Ik zoek een stedebouwkundige of planoloog Meer informatie


De Omgevallen Boekenkast | Architectuurbewoners

24 oktober 2019 Blog

Tjerk Ruimschotel

Nagenietend van onze vakantie/studiereis naar Frankrijk en af en toe nog bezig met de laatste loodjes van een publicatie over de Londense woningbouw, bedacht ik dat ik eigenlijk nog steeds te weinig wist van Le Corbusier en over de werkelijke mate van invloed op architectuur, woningbouw en (belangrijker) op de stedebouw in theorie en praktijk. Dat ergens in de 20e eeuw steeds meer architecten witte villa’s op pilaren met horizontale ramen gingen ontwerpen is betrekkelijk onbelangrijk, want beperkt tot particuliere woningbouw. Anders wordt het wanneer het model van het passagiersschip de basis voor vorm en functioneren van de massawoningbouw wordt en helemaal wanneer radicale kaalslag en ruimtelijke composities, die in schetsvorm en op de schaal van een maquette aantrekkelijk lijken, de toekomst van onze steden zouden moeten gaan bepalen.

Tegelijkertijd is het ook een beetje raar om ene Charles-Édouard Jeanneret( 1887-1965) meer dan een halve eeuw na ’s mans dood nog steeds verantwoordelijk te houden voor ongeveer alles wat mis is gegaan en/of dreigt mis te gaan in onze ruimtelijke omgeving.

Dat ik relatief weinig van en/of over hem gelezen ligt niet aan Le Corbusier noch aan het schrijversgilde, want volgens de Franstalige Wikipedia heeft hij tussen 1923 en 1965 meer dan 57 publicaties geschreven, terwijl er postuum nog 13 publicaties zijn verzorgd. Verder vermeldt het wiki-artikel dat er 50 boeken over hem geschreven zijn, wat me belachelijk weinig lijkt als volgens de website van de Fondation Le Corbusier alleen al in zijn 50ste stervensjaar 45 boeken zijn verschenen. Een snelle optelling leert dat de afgelopen 10 jaar al bijna 300 boeken over de meest uiteenlopende aspecten van zijn werk en leven zijn uitgegeven. Dat het merendeel in het Frans was zou me niet hebben moeten weerhouden daar kennis van te nemen.

Per slot heb ik met mijn HBS-B opleiding toch ook kunnen doordringen in werken als L’urbanisme, utopies et réalités; une anthologie van Francoise Choay uit 1965 of de tentoonstellingscatalogus van het Centre Georges Pompidou: la ville; art et architecture en Europe, 1870-1993 uit 1994.

Als student stedebouw heb ik uiteraard ooit de heruitgave uit 1966 van Le Corbusiers Urbanisme uit 1923 aangeschaft en onlangs in Ronchamp het in 2010 uitgegeven stripboek le corbusier, architecte parmi les hommes van Rébena, Baudoui en Thevenet, maar daarnaast eigenlijk weinig tot niets.

Alleen de Pelican pocket van Peter Blake (voorheen Peter Blach) Le Corbusier; Architecture and Form uit 1963 is er tweedehands bijgekomen (dus niet eens de Nederlandstalige Aula Pocket uit 1966).

Verder blijk ik de tentoonstellingscatalogus van het Stedelijk Museum Amsterdam uit 1947 te hebben, getiteld Le Corbusier schilder, architect, stedebouwer – profeet van de nieuwe stad, maar ook het AO-boekje no 1076 van H.G. van Beusekom Le Corbusier en het gewone wonen.

Blijkbaar is de tentoonstelling in het Frans Hals Museum te Haarlem eind 1985, evenals de bijhorende catalogus met de intrigerende titel Le Corbusier en Nederland van Robert Mens, Bart Lootsma en Jos Bosman aan mijn aandacht en koopdrift ontsnapt.

Als boekenliefhebber heb ik daarentegen wel recentelijk het werk Vers une architecture du livre; Le Corbusier: édition et mise en page 1912-1965 van Catherine de Smet aangeschaft, onberispelijk uitgegeven door Lars Müller in 2007.

In dit boek beschrijft De Smet hoe Le Corbusier zich naast de inhoud van zijn publicaties ook druk maakte over de verschijningsvorm ervan en er dan ook veel zelf ontwierp en vormgaf. En daarmee ook vormgaf aan onze perceptie van zijn werk. Deze publicatie is een uitbreiding en aanvulling op haar twee jaar eerder, eveneens door Lars Müller uitgegeven publicatie dat in drie talen verscheen:, Frans: Le Corbusier – Un architecte et ses livres, Duits: Le Corbusier, Architekt der Bücher  en Engels: Le Corbusier, Architect of Books.

Maar de meest bijzondere publicatie over (een deel van het werk van) Le Corbusier is dat van Philippe Boudon. In 1969 verscheen bij uitgeverij Dunod in Parijs Pessac de Le Corbusier, 1927-1967 – Etude socio-architecturale waarin Boudon verslag doet van een onderzoek naar de manier van wonen in een door Le Corbusier ontworpen, gedeeltelijk ook in 1927 gerealiseerd arbeidersbuurtje van oorspronkelijk 135 woningen voor de suikerfabrikant Henry Frugés in Pessac bij Bordeaux. De 70 woningen in 7 typen waren te modern voor de bewoners die er dan ook vaak een schuin dak op zetten, ramen verkleinden en soms zelfs houten luiken tegenaan timmerden. Deze toe-eigening was aanleiding om in 1985 een nieuw editie te maken met een vervolg, Pessac II Le Corbusier 1969-1985, waarin een achttal architecten en wetenschappers reflecteren op architectuur, stadsontwikkeling en de rol van de ontwerper en de bewoner/gebruiker in de loop van de tijd: Pessac de Le Corbusier– Etude socio-architecturale 1929/85. Jammer genoeg is deze nieuwe editie niet vertaald, zoals de oorspronkelijke editie die in 1971 in het Duits verscheen als Die Siedlung Pessac – 40 Jahre Wohnen à Le Corbusier. Sozio-architektonische Studie en in 1972 in het Engels: Lived-in Architecture: Le Corbusier’s Pessac Revisited.

Maar vooral jammer is dat dit boek door de nu bijna tachtigjarige Boudon niet nog een keer is geactualiseerd, Want hoewel in de jaren tachtig de bewonersinbreng als waardevol werd gezien (indachtig de uitspraken van Le Corbusier dat het leven het overneemt van de ontwerper en dat de bewoner altijd gelijk heeft) werden de wat verwaarloosde woningen steeds meer ontdekt als aantrekkelijke woning voor modernistisch ingestelde stedelijke professionals en intellectuelen, die langzaam maar zeker de oorspronkelijke bewoners verdrongen en hun aanpassingen tenietdeden door de woningen terug te restaureren naar de ooit door de architect gedachte felgekleurde geometrische blokjes.

Sinds 2016 opgenomen in de werelderfgoedlijst van de UNESCO is het Quartier Moderne Fruges waarschijnlijk voorgoed bedorven; niet langer uitdrukking van een levende architectuur en een actieve bewoning, maar de uiterlijke verschijningsvorm van goede/dure smaak en nostalgische verlangen naar ‘authentieke’ moderniteit, ook al is die bijna honderd jaar oud. Zelf had ik, hoe paradoxaal ook, liever gezien dat die inventieve en soms aandoenlijke veranderingen die de bewoners zelf aangebracht hadden en door Philippe Boudon zo trefzeker gedocumenteerd waren, door een aanwijzing tot monument een permanente les voor alle ontwerpers zouden zijn geworden. Gelukkig hebben we de foto’s en de boeken nog.