Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


Archive for the ‘Blog’ Category

BNSP-Salon #6 Ondergronds | 13 oktober

De aandacht voor ondergronds bouwen neemt steeds meer toe nu de ruimte en de natuur schaarser worden. Hoe staat het in Nederland met underground urbanism? In de BNSP-SALON # 6 bespreken we dit met o.a. Rogier Pronk (Anteagroup), Marian Bertrums (GPKL), Berry Kok (GPKL), Fransje Hooimeijer (TUD), Jens Jorritsma (OBSCURA) en Thomas Dillon Peynado (Vereniging Deltametropool).

De ondergrond is meer dan de machinekamer van de stedelijke bovengrond. Water, elektriciteit, internet, gas, afval, wortels en fiets- en autogarages zijn zomaar wat voorbeelden die (steeds meer) ruimte vragen onder de grond. Daarbij vergroot het samenkomen van de vele opgaven en transities (energie, klimaat, circulariteit, mobiliteit) in almaar verdichtende steden de druk op de openbare ruimte en de ondergrond. Daarmee is de ondergrond een ontwerpopgave waar een goede ordening is vereist.

Deze avond starten we met de thematiek en de dynamiek in de opgave: waarom is het belangrijk en waarom juist nu? En wat wordt er al gedaan? En wat nog juist niet? Vervolgens duiken we in de praktijk van de kabels en leidingen en komt er zelfs een voorstel langs voor gebiedsontwikkeling die is opgebouwd vanuit de ondergrond.

Ben jij benieuwd en wil je meer weten over de ondergrondse uitdagingen en kansen? Kom dan 13 oktober naar Arnhem. Mogelijk voorafgaand aan de Salon is er de mogelijkheid om letterlijk onder de grond gaan kijken en wel onder Arnhem CS: de machinekamer in.

 

Programma

18.30 – 19.15 Optionele excursie ‘ondergronds Arnhem CS’

19:20 inloop, CASA, Coehoornstraat 17, 6811 LA Arnhem
19:30 start en introductie door Rogier Pronk
19:35 korte presentaties en verhalen van experts Marian Bertrums, Berry Kok, Fransje Hooimeijer, Jens Jorritsma en Thomas Dillon Peynado
20:40 pauze
20:50 panelgesprek met vragen uit de zaal
21:30 einde avond

 

Sprekers:

Rogier Pronk, Anteagroup

Fransje Hooimeijer, Associate Professor Environmental Technology and Design; Researcher Delta Urbanism Scientific Coordinator Infrastructure and Environment Design Honours/ Delta Futures Lab, Editor Journal of Delta Urbanism (TUD),

Thomas Dillon Peynado, Stedenbouwkundig ontwerper, Project Researcher bij Vereniging Deltametropool

Marian Bertrums Beleidsadviseur Het Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen

Berry Kok,  Beleidsadviseur Het Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen

Jens Jorritsma, stedenbouwkundige, mede oprichter van OBSCURA

Aanmelding Salon #6 Ondergronds
Naam
Naam
Voornaam
Achternaam
Deelname aan
Discipline
Lidmaatschap

NB op de afbeelding het spel ontwikkeld door Studio 1 op 1 ism GPKL over ondergronds bouwen (niet aanwezig op de Salon)

De omgevallen boekenkast | You Jane

YOU JANE

Al enige tijd en sinds kort steeds meer verbaas ik me over (en irriteer ik me aan) de af en toe weer terugkomende populariteit van het soms al 60 jaar oude werk van de journaliste Jane Jacobs (1916-2006). Voor een deel is die terugkeer onbegrijpelijk want zelfs bewonderaars moeten toegeven dat “a number of her economic observations, interpretations and proposals either factually wrong, questionable and/or probably ill-advised…” zijn. Voor een deel is die voortdurende populariteit ook wel begrijpelijk want haar geschriften bleken (tot haar eigen genoegen) zowel inspirerend te kunnen zijn voor lichtzinnig links als rabiaat rechts. Ongeveer op dezelfde manier als de Bijbel de bron kon zijn voor de bevrijdingstheologie uit de jaren zestig als de rechtvaardiging voor radicale orthodoxie van alle tijden. Ook leverden de aanbevelingen van Jacobs de basis voor architectonisch-stedebouwkundige ontwikkelingen, zoals het romantisch-nostalgische Seaside in Florida, icoon van het New Urbanism, vereeuwigd (en terecht geridiculiseerd) in de film The Truman Story, die volstrekt diametraal staan tegenover de door haar geïdealiseerde grootstedelijke context. Net als andere heiligverklaarden heeft Jane een naamdag die door Toronto vastgelegd was op haar geboortedag 4 mei. Ik weet ook niet meer zeker of die Jane Jacobs Day nog jaarlijks gevierd worden of een eenmalige gebeurtenis was, zoals die in New York op 28 juni 2006, dik drie maanden na haar sterfdag.

Ooit (begin jaren zeventig) was ik gecharmeerd geraakt door Jane Jacobs positief geformuleerde pleidooi voor de binnenstad als gemengd woon-, werk- en leefgebied in tegenstelling tot de city-vorming uit die tijd die leidde tot een verminderde woonfunctie van het centrum ten gunste van meer economische functies. Haar essay “Downtown is for People” was opgenomen in een in 1958 verschenen bundel The Exploding Metropolis: a study of the assault on Urbanism and how our Cities can resist it (by The Editors of Fortune) en leverde haar een beurs op van de Rockefeller Foundation om hier verder aan te werken. Ruim twee jaar later publiceerde zij haar Death and life of Great American Cities door sommige jacobijnen liefkozend afgekort tot het freudiaans aandoend duo  ‘Death and Life’. Het werk is vooral een kritiek op de stadsvernieuwing van de jaren vijftig in de 20ste eeuw in een paar grote steden in de USA en een bewondering voor het ogenschijnlijk perfect functionerende stedelijke leven in een aantal buurten in diezelfde steden, met name haar woonbuurtje (The Village) in New York. En ze kwam met enkele aanbevelingen voor een levendige en succesvolle straat, wat zou leiden tot levendige en succesvolle steden.

Hier begon ik al te twijfelen, want het is duidelijk dat, hoezeer ik zelf ook het stedelijke wonen (in een urban village) waardeerde, er vele andere woon- en leefvormen zijn, variërend van volstrekt autarkisch leven in de wildernis (of in de Biesbosch zoals ik in mijn afstudeerplan voor het Eiland van Dordrecht voorstelde) tot tijdelijk wonen in een hotelachtige setting, al dan niet vrijwillig als toerist of op de vlucht.  Hoewel ze steeds wordt opgevoerd als iemand die (blijkbaar anders dan professionele plannenmakers) onbevangen kon kijken, goed kon observeren en zo kon waarnemen wat de echte werkelijkheid was, keek Jane Jacobs volgens mij helemaal niet goed rond, want ze was in het geheel niet geïnteresseerd in de verschillende manieren waarop mensen hun urbane, sub-urbane of rurale leefomgeving vormgaven. Ze verafschuwde de buitenwijk en verheerlijkte het grootstedelijk leven en vond dat iedereen zo moest (kunnen) leven. Een standpunt dat ik nogal vond lijken op de, terecht bekritiseerde, top-down benadering van de toenmalige stadsontwikkeling. Ook ergerde ik me (als stedebouwkundige) aan haar karikaturale beschrijving van ons werk en de opleidingen daarvoor en ik vond het nogal demagogisch hoe ze een aantal grondleggers van ons vak wegzette – ik vermoed vooral op basis van een samenvatting van hun werk in het boek van Charles Haar Land-Use Planning: A casebook on the Use, Misuse and Re-use of Urban Land uit 1959.

