeship iets voor jou!

 Traineeship
In 2 jaar tijd:

  • werk je bij minimaal 2 en maximaal 4 werkgevers, zowel publieke als private partijen: Waterschap Vallei en Veluwe, H+N+S Landschapsarchitecten, Wing en Witteveen+Bos
  • wissel je mogelijk elke zes maanden van werkomgeving en ervaar je de volle breedte van het vak
  • krijg je nieuwe ervaringen mee
  • ontwikkel je nieuwe kennis
  • zet je je tanden in diverse opdrachten
  • bouw je in 2 jaar tijd een groot netwerk op
  • volg je de geïntegreerde route van de beroepservaring (PEP)

Gevraagde competenties

  • een vlot en inspirerend, omgevingssensitief persoon met goede communicatieve eigenschappen
  • in staat om zowel conceptueel als ontwerpend te overtuigen
  • Uitstekende beeldende communicatievaardigheden (zowel digitaal als schetsmatig)
  • een gedreven, ondernemende en zelfstandige werkhouding met het vermogen om snel te kunnen schakelen
  • enthousiast wordt van werken in integrale projectteams en gemotiveerd is om de waarde van interdisciplinair samenwerken te ontdekken
  • over de grenzen van het eigen vakgebied heen kan en wil kijken

 Combinatie 4 werkgevers
Werken voor meerdere werkgevers in 2 jaar betekent snel aanpassen. De werkgevers verschillen in grootte, type opgaven, cultuur en mensen. Samen beslaan ze het totale vakgebied en willen bovendien ook van jou leren. Het traineeship is daarom een uitgelezen mogelijkheid om veel te leren in korte tijd. Over de vakinhoud, maar ook zeker over jezelf.

 Wij bieden

  • 4 werkplekken van een half jaar (32 uur per week) voor 4 trainees bij 4 werkgevers
  • Begeleiding door deskundige vakmensen met verschillende inhoudelijke achtergronden als mentoren
  • Deelname aan en vergoeding van het geïntegreerde programma bij PEP voor de beroepservaringsperiode
  • Een bruto marktconform maandsalaris

Periode
Het traineeship start in overleg, bij voorkeur in september 2021 voor de duur van 2 jaar.

Klik hier voor meer informatie over de werkgevers

De Omgevallen Boekenkast | Tweede Druk II

In een vorige blog ging ik in op het verbeteren van een boek door het maken van een ‘tweede druk’. Daarna ontving ik (disclaimer: op mijn verzoek) Stedenbouw; kern en perspectieven een boekwerk dat niet zozeer zijn eigen eerdere versie, maar vier andere boeken overbodig maakt.

Jammer genoeg geen vakmatige verbetering van een aantal andere boeken, want dat zou de discipline pas vooruithelpen, maar een soort concluderende samenvatting. Geschreven door (een deel van) de oorspronkelijke auteurs van die vier publicaties, die voortkwamen uit het onderzoeksproject De kern van de stedebouw in het perspectief van de eenentwintigste eeuw van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Allereerst, in 2002 en in 2004 herzien, Het ontwerp van de stadsplattegrond, vervolgens Het ontwerp van de openbare ruimte in 2006, Stedebouwkundige regels voor het bouwen in 2008 en tenslotte Het programma en ruimtegebruik van de stad (2014). Bij elkaar ongeveer 750 pagina’s (formaat 25 x 28 x 7 cm).

Het in 2020 verschenen boek Stedenbouw van Han Meyer, MaartenJan Hoekstra en John Westrik telt ruim 500 pagina’s (formaat 20 x 25 x 3 cm). Dit boek is, om met mijn samenvattende conclusie te beginnen, een doorwrocht werk, breed van opzet, rijk geïllustreerd en met veel voorbeelden uit binnen- en buitenland en door de eeuwen heen. Het zou door elke stedebouwkundige of planoloog bestudeerd en (in ieder geval als zelfstudie) uitgebreid geanalyseerd moeten worden. Want ik heb het gevoel dat het boek, ondanks de vele kwaliteiten die het heeft, enigszins door de tijd is ingehaald. Wat niet geheel verwonderlijk is wanneer je bedenkt dat de opzet van het onderzoeksproject het boek was dat bij het afscheid van Jan Heeling als hoogleraar Stedebouwkundig ontwerpen in 2001 verscheen.

In Over stedebouw; een zoektocht naar de grondslagen van de stedebouwkundige ontwerpdiscipline worden, op grond van het werk van Heeling in de twee laatste decennia van de twintigste eeuw, de vier werkvelden van de stedebouwkundige omschreven als: de ruimtelijk functionele organisatie van de stad en het land; het ontwerp van de stadplattegrond, het ontwerp van de openbare ruimte en de regels voor het bouwen.
Deze vier werkvelden komen terug in de vierdeling die in het in 2020 verschenen boek Stedenbouw is aangebracht en in de serie van de vier publicaties. Het zou een aardig studie zijn de opzet en inhoud van de 4 oorspronkelijke delen en het ultieme boekwerk met elkaar te vergelijken, om te zien wat in de loop van de tijd veranderd is, welke bibliografische bronnen niet meer opgenomen zijn en welke nieuwe inzichten in Stedenbouw de kop opsteken. In ieder geval is de schrijfwijze van stedebouw veranderd in stedenbouw. Maar, en dat is mijn belangrijkste punt van kritiek, uit het eerste werkveld van Heeling is de ruimtelijk-functionele organisatie van ‘het land’ geheel verdwenen waarna de auteurs het uitsluitend hebben over de stad, alsof stede(n)bouw het bouwen van steden, of een stad, zou zijn.

In de inleiding wordt na een beschouwende alinea geconcludeerd: “Steden zijn dus oorden van verandering en tegelijkertijd van continuïteit. Stedenbouwkunde is de discipline die de taak heeft de ruimtelijke voorwaarden voor deze twee ogenschijnlijk tegenstrijdige kenmerken te scheppen.” Hier wordt het aloude misverstand in stand houdend dat stedebouw alleen over de stad zou gaan. Op zich zou ik daar geen probleem mee hebben, ieder zijn heug, maar de samenstellers gaan na dit citaat direct verder met een ambitieuze samenvatting van hun publicatie: “Dit boek biedt een overzicht van de grondslagen van de stedenbouwkundige discipline, de kern en de ‘body of knowledge’ van deze discipline.”  Als belanghebbende beoefenaar en betrokken beschouwer van de stedebouwkundige discipline gedurende meer dan 50 jaar spijt het me om te zeggen dat die ambitie alvast niet waargemaakt kan worden, wanneer ongeveer de helft van het stedebouwkundig werk (namelijk buiten ‘de stad’) buiten beschouwing blijft.

Vervolgens stoelt de serie van vier en het overkoepelende boek op een aantal strikte, haast ideologische uitgangspunten van de auteurs waar wel iets op af te dingen is. De belangrijkste is de hardnekkigheid van het onderscheid dat gemaakt moet worden tussen openbaar en privé. Iets wat in het boek tot belangrijkste instrument van de stedebouwkunde wordt gemaakt. Ik hoef de corona-situatie er echt niet bij te halen om aan te geven dat het sociale en dus ook het ruimtelijk gefaciliteerde leven echt niet meer begrepen kan worden uit deze twee-eenheid.

In mijn optiek is, enigszins gechargeerd gezegd, stedebouwkunde de voortzetting van politieke strijd met andere middelen dan die van de oorlog. Stedebouw is één van de sociale mechanieken waarbij wordt bepaald wie waar met welk doel zich (tijdelijk dan wel definitief) mag vestigen en wat hij daar naar eigen goed dunken kan doen. Een tweede kritiekpunt, dat verder uitgewerkt zou moeten worden is het neutrale of belangeloze karakter dat uit de beschrijving van de stedebouwkundige discipline naar voren komt. Zonder intersectionele stokpaardjes van stal te halen, zou een modern handboek over stedebouwkunde toch iets explicieter moeten ingaan op het onderscheidend, discriminerend of zelfs onderdrukkend karakter van de stedebouw. Bijvoorbeeld ten aanzien van kinderen en ouderen, gehandicapten, vrouwen en etnische of seksuele minderheden.