Maar overtuigd dat zo ongeveer alle gevestigde experts op vrijwel alle vakgebieden het bij het verkeerde eind hadden schreef Jacobs The Economy of Cities (1969) waarin ze de Cities First (and Rural Development Later) theorie verkondigde, waarin ze betoogde dat landbouw pas ontstond nadat in ‘steden’ de behoefte daaraan was geformuleerd, iets wat ik toen als dwarsdenkende young professional aantrekkelijk vond, maar dat sindsdien (maar eigenlijk ook daarvoor) gewoon flauwekul is gebleken. Na deze prioritering van de stad in de geschiedenis schreef ze in 1984 Cities and the Wealth of Nations, waarin het primaat van steden voor de nationale economie wordt beschreven. Wederom een publicatie om haar geloof in de stad als een soort autonoom scheppend wezen te onderbouwen en uit te dragen.

Ondertussen was ik afgehaakt. Niet gehinderd door enige bescheidenheid schreef zij op een leeftijd dat de meesten van ons het rustiger aan zouden moeten gaan doen Systems of Survival (1992) over de ethische aspecten van handel en politiek en in 2000 The Nature of Economies, waarin ze op haar manier parallellen trok tussen de ontwikkeling van biologische en economische systemen. In 2004 publiceerde ze haar laatste boek:  Dark Age Ahead, een sombere waarschuwing voor het verval in onze samenleving. Alsof dat nog niet genoeg was werkte ze tot haar dood in 2006 (een week voor ze 90 zou worden) aan twee nogal ambitieus lijkende publicaties, met als veelzeggende werktitels  A Short Biography of the Human Race en Uncovering the Economy .

Op zich zouden we deze literaire carrière kunnen afdoen als de steeds ongeremdere en megalomanere productie van iemand die op een bepaald moment een zeer waardevolle bijdrage leverde aan een verbreding van het denken over de stad, stadontwikkeling, stedebouwkunde en planologie, daarna haar eigen weg insloeg en steeds meer afstand nam van de mainstream wetenschap en reguliere planningspraktijken. Toch blijft Jane tot op heden bewonderd en zelfs bewierookt worden. Zelfs zijn er (soms hooggeleerde) vak- en beroepsgenoten van ons die zich niet alleen schatplichtig aan haar voelen, maar ook actief het (mijns inziens nogal gedateerde en dubieuze) gedachtegoed van Jacobs propageren. Bijvoorbeeld over ‘de stad’ als een zelfsturend organisme, waar elke overheid of planner vanaf zou moeten blijven. Zelfs als metafoor is dit, nog afgezien van het ongedefinieerde begrip ‘stad’, op zijn minst naïef en in ieder geval gevaarlijk verhullend.

De stad (of welke andere fysiek-ruimtelijke constructie) is het wankel resultaat in ruimte en tijd van een groot aantal complexe investeringsbeslissingen (om er al dan niet geld, energie en tijd in te steken) binnen eveneens complexe reguleringsstelsels (wet- en regelgeving, subsidie, dwang, geweld) in het recente en verder weggelegen verleden. Die vroegere beslissingen zijn, net als de evaluatie van het resultaat ervan in het heden en de verwachtingen over de toekomst ervan, menselijke activiteiten die, gewoon (weliswaar niet zonder enige moeite) te achterhalen zijn. Het functioneren van mensen in de gebouwde omgeving is in ieder geval geen uitbarsting van ‘spontane generatie’, van leven ontstaan uit een de dode materie van een stad. Dat denken of zeggen is als geloven dat de informatie op je beeldscherm vanzelf uit dat beeldscherm opduikt. Het is niet ongebruikelijk voor Janes apologeten (niet zelden in overheidsdienst) om gedachteloos te blijven herhalen dat planners (in een ivoren kantoortoren achter hun bureau of tekentafel) meer kwaad dan goed doen en dat ‘de overheid’ eigenlijk niet nodig is omdat ‘de burger’ niet alleen een blijkbaar onbetwistbare ervaringsdeskundige is maar ook kan vertrouwen op ‘de eigen vitaliteit van  de stad’ en zijn/haar/hun eigen regenererend vermogen.

In 2009 verscheen voor het eerst een Nederlandse vertaling van Death and Life: Dood en leven van grote Amerikaanse steden, met een nawoord van Simon Franke en Gert-Jan Hospers die ook de samenstellers waren van de gelijktijdig verschenen bundel De levende stad; over de hedendaagse betekenis van Jane Jacobs. Behalve dat die betekenis slechts af en toe expliciet gemaakt wordt mis ik in deze verzameling toch wel erg losse stukken een scherpere analyse van haar gedachtegoed en van de actuele relevantie ervan in Nederland. En weer worden we het publicistisch bos ingestuurd met een willekeurige verzameling literatuur. Juist hier had een goed en beredeneerd overzicht van de verschillende boeken van en over Jane Jacobs en over de door haar aangedragen theoretische noties de lezer verder geholpen. Verder had ik verwacht dat ook deze pleitbezorgers van de stedelijke en/of stedebouwkundig-planologische denkbeelden van Jane Jacobs zouden komen met een catalogus van concrete voorbeelden van succesvolle, diverse, levendige Jacobiaanse straten, buurten, wijken en steden in Nederland, Europa en de USA die we zouden kunnen gaan bekijken om met eigen ogen te zien hoe het ‘sidewalk-ballet’ er 24/7 plaatsvindt. Dat dat ook in deze publicatie niet gebeurd is past in de trend om vooral verbaal het gelijk van Jane Jacobs aan te tonen, maar niet in de werkelijkheid van alledag. De locaties van het werk van de vaak met haar in één adem genoemde Robert Moses zijn daarentegen meestal aangegeven op kaartjes van New York en ommeland in publicaties over hem. Hoe we dat werk waarderen is een andere zaak, maar we kunnen in ieder geval zelf en met eigen ogen gaan kijken of het functioneert, tenminste als we de wachtrijen op Schiphol en onze vliegschaamte kunnen overwinnen. Misschien is het toch beter om te wachten op een papieren of digitaal overzicht van plekken waar we kunnen zien dat Jacobs receptuur heeft gewerkt en de aanpak van Moses niet. Of omgekeerd.

 

Publieksevent en boekpresentatie ontwerpstudie Stad × Ruimte

Donderdag 6 oktober 13.00u –17.00u
Lindner WTC Hotel & City Lounge, Lange Kievitstraat 125, Antwerpen

De ontwerpstudie Stad × Ruimte is afgerond met een prachtige publicatie en met gepaste trots nodigen we u van harte uit om de presentatie hiervan bij te wonen. De boekpresentatie gaat gepaard met een feestelijk publieksevent waarin toonaangevende Nederlandse en Vlaamse vertegenwoordigers – vanuit bestuur, beleid, beroepspraktijk, onderwijs & onderzoek – de bezoekers meenemen in de ruimtelijke uitdagingen voor de steden, de mogelijke antwoorden hierop en de geleerde lessen van de ontwerpstudie. Deze laten zien hoe door anders kijken, denken en handelen ruimtelijke en maatschappelijke opgaven daadwerkelijk kunnen worden aangepakt. Denk aan de energietransitie, klimaatverandering, mobiliteit, circulariteit, biodiversiteit en inclusiviteit, Kunnen we zo’n veelvoud aan opgaven nog wel ruimtelijk inpassen als we kijken naar de huidige inrichting van de openbare ruimte? Hoe kunnen we de ondergrond hierbij betrekken? En wat kan ontwerpend onderzoek hierbij betekenen? Moeten we ons hedendaagse denken over ruimtegebruik niet kantelen om uitdagingen daadwerkelijk te kunnen aanpakken? Er is volop ruimte om met elkaar in gesprek te gaan.