 

 

Zelfs binnen de zelfgekozen beperking blijft het boek enigszins onevenwichtig. De opzet is vooral thematisch, met een sterke historische component. Het gaat over Nederlandse stedenbouw met relatief veel voorbeelden en boekverwijzingen uit het buitenland, waarbij het niet altijd even duidelijk is met welke reden juist deze zijn gekozen. Ook hier zitten vooropgezette voorkeuren de auteurs in de weg. Een voorbeeld is het boek The Death and Life of Great American Cities uit 1961 van Jane Jacobs (1916-2006): 6 keer figureert Jacobs in de tekst van Stedenbouw, waarvan 3 keer met de volledige boektitel en twee keer met een verwijzing naar ‘het beroemde boek’. En haar denkbeelden worden keer op keer lyrisch beschreven en naar voren gebracht als nastrevenswaardig. En steeds frontaal gesteld tegenover de ‘vernietigende’ werkwijze van Robert Moses (1888-1981), stadsontwerper van New York gedurende vele decennia, waar geen goed woord voor over is. Maar nadat Jane het boek door als heldin wordt opgevoerd (en Moses als schurk) komt het wat vreemd over wanneer op pagina 431 wordt gezegd dat het voor de stad van de eenentwintigste eeuw niet meer gaat om Jacobs of Moses, maar om Jacobs én Moses.

Die zag ik niet aankomen, zeker niet omdat we voor Moses’s werk alleen verwezen worden naar de indrukwekkende, maar ook wel erg negatief getoonzette 1.300 pagina’s tellende paperback (formaat 15 x 23 x 5 cm) uit 1975 van Robert Caro The Power Broker; Robert Moses and the fall of New York.

Het is jammer dat de samenstellers van Stedenbouw wel Hilary Ballons boek The Greatest Grid; The Masterplan of Manhattan 1811-2011 uit 2012 hebben geraadpleegd, maar niet de door haar en Kenneth T. Jackson geredigeerde tentoonstellingscatalogus over Robert Moses: Robert Moses and the Modern City; the Transformation of New York uit 2007 die een wat genuanceerder beeld oproept.

Ik zou het al met al kunnen begrijpen en billijken wanneer de samenstellers van Stedenbouw, voortbouwend op hun imposante onderzoekswerk, een tweede druk al aan het voorbereiden zijn, waarin ten eerste het werkterrein van de stedebouwkundige niet beperkt wordt tot ‘de stad’ en er een scherper onderscheid gemaakt wordt tussen de Nederlandse ontwikkelingen en de buitenlandse context. Wanneer dan ook de wat naïef-neutrale beschrijving van de stedebouw(kunde) plaatsmaakt voor een scherpere analyse van de nog steeds dubieuze kanten van de discipline, én er een betere, beredeneerde bibliografie met suggesties voor verder lezen komt, ben ik helemaal tevreden.

Het wordt tijd dat er, zeg over vijf jaar (een eeuw na de Stedebouw van J.M. de Casseres) een geheel actuele versie van het boek Stedenbouw (al dan niet met tussen-n) verschijnt. Tot dan kopen, lezen (en becommentariëren) we deze editie uit 2020, die overigens beter de titel ‘Stadsontwerp’ had kunnen krijgen, maar in geen enkele stedebouwkundige of planologische boekenkast mag ontbreken.

Tjerk Ruimschotel

30 april finish Landschapstriennale 2021

Hierbij nodigt de Landschapstriennale je van harte uit om vrijdag 30 april van 16.30 – 18.00 uur de live uitzending van de FINISH van de Landschapstriënnale 2021 bij te wonen. Op deze bijeenkomst wordt de oogst van deze editie besproken door Mark Hendriks (kroniekschrijver LT21), Marco Vermeulen (curator LT21), Sylvo Thijsen (directeur Staatsbosbeheer), Peter Smit (gedeputeerde provincie Noord-Brabant), Jannemarie de Jonge (Rijksadviseur Fysieke Leefomgeving) en Joks Jansen (Tilburg University / PON).

Deze Landschapstriënnale vond plaats in Van Gogh Nationaal Park i.o. en duurde de hele maand april. Welke verhalen zijn er verzameld? Wat zijn de conclusies van de verschillende onderzoeken die door de Landschapslaboratoria werden gedaan? Hoe verhouden de vraagstukken zich tot de nationale maatschappelijke opgaven? Het artikel ‘Bouwstenen voor het landschap’ geeft een vooruitblik hierop.

De ‘burger’ krijgt een sleutelrol toebedeeld, zo constateert Mark Hendriks in het artikel. Zij moeten niet alleen hun steun verlenen aan projecten en veranderingen, maar dienen ook steeds meer de ruimte te krijgen om zelf met het landschap aan de slag te gaan. Daartegenover staat de luide roep om regie en sturing op hogere schaalniveaus – om projecten van onderop met elkaar in verband te brengen, om de kwaliteit van het landschap te bewaken en om weerstand te bieden aan ontwikkelingen waar burgers en individuele ondernemers geen grip op hebben, zoals ‘verdozing’, de wildgroei aan zonneparken en de roep om honderdduizenden nieuwbouwwoningen”

Klik hier om naar het artikel te gaan

Klik hier voor de link naar de livestream van de slotbijeenkomst, vrijdag 30/4 om 16.30 uur

De omgevallen boekenkast | Minderheid

Door Tjerk Ruimschotel

Omdat er op de Internationale Vrouwendag van 8 maart met het thema Impact door Invloed digitaal bar weinig tot niets te vinden was, besloot ik om maar weer eens het gendergehalte van mijn bibliotheek te onderzoeken. Dat viel niet mee.  In mijn Nieuwbrief-blogs van maart en april 2016 constateerde ik al dat het aantal publicaties over vrouwelijke architecten, stedebouwkunde nogal tegenviel – om over publicaties over vrouwelijke planologen maar te zwijgen. In de afgelopen vijf jaar heb ik welgeteld 1 (één) boekwerk kunnen kopen en toevoegen aan de subverzameling ‘vrouwen in de (stede) bouw wat doen jullie nou; over werk en werkervaringen van vrouwelijke bouwkundige ingenieurs in Nederland’, zoals een ongepubliceerde studie uit 1982 (!) van Ellen van Kessel en Marga Kuperus getiteld was.

Daarentegen heb ik wel een aantal boeken kunnen aanschaffen over mannelijk stedebouwkundigen, al dan niet van vrouwelijke auteurs (veelal architectuurhistoricus of vrouwenstudie-onderzoeker).
In september 2020 bijvoorbeeld promoveerde Sjettie Bruins op een biografie van Granpré Molière M.J. Granpré Molière; architectuur en stedenbouw als beroep en als culturele opdracht in de 20ste eeuw. Vooralsnog, meen ik, alleen als boek vormgegeven digitaal beschikbaar, maar nog niet in druk verschenen. Laat staan op dezelfde manier als de monumentale biografie (512 pag , 25 x 30 x 4 cm) van Marinke Steenhuis Stedenbouw in het landschap; Pieter Verhagen 1982-1950 uit 2007 over zijn professionele partner van het bureau Granpré Molière, Verhagen en Kok.

Maar ook het twee jaar geleden verschenen biografisch boek/proefschrift van Hanneke Oosterhof ‘Want de grond behoort ons allen toe’; Leven en werk van stedenbouwkundig-architecte Lotte Stam-Beese helpt ons in de genderproblematiek niet veel verder. Op zich is het een fascinerend studie naar, zoals gezegd, leven en werk van een vrouw die een belangrijke rol in de naoorlogse Rotterdamse stadsontwikkeling heeft gehad. En het is inderdaad jammer dat ze haar straatnaam kreeg in een buurtje met straatnamen van andere Rotterdamse vrouwen van betekenis, en niet op de Kop van Zuid te midden van straten met namen van mannelijke collega’s.  Ik begrijp nu dan ook beter de vrouwendagactie van Heerlen Parkstad om straatnamen te gaan turven onder de noemer: ‘op zoek naar vrouw op straat’.

Alleen jammer dat we net in de vrouwenmaand maart moeten constateren dat de vrouw niets op straat te zoeken heeft. Tenminste als ze niet het gevaar wil lopen lastig gevallen te worden, of zelfs verkracht of vermoord te worden, al dan niet door een Engelse politieman. Want ik ben bang dat het, hoe belangrijk ook, niet zozeer gaat om het vinden van vrouwelijke rolmodellen of door vrouwen geschreven boeken of verrichte studies, maar meer om het onthullen van de onderdrukkende uitwerking van de (eventueel onbewuste) mannelijk blik op de ruimte, en het gebruik ervan. Het provocerend bedoeld voorstel om mannen te verbieden ’s avonds op straat te zijn wordt belachelijk gevonden, maar het advies aan vrouwen om de straat te mijden (voor hun eigen veiligheid) wordt zinvol geacht en keer op keer herhaald. I rest my case.