De ontwerpstudie Stad x Ruimte
Zeven multidisciplinaire ontwerpteams uit de praktijk en zes studententeams van de TU Delft hebben in 2021 uiteenlopende locaties onder de loep genomen in Amsterdam, Leuven, Maastricht, Mechelen, Oostende en Rotterdam. De locaties hebben elk een eigen karakter en specifieke condities zoals een historische woonbuurt, sportpark, wederopbouwwijk, industrieterrein, havengebied en verkeersknoop. De teams hebben hierop een eigen visie ontwikkeld en vertaald naar een integraal ontwerp voor een locatie als een kwalitatieve en toekomstbestendige leefomgeving. Het gemeenschappelijke vertrekpunt was hoe integraal en multifunctioneel ruimtegebruik hieraan kan bijdragen waarbij ondergrond, openbare ruimte en gebouw onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Zijn de betrokken steden en teams nu wijzer geworden van deze ontwerpstudie en welke lessen kunnen we
trekken uit alle visies, ontwerpen en ervaringen?

Voorlopig programma
12.45u Inloop
13.00u Programma:
 Welkomstwoord door Christophe Pelgrims namens de Vlaamse overheid
 Een drietal inleidende presentaties van vertegenwoordigers bestuur, beleid en beroepspraktijk
 Elevator-pitches ontwerpteams
 Lessen uit de ontwerpstudie
 Paneldiscussie door vertegenwoordigers vanuit bestuur, beleid, beroepspraktijk en onderwijs
 Boekuitreiking
16.15u Borrel en hapje.

Aanmelden
We hebben slechts 80 plaatsen, meld je snel aan via evenbrite van het Departement Omgeving.
Meer informatie over de ontwerpstudie kun je lezen op de projectwebsite.

De ontwerpstudie en publicatie zijn het initiatief van het Centrum voor Ondergronds Bouwen (COB), TU Delft
(DIMI), Vlaamse Overheid (Departement Omgeving) en de Vereniging Deltametropool – in nauwe samenwerking
met de steden Amsterdam, Leuven, Maastricht, Mechelen, Oostende en Rotterdam

BNSP, NVTL, BNA & BNI gaan naar de Floriade!

De BNSP nodigt haar leden en die van de BNI, NVTL en BNA uit voor de Floriade! We bieden je een ticket aan voor een mooi tarief met daarbij een uiteenlopend programma op de Floriade zelf. Een ticket kost normaal 27 Euro, maar via deze weg betaal je maar 10 euro (excl. btw)!

Het ticket is geldig voor de hele dag. Je kunt dus buiten ons programma om ook zelf over de Floriade langs de verschillende paviljoens.

Programma

13.00 Ontvangst met een drankje in The Natural Pavilion

13.30 Presentatie Floriade Expo en uitleg Natural Pavilion
The Natural Pavilion wil bezoekers van de Floriade 2022 inspireren en laten zien hoe we als samenleving natuurinclusief kunnen wonen, leven en werken. Het gebouw is vrijwel geheel opgebouwd uit natuurlijke (biobased) materialen en is een letterlijke opeenstapeling van innovaties. The Natural Pavilion laat zien dat het nu in 2022 al mogelijk is om op industriële schaal woningen, scholen en kantoren te ontwikkelen die volledig circulair, biobased, energieneutraal en in nauwe samenhang met natuur zijn. Met The Natural Pavilion geven we vorm aan een nieuw circulair bouwecosysteem, versnellen we de groene transitie en zorgen we voor een betere manier van leven. The Natural Pavilion bewijst dat architectuur kan bijdragen aan het oplossen van de grote wereldproblemen van nu. In drie woorden: Parijs in Praktijk!

14.05 Rondleiding Exploded View Beyond Building
Ontdek bij ‘Exploded View’ de connectie tussen landbouw, voedselproductie en duurzame bouwmaterialen van de toekomst. Bouw je huis met meer dan 100 natuurlijke materialen (Exploded View Beyond Building)

14.45 uur Duitsland Paviljoen
Het paviljoen van Duitsland staat symbool voor de moderne, groene stad met een groene binnenplaats als middelpunt, net als een stadspark midden in een woonwijk!

15.15 Verenigde Arabische Emiraten paviljoen (88 op plattegrond Floriade)
Groen is belangrijk over de hele wereld, ook in plekken waar dat minder voor de hand ligt. Hoe vergroen je een stad waarin hitte, droogte en zoute grond aan de orde van de dag zijn? In het paviljoen van de Verenigde Arabische Emiraten leer je alles over vergroening in de woestijn.

Vanaf 15.45 vrij in te vullen.

Floriade sluit om 19.00

Let op: de aanmelding voor BNSP-leden loopt via de BNA.

Wil je dit niet missen? Stuur dan een mail naar de BNA Academie via academie@bna.nl en laat je gegevens achter. Alleen voor leden van de BNA, BNSP, NVTL en BNI.

EFL Stichting open oproep: Ontwerpen aan een klimaatrechtvaardige wereld

Kunnen we de gevolgen van klimaatverandering zo vormgeven dat de leefomgeving van iedereen erop vooruit gaat? Wat betekent dat voor de inrichting van de ruimte, in Nederland maar ook over de hele wereld?

De EFL Stichting is op zoek naar antwoorden. Zij is ervan overtuigd dat de oplossing gevonden kan worden door ontwerp, onderzoek en beleid met elkaar te verbinden. Teams bestaande uit verschillende achtergronden worden hiertoe uitgedaagd. Drie geselecteerde teams krijgen elk 50.000 euro om hun voorstellen uit te werken.

Ben je geïnteresseerd om mee te doen? Kom naar de Kick-off en Matchingsdag op 26 augustus 2022 in Amsterdam. Dat is tevens het moment om mogelijke teamleden te ontmoeten.

Met onder andere Caroline Newton, ontwerper en houder van de Van Eesteren Fellowship (TU Delft), Sandor Gaastra, directeur-generaal Klimaat en Energie (Ministerie EZK), Jannemarie de Jonge, Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving en een lezing van Inger Kammeraat (MVRDV).

26 augustus 2022 | Kick-off en Matchingsdag | 10.00-14:00 | De Parade (Martin Luther Kingpark Amsterdam) | bijdrage €15,- incl. lunch, koffie en thee | aanmelden voor 12 augustus via de website.
Voor meer informatie over de Open Oproep kijk op de website

Terugblik Dag van de Ontwerpkracht

Op 6 juli vond in de schouwburg van Deventer de eerste Dag van de Ontwerpkracht plaats, georganiseerd door de BNSP en de NVTL. Hugo de Jonge presenteerde er zijn programma’s NOVEX en Mooi Nederland, ontwerpers toonden wat zij aan verbeelding en narratieven in huis hebben om de grote opgaven ter hand te nemen. De beroepsgroep leek zelfs het begin van een nieuw idioom te vinden om kansrijke oplossingen te presenteren: stadspolders, klimaatkades, natmakerijen, meedeindorpen. NVTL en BNSP introduceerden in Deventer het Platform Ontwerpend NL als centraal aanspreek- en coördinatiepunt voor de gezamenlijke inzet van ontwerpkracht in concepten voor de toekomst. Unaniem oordeel aan het einde van de dag: volgend jaar weer, graag!

Na een welkom door locoburgemeester Liesbeth Grijsen van Deventer, trapten NVTL-voorzitter Ben Kuipers en BNSP-voorzitter Stefan Bödecker de Dag van de Ontwerpkracht af met een korte uiteenzetting van het waarom van de dag: “Vanwege de vraag naar het hoe: we staan voor complexe opgaven en de vraagstukken worden almaar groter. Het gaat vandaag om kennis verzamelen, ontwikkelen en vooral delen – en niet alleen binnen ons eigen vak, maar breed, met het maatschappelijk veld.”
Dat met Hugo de Jonge van VRO een minister met visie is aangetreden is een pré, stelden Kuipers en Bödecker: “Hij wil de traditie van de ruimtelijke ordening herstellen. Onze taak is het mobiliseren van de kennis en kunde die daarvoor gevraagd is en gezamenlijk aan oplossingen werken. Te beginnen vandaag: samen aan de slag, in masterclasses, op thema’s, kennis delen.”

Oproep aan de minister
Bödecker en Kuipers eindigden met een oproep aan de minister: “Luister nadrukkelijker naar deze mankracht en kennis, voer niet alleen de regie vanuit Den Haag.” Een reactie kwam per kerende post, nog op de Dag van de Ontwerpkracht. Hugo de Jonge opende zijn presentatie van NOVEX en Mooi Nederland met de uitspraak: “God schiep de wereld, maar de Nederlanders schiepen de ruimtelijke ordening.” De Jonges pleidooi: “We kunnen bogen op een geweldige traditie als het om de ruimtelijke ordening gaat. Maar ik moet erbij zeggen dat we de afgelopen jaren op nationaal niveau onvoldoende aan ruimtelijke ordening hebben gedaan. We hebben ontwerpend Nederland hard nodig de komende jaren.”

Een beuk op een raar bultje
Jannemarie de Jonge, Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving verbeeldde de opgave met een kernachtig: “Heeft u haast, neem dan een omweg.” Als contrapunt voor de vele Kamerbrieven over de verschillende facetten van deze opgave, vloog De Jonge de materie op een andere manier aan – met een foto van een machtige beuk in de buurt van Zutphen: “Dat beeld raakte mij. Hoe lang staat `ie daar al, op zo’n raar bultje, met al die wortels die duidelijk maken; een beuk heeft ruimte nodig, die zet je niet in de straat. Wij als ontwerpers zijn geworteld in de praktijk – neem dat als basis, voor de ‘wederombouw’ – die term past, want de opgave nu is vergelijkbaar met de periode na de Tweede Wereldoorlog.”

Ga uit van de natuurlijke processen
En passant maaide De Jonge de voeten weg onder de veelgebruikte term ‘integraal aanpakken’: “Ik heb een hekel aan dat woord integraal.” Als alternatief droeg zij integreren aan: “Dat kunnen wij goed, daar hebben we voor geleerd, daar zijn we in getraind.”
Als houvast voor de aanpak van de grote opgaven, noemde De Jonge de verhouding van de mens tot natuurlijke processen: “Het bodem- en watersysteem is echt onze basis – niet de stikstofnormen. De natuurlijke processen hebben ons niet nodig, maar wij die processen wel. Verbindingen kunnen we bereiken met inachtneming van de grenzen van deze processen.”

Regels en pegels
Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Journalist Frénk van der Linden, moderator van de Dag van de Ontwerpkracht, haalde de woorden van Willem Elsschot aan toen zich, na Hugo de Jonges presentatie over NOVEX en Mooi Nederland, een discussie tussen zaal en minister ontspon. Die ging over de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van alle plannen en vergezichten voor de grote opgaven.
Vanuit de zaal kwam de constatering dat de plannen vrijblijvend zijn: er zit geen geld in de programma’s, hoe worden ze dan gerealiseerd? Hoe gaat u ons helpen? Antwoord van De Jonge: “Geld stuurt, maar ook wet- en regelgeving – regels en pegels. Er komen bestuurlijke afspraken met provincies en dan komt er een ruimtelijke arrangement. Wat betreft het geld: we doen het ook niet zonder dat.”

Kom op, aan de slag
Dat van dat geld, dat was ook Winy Maas opgevallen: “Mooi Nederland: inderdaad een mooie verbouwing. Met sturing en monitoring, harstikke mooi en goed. Wel weinig geld voor vrijgemaakt.” Om zich vervolgens helemaal niets gelegen te laten liggen aan wetten en andere dingen die in de weg zouden kunnen staan. De architect, landschapsarchitect, stedenbouwkundige en partner bij MVRDV doopte zijn lezing ‘Inspiratie’ en agendeerde onmiddellijk de urgentie van de opgave: “Kom op, we moeten aan de slag. Het is 6 juli 2022, er is werk aan de winkel.” Hoe dat werk er uit zou kunnen zien, dat hamerde Maas er 40 minuten lang in, met een wervelwind aan projecten, uitgevoerd en van papier, die Maas in hoog tempo uit de beamer slingerde. Veel uit de koker van MVRDV en MVRDV’s Why Factory, veel van over de grens, allemaal bedoeld om de zaal te overtuigen: een radicaal andere toekomst waarin de grote opgaven worden getackled, het is, geruggesteund door gedegen onderzoek, gewoon haal- en maakbaar.
Maas zette met zijn lezing de toon van de vibe die de dag daarna begeleidde: het kan en wij gaan het doen.

Waar is de uitvoeringsparagraaf?
Hugo de Jonge was op de Dag van de Ontwerpkracht aanwezig om de programma’s NOVEX en Mooi Nederland te presenteren. Hij stelde dat de ruimtelijke puzzel nieuw gelegd moet worden. Een lastige opgave, en niet alleen vanwege de complexiteit van de grote opgaven: “We hebben verleerd hoe we de ruimtelijke puzzel moeten leggen, de verdeelvraagstukken te lijf gaan. Nu worden ze ofwel impliciet beslecht ofwel helemaal niet beslecht – zodat je helemaal geen traject naar de toekomst ziet plaatsvinden.”
Met NOVEX en Mooi Nederland herneemt de overheid de regie op de ruimte: “In de NOVI-stukken ontbreekt een hoofdstuk; de uitvoeringsparagraaf. Wij gaan aan alle ministeries vragen hoeveel ruimte zij nodig hebben en wat die ruimtevraag behelst. Dat gaan we goed articuleren aan de provincies en vragen de provincies dat passend te maken in hun eigen provincie. Dat moet volgend jaar zomer klaar zijn, zodat we in het derde kwartaal van 2023 een ruimtelijk arrangement per provincie hebben voor de komende jaren.”

Het rijk aan bal
Dan is er nog een aantal gebieden, soms provincieoverstijgend, waar de vraagstukken te complex zijn, aldus De Jonge: “Dat worden NOVEX-gebieden waar we zelf aan tafel gaan. Schiphol bijvoorbeeld, en verstedelijkingsgebieden. Zo gaan we al die verdeelvraagstukken te lijf, gebruik makend van de eigen gereedschapskist van het rijk, maar zeker ook van de provincies en de gemeentes en vergeet de waterschappen niet. Ook inhoudelijk willen we meer aan de bal, samen met jullie een Mooi Nederland realiseren, mooi in termen van functioneel en toekomstbestendig. Bij het verbeelden van die toekomst maken we graag gebruik van ontwerpkracht, om te doorvoelen: hebben we voldoende ruimte om alles te doen wat we willen? Er moet bijvoorbeeld ook ruimte zijn voor de economie, om geld te verdienen. Dat geldt ook voor de landbouw, een vitale landbouwsector.”