Met mijn drie dochters (en mijn vrouw) heb ik, voor ons familie-leesclubje het boek Invisible Women; Exposing Data Bias in a World Designed for Men van Caroline Criado-Perez gelezen. Met een overvloed aan gegevens wijst zij op de, ook in de stedebouw voorkomende, neiging voor of vanuit de man te ontwerpen. In ieder geval niet met een zorg voor de belangen cq veiligheid van de vrouw. Of nog beter: met een zorg voor het voorkomen van veelal mannelijke onderdrukking van of geweld tegen de vrouw. Politiek correct moest ik (tot voor kort) dan ook zeggen ‘en andere minderheden’, wat een beetje raar is omdat je daarmee 50% van de bevolking als minderheid bestempeld. Overigens werd ik (door een vrouw) gewezen op de verkeerde vertaling van de ondertitel: in de Nederlandse uitgave staat ‘waarom we leven in een wereld voor en door mannen ontworpen’. Niet alleen gaat de schrijver van het boek expliciet niet in op de waarom-vraag, maar de toevoeging ‘en door’ suggereert dat wanneer er ‘door vrouwen’ ontworpen zou worden het allemaal beter zou gaan. We hoeven Zaha Hadid en de doden bij de bouw van haar in Qatar ontworpen voetbalstadion voor de WK 2022 er niet eens bij te halen om te weten dat dat niet noodzakelijkerwijs zo is.

Ook Lotte schijnt haar werk niet vanuit een vrouwelijk perspectief te hebben aangepakt; de gelijknamige paragraaf in het boek van Hanneke is opvallend kort en ook nog eens voorzien van een vraagteken. In de veel uitgebreidere paragraaf receptie en reflectie wordt op voorbeeldige wijze verhaald hoe over het werk van Lotte (en haar collega) in de jaren vijftig en zestig werd geschreven (weinig) en hoe vanaf de jaren tachtig de naoorlogse stadsontwikkeling van Nederland in het algemeen en Rotterdam in het bijzonder werd bestudeerd. Deze papragraaf leest als een royale beredeneerde bibliografie, jammer genoeg is de literatuurlijst zelf dan weer een serie alfabetisch gesorteerde stapels boeken uit de omgevallen boekenkast.

Eveneens teleurstellend is het dat het ons, in de 40 jaar na Lottes pensionering, niet gelukt is nieuwe, meer actuele rolmodellen in de stedebouw te vinden, in plaats van de steeds weer naar voren geschoven Rotterdamse Lotte en haar Amsterdamse collega Jacoba (Ko) Mulder, die eveneens in 1988 overleed, maar met een plein geëerd werd. Yttje Feddes vierde haar Bijhouwerprijs 2020 tenminste nog met een boek Vakvrouwen in veertig jaar landschapsarchitectuur waarin ze haar eigen carrière en het verhaal van negen andere vrouwelijke landschapsarchitecten beschrijft. Op architectonisch terrein beleefden we de lancering van een papieren versie van een aantal in A.Zine (een digitale magazine over architectuur) verschenen columns, essays en interviews onder de titel Mevr. De Architect, waarin een zeer divers gezelschap vrouwelijke architecten aan het woord komt (en een paar mannen).

Want wat mij verder opvalt aan de hausse aan aandacht voor vrouwen deze maand is dat hij behalve tijdelijk ook vooral vanuit de vrouwen georganiseerd wordt, voor zover er überhaupt iets gebeurt. Want behalve de Heerlense straatnaam-analyse kwam ik niet veel meer tegen dan een actie van het Vlaams Architectuur Instituut om een Wikipedia-schrijfsessie te houden. Volgens mij was de laatste keer dat dat in Nederland gebeurde in 2017 in het NAi. Van de meer dan vijftig boeken op de literatuurlijst voor die schrijfmiddag, getiteld Unforgetting Women Architects, waren er rond de 10 gewijd aan vrouwelijke Nederlandse (interieur- en landschaps-) architecten, stedebouwkundigen en vormgevers. Er is dus nog een hoop uit te zoeken, te beschrijven en te publiceren: digitaal, maar liever op papier wat mij betreft. Aan het werk, mannen! Zelf zal ik proberen niet weer vijf jaar aan dit onderwerp voorbij te gaan.