Rentmeesterschap
Volgens De Jonge vraagt de ruimtelijke ordening om rentmeesterschap: “Wat zouden onze kinderen en kleinkinderen vinden van de beslissingen die wij nu nemen? Dus: besluiten met de toekomst aan tafel – dat is de kern van dat rentmeesterschap, vanuit solidariteit ruimte gunnen aan elkaar hier en nu – en aan toekomstige generaties. We zijn het aan onszelf verplicht deze keuzes weer te durven en te kunnen maken. Ik hou van wielrennen en doe dat graag in de Alblasserwaard, een gebied waar je ziet wat keuzes van vroeger ons hebben gebracht. Zo zie ik ook de opdracht voor de komende tien jaar; dat mensen straks terugkijken en denken: ‘Dat was goed, daar plukken we nu nog de vruchten van’.”

Betaalbare woningen bouwen
Na afloop van zijn betoog, stelde Frénk vander Linden De Jonge de vraag: “Rutte is op vakantie, u neemt de honneurs waar. Wat is uw droommaatregel?” De Jonge antwoordde zeer overtuigd te zijn van de keuze om de regie te hernemen op de ruimtelijke ordening en de volkshuisvesting: “De meeste woningen die we hebben, zijn voor de meeste mensen niet meer te betalen. Dat wil ik veranderen, met volkshuisvesting; tweederde betaalbaar bouwen. Dat is een van de belangrijkste tournures: we gaan weer aan volkshuisvesting doen.”

Na afloop van de presentatie van Hugo de Jonge maakten NVTL en BNSP een nieuw initiatief wereldkundig: Platform Ontwerp NL. De beroepsverenigingen roepen het platform in het leven als centraal aanspreek- en coördinatiepunt voor de gezamenlijke inzet van ontwerpkracht in concepten voor de toekomst. NVTL-voorzitter Ben Kuipers reikte aan minister De Jonge de eerste Bokaal van de Ontwerpkracht uit, “vanwege de lef en kracht om deze opgave op te pakken”.

Uitleg aan de randen
De BNSP en NVTL organiseerden op de Dag van de Ontwerpkracht zes masterclasses, over verstedelijking, landschap en energie. In de masterclass Uitleg aan de randen hield Gijs van den Boomen, creatief directeur van KuiperCompagnons een pleidooi om met nieuwe narratieven te komen tot andere, juiste oplossingen en oude stellingnames en loopgraven te slechten: “Ik ben enthousiast over het verhaal van Hugo de Jonge, hij zegt alleen maar de goede dingen. The proof is in the pudding. Wij kunnen hem helpen door het verbeelden van de toekomst. Dit is vooral een pleidooi om ver vooruit te kijken en wethouders het materiaal te bieden, de verhalen en beelden voor de lange termijn, om beslissingen op korte termijn te kunnen nemen.”

Denk in grove streken
Het is tijd voor de ‘wederombouw’, aldus Van den Boomen: “Hier wonen 18 miljoen mensen in de mooiste stadsdelta ter wereld. We gaan er vanuit dat we veilig zijn en welvarend blijven, maar er liggen wel grote opgaves. We zijn slechter geworden in beter dingen doen, door onze zorgvuldigheid en inspraak. De uitvoering gaat bepalen of wij een robuust land voor de toekomst gaan worden.”
Van den Boomen pleitte voor denken in grove streken en repte van stadspolders, natmakerijen, meedeindorpen, klimaatkades – nieuw idioom voor andere vergezichten: “Dat denken in grove streken moeten we weer durven, en narratieven aandragen waarmee we in gesprek kunnen met stakeholders. Bijvoorbeeld over het feit dat het Groene Hart een blauw hart wordt en de Randstad klimaatadaptief wordt ingericht. Als je daar over durft te praten met de bevolking, dan kunnen we een plan maken met elkaar. Dan moet je zaken als de zeespiegelstijging wel durven adresseren.”

Een plan voor 2021
In een film getiteld ‘Land met een plan 2121’ illustreerde Van den Boomen wat verbeelding vermag: een gestegen zeespiegel leidt in Nederland tot een grote zware kustboog met daarachter de blauwe delta: “Het
is geen plan, maar een verbeelding. Ruimtelijke triage zou zijn; wie woont er in de stadpolders (de steden) en wie erbuiten – daar meedeinen met het water, het andere laten we vernatten.” Met optimisme de toekomst verbeelden, dat is volgens Van den Boom de weg om een narratief te schilderen “where you can buy in to”.
Van den Boomen refereerde aan het klimatadaptieve plan dat KuiperCompagnons maakte voor Alphen aan den Rijn, samen met de gemeente: “Is bouwen aan de randen hier een goed idee? Ja, als je onderdeel bent van de oplossing. Met buffers en een klimaatkade zijn we dat. Makkelijk in de wijk bouwen is verleden tijd, VINEX is geen optie meer. Deze nieuwe manier is net zo moeilijk als binnenstedelijk bouwen – maar met dit andere narratief kun je andere, juiste oplossingen aandragen, en met de verbeelding oude stellingnames en looppgraven slechten.”

Landschapspark als concept
Gerwin de Vries, oprichter van Flux landschapsarchitectuur, toonde in deze masterclass hoe het concept van het landschapspark zou kunnen bijdragen aan de landschaps- en woningbouwopgave. Flux bestudeerde de mogelijkheden van dergelijke parken op 15 stadsranden “om aan de zwart-wit discussie over uitleg aan de randen een nieuwe smaak toe te voegen.”
Een miljoen nieuwe woningen; De Vries noemde het desastreus voor stad en land om die woningen als nieuwe schillen om de steden te leggen: “Dan gaan die steden aan elkaar kleven. In grote landschappen gaat het goed, maar de randen van de steden zijn kwetsbaar. Het eigenaarschap is al vergeven, daar verrommelt het. Dat vraagt om alternatieven om de stad – land verbindingen te verbeteren en daarnaast te koppelen aan opgaven als klimaat, biodiversiteit, voedselproductie nabij de stad.”

Landschap met een businesscase
Dat mondde uit in het onderzoek van Flux naar een nieuw concept voor wonen in de rand zonder het landschap steeds verder weg te leggen en zo groene plekken vrij te spelen. In het concept van Flex kan dat door aan de randen in hoge dichtheden te bouwen – “denk aan drie keer VINEX” – en in het groene binnendeel een landschapspark te realiseren. Schaal: “Landschapsparken van circa 1000 hectare groot – met 10.000 tot 20.000 woningen per landschap.” Als voorbeeld haalde De Vries Utrecht aan, waar een reeks denkbaar is van stadspark naar landschapspark naar nationaal park: “Vanuit het Beatrixpark naar een nieuw landschapspark als schakel met de Utrechtse Heuvelrug.”
De Vries benadrukte: “We praten hier over systemen, niet over decors maar over landschap dat bijvoorbeeld water vasthoudt in tijden van droogte, bijdraagt aan de voedselproductie, hout levert voor de bouwopgave, aantrekkelijk is voor recreatie of de EHS afmaakt. Het gaat om landschap met een businesscase; dat landschapspark moet als het klaar is weer geld terugleveren.”

Nieuwe woorden, nieuwe denkbeelden
De Dag van de Ontwerpkracht werd afgesloten met een rondvraag onder leiding van Frénk van der Linden. Titel: Hoe verder? Jannemarie de Jonge was aangenaam verrast door de “mooie hoopvolle woorden”: “Beelden verwacht ik wel van deze ontwerpers, maar er lijkt een heel nieuwe taal ontdekt, voorbij de bekende hokjes van stad, land, natuur. Ik hoorde nieuwe woorden: stadspolders, natmakerijen, meedeindorpen. Die brengen nieuw denken op gang, nieuwe denkbeelden.”
Landschapsarchitect Bertram de Rooij, als senior onderzoeker ontwerpend onderzoek verbonden aan de universiteit van Wageningen onderstreepte de goede gesprekken over stikstof en klimaat in de masterclasses over landschap en het feit dat er perspectieven ter tafel kwamen – in plaats van één enkel perspectief: “Analogie tussen beide sessies over landschap: hoe je een goed gesprek kunt voeren met het juiste vocabulaire.”

Uit de startblokken
BNA-voorzitter Jolijn Valk was getroffen door de rechte lijn tussen zeggen en handelen: “Ik hoop dat we die rechte lijn kunnen oppakken en die energie vasthouden. Niet alleen het woord, maar ook de daad.” Stefan Bödecker was aangenaam verrast door de minister en de betrokkenheid van alle aanwezigen: “Hugo de Jonge ging vanaf aankomst gelijk in gesprek, 350 mensen die allemaal tot aan het einde blijven – hier is iets uit de startblokken vertrokken.”

Bestuurslid Koninklijke NLingenieurs Koos Seerden: “Mij trof de vibe van vandaag, gezien de tijd waar we vandaan komen, zonder veel regie op de ruimtelijke ordening, en met deze opgaven waar we voor staan. Ik heb hier vandaag gezien: door samen te werken, kunnen we ergens komen.”
Paul Gerretsen, agent van de Vereniging Deltametropool rondde Seerdens conclusie af: “We kunnen wel degelijk wat doen – en er wordt ook nog om gevraagd door die man met die schoenen.”

© beeld BNSP/NVTL, fotograaf Thijs ter Hart

Ontwerpkracht gebundeld voor een Mooi Nederland

PERSBERICHT 07072022 Ontwerpkracht gebundeld voor een Mooi Nederland

Beeld De minister ontving de eerste Bokaal van de Ontwerpkracht uit handen van Ben Kuipers, voorzitter van de 100 jarige NVTL. ; fotograaf Thijs ter Hart

Op de Dag van de Ontwerpkracht, 6 juli 2022 in Deventer, presenteerde de vakgemeenschap van ruimtelijke ontwerpers Platform Ontwerp NL (i.o.) aan minister Hugo de Jonge als aanspreekpunt voor de inzet van ontwerpkracht voor de verbouwing van Nederland.

 De organisatoren van de dag, de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedebouwkundigen en Planologen  (BNSP) en de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en landschapsarchitectuur (NVTL), in samenwerking met de Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus (BNA), de Vereniging Deltametropool, NLingenieurs en de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit bundelen de krachten en zetten hun gezamenlijke kennis en kunde in om de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), Hugo de Jonge, te helpen met de grote verbouwing van Nederland. De minister presenteerde naast Mooi Nederland de Nationale Omgevingsvisie Executie (NOVEX). De minister ontving, ter stimulering, de eerste Bokaal van de Ontwerpkracht uit handen van Ben Kuipers, voorzitter van de 100-jarige NVTL.

Opgaven en aanpak

De fysieke leefomgeving in Nederland staat onder druk door alle opgaven die een plek moeten krijgen: duurzame en betaalbare woningen, klimaatbestendige landschappen, biodiversiteit en natuurherstel, de daling en verzilting van de bodem, maar ook de transitie van de landbouw en de overstap op schone energie. Op de Dag van de Ontwerpkracht onderzochten deelnemers in zes masterclasses de kansen en mogelijkheden voor een integrale aanpak van verstedelijking, de toekomst van het landschap en de energietransitie – met inspirerende voorbeelden en in discussie met belanghebbenden.

Brede allianties, vaardige opdrachtgevers

Planologen, stedenbouwers en landschapsarchitecten kunnen binnen breed samengestelde allianties met ontwerpend onderzoek vraagstukken ontrafelen, de complexiteit van opgaven inzichtelijk maken, kansen en knelpunten in beeld brengen, belangen verenigen en oplossingen ontwerpen en verbeelden. De benadering van de grote opgaven vergt vaardige opdrachtgevers en brede allianties, opgebouwd uit alle betrokken stakeholders, namelijk opdrachtgevers en overheden, kennisinstellingen en adviseurs, marktpartijen en maatschappelijke organisaties, bestuurders en ontwerpers.

Landschapsarchitect Jannemarie de Jonge (College van Rijksadviseurs) en landschapsarchitect, stedenbouwkundige en architect Winy Maas (MVRDV) begonnen de dag met inspirerende verhalen en vergezichten zonder voorbij te gaan aan de huidige hindernissen. Dagvoorzitter Frénk van der Linden blikte in zijn slotwoord terug op een enerverende dag en blikte vooruit op de mooie uitkomsten van de bundeling van ontwerpkracht.

 Plannenparade

De Dag van de Ontwerpkracht markeerde ook de aftrap van de Plannenparade, een rondreizende expositie die gedurende een jaar op verschillende locaties in Nederland ontwerpen toont waarin de grote opgaven zijn geïncorporeerd.

 

De omgevallen boekenkast | Verder lezen

VERDER LEZEN

Sommige auteurs maken het ons lezers niet echt makkelijk wanneer je probeert echt te begrijpen wat hij/zij/hen bedoelt te zeggen en/of belangrijk vindt. Dat is vooral het geval bij bij boeken die met enig overenthousiasme en educatieve ambitie geschreven. Zo heb ik om het recente boek van Zef Hemel goed te begrijpen niet alleen een overzicht moeten maken van de gehanteerde kernbegrippen alsmede een chronologie van Zefs professionele leven gekoppeld aan nationale, regionale, lokale planproducten en -documenten, maar ook moest ik de inhoudsopgave nog wat uitbreiden en een analyse maken van het notenapparaat en de bibliografie.

Want ook in dit boek (Er was eens een stad, 2021) is de bibliografie een alfabetische opsomming van een 252 (door mij getelde) werken uit een omgevallen boekenkast in plaats van een hoofdstuksgewijs georganiseerde handreiking aan de lezer die zich verder wil verdiepen. Soms vermelden auteurs welke publicaties zij gebruikt hebben bij bepaalde hoofdstukken of paragrafen. Of ze leveren een handig lijstje onder het kopje “verder lezen”. In wezen doet Zef dat ook wel wanneer hij in de tekst ingaat op een boekwerk, maar vaker zijn de aanbevolen publicaties verstopt in de noten.

Als stedebouwkundige lezer miste ik in de tekst een duidelijker definiëring van de twee in de naam van onze beroepsvereniging genoemde disciplines. Per slot heeft Zef, zoals hij zelf memoreert, ook colleges geschiedenis van de moderne stedenbouw bij de architectuurhistoricus Ed Taverne gevolgd. En was hij, naar eigen zeggen, jaren hoofdredacteur van vaktijdschrift Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening. Maar door het boek heen merk je dat Hemel wel wat stedenbouwkundigen noemt en ook verhaalt hij over de ondergeschikte positie van de planologen ten opzichte van de stedenbouwkundigen bij het begin van zijn werk als directeur bij DRO in Amsterdam, maar hij gaat er verder niet op in. Ook stelt hij dat bij de IABR 2007 twee disciplines tegenover elkaar stonden: planologie en stedenbouwkundig ontwerpen als representanten van respectievelijk Amsterdam en Rotterdam zonder nadere toelichting of uitwerking. En als laattwintigste-eeuwse stedenbouwkundige voelde ik me eerlijk gezegd wat aangesproken door zijn volgende constatering: Nota bene daklozen maakten duidelijk waar het in de twintigste-eeuwse stedenbouw aan mankeert (weinig schuilplaatsen, weinig beschutting, weinig voedsel) en waarom negentiende-eeuwse buurten wél deugen. Over de stad in het algemeen en het functioneren van straten, buurten en wijken bleek het oordeel van de daklozen al even scherp en trefzeker. Maar om nou zelf onder een brug te gaan wonen, of voor de stad voedsel te gaan verbouwen, om zo een betere stedebouwkundige te zijn gaat me wat ver.