BNSP Salon | Floor Milikowski| 11 februari 20:00 – 21:00 | ONLINE

BNSP-Salon |  Floor Milikowski: Een klein land met verre uithoeken

Floor Milikowski,  journalist, sociaal geograaf en planoloog presenteert online, op uitnodiging van de BNSP,  haar boek Een klein land met verre uithoeken op donderdag 11 februari van 20:00 tot 21:00.

In haar boek stelt Milikowski de mechanismes van geografische ongelijkheid aan de orde en roept daarmee zowel de politiek als de vakwereld op om hierin een duurzame omslag te bewerkstelligen.
In de grote steden(pré-Corona) bruist het van levendigheid en economisch welvaren daar waar op een goede 2,5 uur afstand een totaal ander beeld aanwezig is; leegstand, vergrijzing, berusting en economische achterstand. Toch liggen, zeker in deze tijden van bewustwording van je leefomgeving, hier de kansen en mogelijkheden die met een goede aanpak vanuit overheden en de inzet van de vakwereld tot een omslag kunnen leiden.
De erkenning dat het anders moet is aanwezig maar hoe zet je dat proces in gang…dat is de vraag.

Praat mee over deze onderwerpen en volg de online-presentatie van Floor Milikowski. Eric van der Kooij, Conceptontwikkelaar / Stedebouwkundige bij Bouwfonds Property Development is gespreksleider. Steef Buijs, directeur Buijs Advies en Jessica Hammarlund Bergmann reflecteren op haar presentatie.
Uiteraard is er ruimte om in gezamenlijkheid met jullie het gesprek aan te gaan.
Deelname is gratis. Na aanmelding ontvang je daags voor de presentatie een deelnamelink.

 

Nadere informatie

Maakt het uit of je wordt geboren in Amsterdam of in Delfzijl? Heeft een tiener in het zuiden van Limburg dezelfde kansen als een leeftijdgenoot in de Randstad?

​Ook in Nederland groeit de kloof tussen kansarm en kansrijk, tussen centrum en periferie, tussen macht en onmacht. Banen, kapitaal en hoogopgeleiden concentreren zich in een aantal grote steden. Op andere plekken verdwijnt werkgelegenheid, krimpt de bevolking en moeten ziekenhuizen en scholen hun deuren sluiten. 

Tegenover luxe appartementen langs de Maas in Rotterdam en succesvolle startups op Strijp S in Eindhoven, staan lege winkelstraten in Sittard en vervallen woonbuurten in Emmen. Het succes van de ene plek gaat ten koste van de welvaart elders. In ‘Een klein land met verre uithoeken’ schetst Milikowski een uiterst treffend tijdsbeeld van dorpen en steden, bewoners en bestuurders op zoek naar houvast in een veranderende wereld. Hoe willen we dat het land eruitziet – en wie kan, wil of moet daar invloed op uitoefenen? Naarmate Nederland verandert in een lappendeken van winnaars en verliezers, wordt de urgentie om in te grijpen groter.”
Bron: Floor Milikowski 

Inschrijving

Presentatie Floor Milikowski 11 februari 2021
Lid BNSP/Geen lid BNSP

 

 

Recent nieuws

Zomersluiting 2021 Bureau BNSP

21 juli 2021 BNSP

Het bureau van de BNSP is op zomerreces van 6 augustus tot en met 22 augustus. Fijne zomer!

Lees verder

Excursie Oosterwold | 10 september

21 juli 2021 BNSP

© foto: Gemeente Almere Reserveer alvast in je agenda, na de zomerstop is de eerste activiteit van de BNSP een excursie naar Oosterwold. Op 10.

Lees verder

PlanDag najaarsevent 2021: Terugblikken om vooruit te kijken

15 juli 2021 BNSP

Doe mee met het Plandag-jubileum, het najaarsevent, verbreed je netwerk, deel je kennis en denk mee over de toekomst! Veertig PlanDag boeken staan ondertussen in.

Lees verder

Agenda

01 september 2021

00:00

BNSP-NVTL Academie

10 september 2021

00:00

Excursie

15 september 2021

20:00

BNSP Salon #4

01 oktober 2021

16:30 tot 18:00Jong BNSP

Excursie

01 november 2021

00:00

Plandag

29 december 2021

00:00

Excursie