Ik was kortom op zoek naar een nadere taakomschrijving voor onze disciplines in het boek en ben nog steeds in verwarring of stedenbouwkundig werk (in woord en beeld) nou onderdeel is van Zefs Visionaire Planologie of niet. Maar ook krijg ik weinig leestips om me in de door Hemel gewenste richting om- en bij te scholen. Zoals ik in mijn vorige blog over Er was eens een stad schreef overdondert met name de aan die visionaire planologie gewijde 70 pagina’s van inleiding, hoofdstuk 10 en epiloog de lezer met verwijzingen naar een overvloedige hoeveelheid denkers (zo’n 80!) en een enkele doener.

Hemel gebruikt 575 doorgenummerde noten en verwijst daarin naar meer dan 200 werken in zijn bibliografie. Blijkbaar zijn er ook interessante boeken die niet in de hoofdtekst of noten vermeld zijn. Een dikke dertig noten zijn nadere verklaringen op wat in de hoofdtekst geschreven staat, de resterende 540 noten zijn bijna allemaal een literatuurverwijzing die dient als bronvermelding. Zelfs na lezing van het boekwerk en het opstellen van een cijfermatige cross reference analyse van het notenapparaat en de bibliografie is niet één eenduidige hoofdlijn in het betoog te vinden anders dan dat de planologie (inclusief de stedenbouw?) op geheel andere leest geschoeid moet worden.

Het boek roept vragen op en stimuleert zelfstudie, dus koop en bestudeer het. Omdat ik zelf in de boekenkast nog geen 23% van Hemels bibliografie heb staan en toch een beetje bij wil blijven, heb ik gemakshalve gekeken welke informatie Zef gebruikte om zijn zes helden te portretteren. Na raadpleging van de frequentie binnen het notenapparaat en soms ook een beetje op de gok heb ik mijn ‘visionaire wishlist’ opgesteld.

Om planologisch wat bij te spijkeren staat van John Friedmann Planning in the Public Domain. From Knowledge to Action 1987 genoteerd; James Throgmorton laat ik nog even rusten, maar van Patrick Geddes zou ik naast Helen Mellers Patrick Geddes: Social Evolutionist and City Planner uit 1993 ook diens eigen Cities in Evolution; An Introduction to the Town Planning Movement and to the Study of Civics uit 1915 al dan in een nieuwe bijgewerkte editie wel willen lezen.

We wachten nog op die biografie van Dirk Frieling, maar ik ben wel geïnteresseerd geraakt in het verhaal over/van Theo van Lohuizen en ik ga dus naast de al uit de boekenkast gehaalde biografie van hem door Arnold van der Valk geschreven Het levenswerk van Th. K. van Lohuizen 1890-1956; De eenheid van het stedenbouwkundige werk, 1990) ook Vincent van Rossems, Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam: geschiedenis en ontwerp. (1993), Kees Somers De functionele stad: de CIAM en Cornelis van Eesteren, 1928-1960. (2007) en het monumentale boek van Evelien van Es, e.a. Atlas of the Functional City; CIAM 4 and Comparative Urban Analysis. (2014) erbij halen.

Het door Zef Hemel bij het hoofdstuk over Jane Jacobs gebruikte boek The Power Broker (1974) van Robert A. Caro over Robert Moses (een ietwat heimelijk bewonderde held van Hemel) komt wat later aan de beurt, net als al het werk van en over haar. En uiteindelijk ben ik bang dat ik de door Zef aanbevolen I Tjing (Het Boek der Veranderingen) en Oorlog en vrede van Tolstoj pas kan gaan lezen wanneer we op vakantie gaan.

De omgevallen boekenkast | Zef

Zef

Een belangrijk voordeel van het krijgen van een boek om te recenseren, behalve dat het gratis is, is dat je (ik althans) plichtsgetrouw het veel nauwgezetter dan anders gaat lezen; wat overigens ook soms een nadeel is. Want om het nieuwste boek van Zef Hemel echt te kunnen begrijpen heb ik het namelijk niet alleen één keer goed gelezen en nog eens herlezen,  maar moest ik om te snappen wat er allemaal in Hemels werkzame leven gebeurde in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen van Nederland, de Randstad en Amsterdam  (één van de hoofdlijnen in het boek) zelf een aparte chronologie maken, want Zef springt in het boek wat heen en weer in de tijd. Daarnaast heb ik, gedeeltelijk op basis van de index, een overzicht moeten maken van de hoofdpunten en kernbegrippen in het verhaal, want de gedachtegangen van Zef meanderen af en toe nogal breeduit en zijn niet altijd even makkelijk te volgen. Verder komt Hemel af en toe weer terug op zaken, die lijken te horen bij de hoofdlijn van het verhaal, zoals de kleinzieligheid van Rotterdam, de onwil en het onvermogen van ‘Den Haag’ (de regering) en het idee fixe dat we (dat wil zeggen: de burgers) zonder overheid eigenlijk best met de stad uit de voeten kunnen. Dit laatste met name is een beetje vreemd om te horen van iemand die langdurig directielid is geweest van een gemeentelijke organisatie en tien jaar een leerstoel mocht bekleden die door dezelfde gemeente Amsterdam werd gefinancierd.

Op zich is het boek (Er was eens een stad; visionaire planologie, Uitgeverij Pluim, november 2021) een fascinerend verslag van de wederwaardigheden van een bevlogen professional in de ruimtelijke, met name Amsterdams-ambtelijke, ordeningswereld en zijn pogingen om tot een eigen vakopvatting en beroepsuitoefening te komen. Die beroepsuitoefening komt vooral naar voren in de drie autobiografische hoofdstukken getiteld De regio, De stad en De binnenstad, met 125 pagina’s samen goed voor een derde van dit boek van 365 pagina’s, exclusief de 21 pagina’s bibliografie en de 17 pagina’s index. Wie snel wil weten wat Zef Hemel vakmatig beoogt leze de 70 pagina’s (ofwel een vijfde van het boek) van het drieluik bestaande uit de Inleiding, het hoofdstuk 10 en de epiloog. Vooral in deze delen van het boek geeft Hemel een paar keer een omschrijving van wat hij onder visionaire planologie verstaat en wat volgens hem de visionair planoloog of visionair planner doet of zou moeten doen.

Om zijn denkbeelden te onderbouwen dan wel te rechtvaardigen haalt hij alleen al in de inleiding van nog geen 20 pagina’s de volgende personen aan: Willem Steigenga, Pier Carlo Palermo, Marijke van Schendelen, G.J. van den Berg, Ed Taverne, Donald Schön, Nathan Glazer, Alice Sparberg Alexiou, Max van den Berg, Robert Caro, Robert Moses, Manfred Bock, Richard Sennett, John Forester, Hannah Arendt, Vladimir Stissi, Lewis Mumford, Samuel Zipp en Nathan Storing, Patsy Healey, Susan Fainstein en Peter Hall. Daarnaast introduceert hij de zes historische figuren die hij ‘als planoloog’ bewondert en waar hij zes afzonderlijke hoofdstukken aan zal wijden: Patrick Geddes, Dirk Frieling, Theo van Lohuizen, Jane Jacobs, John Friedmann en James Throgmorton.

Deze zes levensbeschrijvende hoofdstukken zijn per paar gekoppeld aan de drie autobiografische hoofdstukken en leiden, tamelijk rechtlijnig, tot het afsluitende tiende hoofdstuk, Visionaire Planologie getiteld, net als de ondertitel van het boek zelf. Ook daar had een wat strengere eindredactie het 42 pagina’s tellende betoog van Hemel wat toegankelijker kunnen maken. Om te beginnen zijn in dit hoofdstuk (en het boek) als geheel nergens witregels of tussenkopjes gebruikt, wat wel het geval was in Zefs vorige boek uit 2016 waar ik eerder over blogde. Verder herhaalt hij, in dit laatste hoofdstuk, samenvattend, wat hij geleerd heeft van zijn zes historische helden (met name John Friedmann) en komt terug op (of gaat verder met) wat hem na zijn afstuderen (in 1981) allemaal op het spoor zette van de visionaire of narratieve planologie.

Tegelijkertijd voegt hij een ruim 3 pagina’s lang stuk over Cornelis van Eesteren (nog een held van hem) in en komt met extra argumentatie voor zijn opvattingen door (soms nogal uitgebreid) aan te haken bij werk en denkbeelden van Huub Dijstelbloem, Bruno Latour, Luuk Boelens, John Forestter, Chris Agyris, Amartya Sen, Martha Nussbaum, Prya Parker, Michel de Montaigne, Edward Wilson, Vincent van Rossum, Yuval Harari, Clifford Geertz, Philip Blom, Walter Fisher, Walter Benjamin, Herodotus, Gerald Burke, Paul Davidoff, Han Boering, Lev Tolstoj, Isaiah Berlin, Steven Johnson, Horst Rittel, Melvin Webber, Kelly Levin, Benjamin Cashore, Graeme Auld, Steven Bernstein en Malcolm Gladwell. Uiteindelijk komt hij, op basis van zijn Amsterdamse praktijkervaring en zijn reflecterend onderwijs-/onderzoekswerk, tot de conclusie dat “een planner dus niet hard hoeft in te grijpen, zich beroepend op zijn autoriteit; zijn werk kan veel bescheidener en subtieler. … Een goede planner toont bovenal empathie: hij is in staat te zien wat anderen zien, stelt burgers centraal…Als het goed is bedrijft hij planologie als improvisatie, bijna intuïtief, als kunst. Bovenal is hij een verteller van verhalen.”

Voorafgaand aan dit laatste hoofdstuk staat op pagina 324 een los lijstje van zeven competenties die de visionair planoloog in de eenentwintigste eeuw, volgens Hemel begrijp ik, moet bezitten en kunnen inzetten: waarnemen (bewust en met aandacht de zintuigen in je opnemen), berekenen (naar maat en schaal bepalen), ervaren (door ondervinding gewaarworden), leren (het verwerven en je eigen maken van kennis en vaardigheden), verbeelden (je een voorstelling maken), overtuigen ( door klem van woorden enz. doen geloven) en inspireren (bezielen, aanvuren). Hemel koppelt de eerste zes kwaliteiten aan respectievelijk Geddes, Van Lohuizen, Jacobs, Friedmann, Frieling en Throgmorton. Waar het zevende vinkje (inspireren) vandaan komt is niet geheel duidelijk.

Ook bij dit boek (overigens warm aanbevolen…) moet je, net als bij bijna elk boek, zelf een relevante rangorde in de gebruikte literatuur aanbrengen. Via het notenapparaat wordt duidelijk welke van de meer dan 250 alfabetisch gepresenteerde boeken in de bibliografie belangrijk zijn. De enthousiasmerende manier waarop Zef zijn omgevallen-boekenkast-kennis uitdraagt leverde een aantal publicaties op die ik aan mijn wensenlijst heb toegevoegd of op het ‘te-herlezen-stapeltje’ heb gelegd. Uit de boekenkast heb ik tijdens het lezen het werk van Arnold van der Valk over Van Lohuizen gepakt (Het levenswerk van Th. K. van Lohuizen 1890-1956; De eenheid van het stedebouwkundig werk, 1990), het, nu ook door Zef geciteerde, boek van Niek de Boer uit 1996 De Randstad bestaat niet; de onmacht tot grootstedelijk beleid, de essaybundel De stad als uitdaging; politiek, planning en praktijk van de stedenbouw uit 2000 van Yap Hong Seng, de autobiografie van Max van den Berg (Jongens, maak het maar mooi. Stadsontwikkelaar en ambtenaar in Amsterdam 19163-1986, 2006) en bij gebrek aan die biografie over Dirk Frieling zijn intreerede Een dichtbevolkte delta (1991) en zijn uittreerede Metropoolvorming opgenomen in Delta Darlings (2003). Maar ook Zef Hemels eerdere boek De toekomst van de stad; een pleidooi voor de metropool (2016) haalde ik erbij om hem nog beter te begrijpen.

Al vroeg in de Inleiding van zijn Er was eens een stad geeft Hemel aan ‘het elkaar verhalen vertellen’ de essentie van de ruimtelijke planning te vinden en dat visionaire of narratieve planologie te noemen. Iets verderop stelt hij dat planologen zowel ontwerper, onderzoeker, beleidsmedewerker, manager, activist als onderhandelaar kunnen zijn. Als stedebouwkundig ontwerper vraag ik me af of zijn aanpak van de planologie ons in de praktijk van de ruimtelijke ordening veel verder heeft geholpen dan wel gaat helpen. Ik zou de planologen van onze beroepsvereniging willen uitnodigen cq uitdagen om het betoog van Hemel scherper te analyseren dan ik kan. Met name het werk van de twee hedendaagse planningstheoretici (Friedmann en Throgmorton) vind ik moeilijk te plaatsen in relatie tot de (Nederlandse) planningspraktijken. Zelf zou ik vanuit stedebouwkundige invalshoek Hemels terughoudendheid om over stadsontwikkeling, stedebouw en stedebouwkundig ontwerpen te praten nader willen analyseren. Op zijn geschiedschrijving van de ruimtelijke ontwikkelingen van Amsterdam, de Randstad en Nederland in relatie tot grootstedelijke en perifere leefmilieus kom ik nog wel terug. Verder kunnen de denkbeelden van de ook in dit boek bewierookte Jane Jacobs natuurlijk niet onbe- en weersproken blijven. Wordt dus vervolgd.

Recent nieuws

3 oktober 2022 Blog
Lees verder

BNSP-Salon #6 Ondergronds | 13 oktober

14 september 2022 Blog

De aandacht voor ondergronds bouwen neemt steeds meer toe nu de ruimte en de natuur schaarser worden. Hoe staat het in Nederland met underground urbanism?.

Lees verder

De omgevallen boekenkast | You Jane

12 september 2022 Blog

YOU JANE Al enige tijd en sinds kort steeds meer verbaas ik me over (en irriteer ik me aan) de af en toe weer terugkomende.

Lees verder

Agenda

13 oktober 2022

19:30 tot 21:30BNSPExcursies

BNSP-Salon #6: Ondergronds bouwen